naar aanleiding van het verzoek van:
1. [Verzoeker]
over het aanvankelijk oordeel van
2. het Bestuur van de KNAW
Procesverloop
Op 28 mei 2024 heeft Verzoeker een klacht ingediend bij de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van de KNAW (hierna: CWI) over een mogelijke schending van wetenschappelijke integriteit door [Betrokkene 1], [Betrokkene 2] en [Betrokkene 3].
De CWI heeft het Bestuur van de KNAW (hierna: het Bestuur) op 24 maart 2025 geadviseerd de klacht ongegrond te verklaren.
Het Bestuur heeft het advies van de CWI overgenomen en heeft de klacht van Verzoeker in het aanvankelijk oordeel van 6 mei 2025 ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (hierna: LOWI) op 13 mei 2025 verzocht advies uit te brengen over dit aanvankelijk oordeel.
Het LOWI heeft besloten het verzoek in behandeling te nemen.
Prof. dr. N.P. Landsman heeft zich in deze zaak verschoond.
Het Bestuur en Betrokkenen hebben een verweerschrift ingediend.
Verzoeker heeft hierop gereageerd.
Het Bestuur heeft een laatste reactie ingediend. Betrokkenen hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Het LOWI heeft in zijn vergadering van 26 september 2025 besloten dat het zich voldoende geïnformeerd acht en dat het de zaak op de stukken zal behandelen.
Partijen zijn van dit besluit om geen hoorzitting te houden op de hoogte gebracht.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze zaak gaat over een groot onderzoeksprogramma dat (mede) door de Nederlandse overheid is gefinancierd.
2. Betrokkenen waren de programmaleiders van het onderzoek.
3. Verzoeker is jurist met interesse in het onderwerp van het onderzoek. Hij is kritisch op het boek dat als sluitstuk van het onderzoek is verschenen en waarin de belangrijkste conclusies van het onderzoek zijn weergegeven.
4. Verzoeker heeft twee artikelen geschreven over dit boek. Deze artikelen verschenen in een weekblad (2023) en in een tijdschrift (2025). De kritiek die hij in deze artikelen uit, ziet op de onafhankelijkheid in het onderzoeksproces en op het gebruik van een definitie in het onderzoek. Beide aspecten komen, naast andere kritiekpunten, terug in de wetenschappelijke integriteitsklacht die Verzoeker bij de KNAW heeft ingediend.
Klacht
5. Verzoeker meent dat met het onderzoek de volgende normen uit de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018 (hierna: de gedragscode) zijn geschonden: 5, 6, 8, 10, 11, 18, 20, 22, 23, 28, 34, 35, 37, 38, 39, 44, 49, 50, 53, 54 en 55. Zijn klacht bestaat uit tien onderdelen.
Klachtonderdeel 1
6. Verzoeker klaagt dat vier onderzoekers uit het team, waaronder Betrokkene 1 en een lid van de wetenschappelijke adviescommissie, in eerdere publicaties al een bepaald standpunt hebben ingenomen met betrekking tot de onderzoeksvraag. Dit stond volgens Verzoeker een open blik naar de onderzoeksvraag in de weg en heeft geleid tot belangenverstrengeling. Verzoeker maakt een onderscheid tussen wat hij noemt een geopinieerde wetenschapper en een onbevangen onderzoeker. Volgens hem hebben de genoemde personen zowel de pet van geopinieerde wetenschapper op als die van onbevangen onderzoeker. Verzoeker wijst op de werking van confirmation bias en stelt verder dat een geopinieerde wetenschapper niet snel zal terugkomen op een eerder ingenomen standpunt met het oog op diens reputatie en een eventueel commercieel belang. Verzoeker wijst ook op mogelijke beïnvloeding van de rest van het onderzoeksteam door geopinieerde wetenschappers. Verzoeker stelt verder dat het onderzoeksteam bestond uit geestverwanten, hetgeen tot tunnelvisie heeft geleid. Ook wijst hij erop dat twee leden van de wetenschappelijke adviescommissie in dienst waren bij één van de instituten die deelnamen aan het onderzoek. Dit botst met de onafhankelijkheid, aldus Verzoeker en is volgens hem ontegenzeggelijk een schending van de wetenschappelijke integriteit.
Klachtonderdeel 2
7. Verzoeker klaagt dat het antwoord op de onderzoeksvraag al was gegeven voor aanvang het onderzoek.
Klachtonderdeel 3
8. Verzoeker kan zich niet vinden in een definitie die in het onderzoek centraal staat. Volgens hem hadden de onderzoekers met hun definitie bij de gangbare betekenis van het betreffende woord moeten aansluiten en had dit moeten leiden tot de conclusie dat het niet mogelijk was om een antwoord op de centrale onderzoeksvraag te formuleren. Door een andere definitie te hanteren is volgens Verzoeker in plaats daarvan naar een bepaald onderzoeksresultaat toegewerkt.
Klachtonderdelen 4, 5 en 8
9. Verzoeker betoogt verder dat de conclusies van het onderzoek niet zijn onderbouwd. Volgens Verzoeker is er een gebrek aan data en wordt in het onderzoek niet uitgelegd hoe dit gebrek wordt overwonnen zodat de centrale onderzoeksvraag op een verantwoorde manier kan worden beantwoord.
Klachtonderdeel 6
10. Verzoeker klaagt dat juridische expertise ontbrak in het onderzoeksteam en/of de wetenschappelijke adviesraad en dat geen ervaring aanwezig was met normstelling, toetsing en objectief beoordelen van bewijsmiddelen. Volgens hem zijn de onderzoekers buiten hun eigen deskundigheid getreden.
Klachtonderdeel 7
11. Verzoeker stelt dat de conclusie op de website te stellig is gelet op het gebrek aan onderliggende data.
Klachtonderdeel 9
12. Verzoeker geeft een alternatieve verklaring c.q. hypothese en vraagt zich af of onderzoekers dit hebben meegenomen in het onderzoek.
Klachtonderdeel 10
13. Verzoeker vindt dat de onderzoekers niet goed zijn omgegaan met activisten. Volgens hem is ten onrechte podium gegeven aan een activistisch drietal van een bepaalde signatuur en is met andere belanghebbenden niet gesproken. De onderzoekers hebben zich volgens Verzoeker mogelijk laten beïnvloeden en/of onder druk laten zetten om conclusies te trekken die op grond van het beschikbare materiaal niet getrokken konden worden.
CWI-advies
14. De CWI begint haar beoordeling met de opmerking dat Verzoeker de eerste noch de enige is die vraagtekens plaatst bij de onafhankelijkheid en objectiviteit van de onderzoeksgroep. De onderzoekers zijn gedurende de jaren van het onderzoek doorlopend vanuit alle hoeken van het politieke spectrum bekritiseerd en ondervraagd, aldus de CWI. Volgens de CWI gaat Verzoekers klacht in wezen niet over wetenschappelijke integriteit maar betreft het een inhoudelijke discussie over controversiële begrippen waarvoor de klachtenprocedure niet is bedoeld. De klacht had volgens de CWI daarom op grond van artikel 4.5, sub f, onder III en IV, van de Klachtenregeling wetenschappelijke integriteit KNAW niet inhoudelijk in behandeling moeten worden genomen. Omdat echter de procedure door een samenloop van omstandigheden toch is opgestart en partijen zijn gehoord, is de CWI alsnog op de twee hoofdzaken van de klacht ingegaan.
15. Volgens de CWI heeft Verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de adviescommissie door haar samenstelling niet onafhankelijk en objectief haar werk heeft gedaan. Voor wat het onderzoeksteam betreft, geldt volgens de CWI hetzelfde. Ook daarvan heeft Verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat onderzoekers niet in vrijheid hun werk hebben gedaan of onder druk van Betrokkenen naar een conclusie hebben toegewerkt. De onderzoekers zijn aangesteld op basis van hun expertise op het deelterrein van het onderzoek. Dit was een belangrijk selectiecriterium en dus was het onvermijdelijk dat een deel van de onderzoeksgroep al eerder had bijgedragen aan de huidige wetenschappelijke stand van zaken rond dit onderwerp en dat op deze kennis zou worden voortgebouwd. De CWI gaat mee in de argumenten van Betrokkenen dat er niets laakbaars of niet-integer is aan het feit dat geen sprake was van een tabula rasa bij onderzoekers, dat het onproductief zou zijn om hun kennis buiten het onderzoeksprogramma te houden en dat het de bedoeling van het onderzoek was om voort te borduren op eerder onderz De positie van één onderzoeker wordt door Betrokkenen wel ongemakkelijk genoemd, omdat deze in zijn voorgaande (commerciële) publicatie al een duidelijke positie heeft ingenomen ten aanzien van de onderzoeksvraag en deze positie ook als zodanig heeft geuit in de media. Verzoeker heeft echter niet aannemelijk gemaakt, aldus de CWI, dat de andere tientallen onderzoekers zich voor het karretje van die ene onderzoeker hebben laten spannen en naar een door hem reeds ingenomen standpunt hebben toegewerkt. De onderzoekers zijn transparant geweest over het hergebruik van bronnen en hebben verwezen naar de oorspronkelijke publicatie(s). De onderzoekers hebben naast het werk van deze ene onderzoeker meerdere uitvoerige studies gebruikt die Verzoeker onbenoemd heeft gelaten maar die mede de empirische basis vormen voor het onderzoek en de conclusies. Bovendien was er een maatschappelijke klankbordgroep die gedurende het onderzoek de gelegenheid heeft gehad om kritiek te uiten op de bevindingen. In deze klankbordgroep waren groepen van alle kanten van het politieke spectrum aanwezig, aldus de CWI.
16. De definitie waartegen Verzoeker zich keert is volgens de CWI voldoende wetenschappelijk onderbouwd. Voor zover Verzoeker bedoelt dat er een juridische definitie gehanteerd had moeten worden, stuit dat af op de vrijheid van wetenschappers. Beklaagden hebben niet de indruk gewekt een juridische definitie te hanteren, aldus de CWI. Verder zijn er volgens de CWI voldoende beschrijvingen in het boek te vinden om de conclusie van het onderzoek te kunnen dragen. De CWI overweegt dat in deze sprake is van een inhoudelijke discussie over wellicht controversiële begrippen die thuishoort in het wetenschappelijke forum en dat de klachtenprocedure hier niet voor is bedoeld.
17. De CWI adviseert het Bestuur gelet op het voorgaande om de klacht ongegrond te verklaren.
Voorlopig oordeel
18. Na de ontvangst van het CWI-advies heeft het Bestuur gevraagd om een nadere toelichting op de passage in het CWI-advies dat de klacht eigenlijk niet in behandeling had moeten worden genomen.
19. De CWI heeft in reactie hierop toegelicht dat sprake was van een – wat volgens de CWI vaker voorkomt – voortschrijdend inzicht dat de klacht in wezen niet ziet op schending van de wetenschappelijke integriteit. Dit was de CWI niet aanstonds duidelijk, maar pas nadat zij alle belanghebbenden had gehoord en nadat zij het boek waarop de klacht ziet diepgaander had kunnen onderzoeken.
20. Na deze toelichting heeft het Bestuur het CWI-advies overgenomen en de klacht ongegrond verklaard.
Verzoek
21. Verzoeker heeft procedurele en inhoudelijke bezwaren tegen het voorlopig oordeel aangevoerd. Een bezwaar dat Verzoeker zowel procedureel als inhoudelijk noemt, is dat de CWI heeft nagelaten om de tien klachtonderdelen stuk voor stuk te behandelen en te toetsen aan de gedragscode. De overige procedurele bezwaren worden niet hier uitgeschreven, maar bij de behandeling van deze punten in overweging 34. Inhoudelijk betwist Verzoeker het oordeel van de CWI dat sprake is van een professioneel verschil van opvatting tussen hem en Betrokkenen. In zijn verzoekschrift schrijft hij hierover onder meer: “Ten overvloede: de klachten gaan niet over een inhoudelijke discussie/controverse (…). Zij betreffen zaken als bijvoorbeeld methodiek, de kwaliteitseisen die men mag stellen aan wetenschappelijk onderzoek en belangenverstrengeling: allemaal zaken die de Code 2018 met name noemt en die de CWI-KNAW op een eerlijke, zorgvuldige en professionele wijze had behoren te toetsen. Dat is helaas niet gebeurd, en vandaar dit beroep bij het LOWI.”
Standpunt Bestuur
22. Het Bestuur stelt zich kort gezegd op het standpunt dat de procedure geen schoonheidsprijs verdient, maar dat Verzoeker niet is benadeeld en dat er geen sprake is geweest van een oneerlijke procedure. In zijn verweerschrift en in zijn laatste reactie reageert het Bestuur op de door Verzoeker opgeworpen procedurele bezwaren. Deze reactie van het Bestuur wordt niet hier uitgeschreven, maar bij de behandeling van deze punten in
overweging 35. Het Bestuur onderschrijft het advies van de CWI dat de klacht ziet op een inhoudelijke discussie over begrippen en methodologie en niet op een schending van de wetenschappelijke integriteit.
Standpunt Betrokkenen
23. Betrokkenen onderschrijven het CWI-advies en voorlopig oordeel dat sprake is van een inhoudelijk verschil van opvatting tussen hen en Verzoeker. Ter verdere ondersteuning hiervan wijzen zij op de discussie die zij met Verzoeker hebben gevoerd in het tijdschrift waarin Verzoeker in 2025 een kritisch artikel publiceerde over hun onderzoek.
Oordeel LOWI
Professioneel verschil van opvatting?
24. Verzoeker stelt dat geen sprake is van een professioneel verschil van opvatting zoals de CWI heeft overwogen en zoals het Bestuur en Betrokkenen menen. Verzoeker wijst erop dat hij jurist is en geen vakgenoot van Betrokkenen en dat reeds daarom geen sprake is van een professioneel verschil van opvatting. Verzoeker meent dat hij in zijn klacht wat hij noemt ‘code-kritische’ vragen stelt en dat zijn klacht enerzijds gaat over kwaliteit (wat doet een goede wetenschapper) en anderzijds gaat over integriteit (wat doet een integere wetenschapper) en dat hij daarmee de ratio van de gedragscode volgt.
25. Het LOWI is van oordeel dat de klacht voor een groot deel een inhoudelijk verschil van opvatting betreft zoals de CWI heeft overwogen. Alle klachtonderdelen met uitzondering van nummers 1, 2 en 10 zijn naar het oordeel van het LOWI terug te voeren op een inhoudelijk verschil van opvatting tussen partijen. In klachtonderdeel 3 klaagt Verzoeker over de in het onderzoek gehanteerde definitie waar hij het mee oneens is. Discussies over definities en begrippen horen in beginsel thuis in het wetenschappelijk debat, niet in een klachtenprocedure wetenschappelijke integriteit. Klachtonderdelen 4 tot en met 9 (dat de conclusie van het onderzoek onvoldoende is onderbouwd, dat de conclusie te stellig staat verwoord op de website, dat juridische expertise ontbrak, dat er wellicht alternatieve verklaringen zijn) liggen naar het oordeel van het LOWI in het verlengde van Verzoekers inhoudelijke kritiek op de definitiebepaling. Het LOWI neemt bij dit oordeel ook het verslag van de hoorzitting in aanmerking, dat zich grotendeels laat lezen als een inhoudelijk debat tussen partijen over het onderzoek. Verder betrekt het LOWI bij dit oordeel dat partijen met elkaar een debat hebben gevoerd in het genoemde tijdschrift in 2025. Verzoekers standpunt dat hij geen vakgenoot is, vindt het LOWI onvoldoende overtuigend omdat Verzoeker in het verleden een boek heeft gepubliceerd over een aanverwant onderwerp. Verder heeft het type onderzoek dat in deze zaak voorligt zodanig maatschappelijke relevantie, dat een redelijke uitleg van de bepaling dat een ’professioneel verschil van opvatting’ niet in de klachtenprocedure thuishoort, ook meebrengt dat een inhoudelijk verschil van opvatting tussen een wetenschapper en een bezorgde burger niet thuishoort in een klachtenprocedure wetenschappelijke integriteit.
26. Voor zover Verzoeker los van de definitiekwestie heeft betoogd dat de conclusie uit het onderzoek onvoldoende is onderbouwd, volgt het LOWI het CWI-advies dat vanuit oogpunt van wetenschappelijke integriteit voldoende beschrijvingen in het boek te vinden zijn om de conclusie van het onderzoek te kunnen dragen. Hierbij betrekt het LOWI dat, zoals het eerder heeft overwogen in onder meer advies 2024-22, het bij toetsing aan normen uit de gedragscode gaat om een ondergrens. Wetenschappers kunnen bijvoorbeeld veelal zorgvuldiger rapporteren, maar het is niet juist om te stellen dat het daarmee om een vermeende schending van de wetenschappelijke integriteit gaat.
27. Dat de CWI pas na de hoorzitting en na uitvoerige bestudering van het dossier tot de conclusie is gekomen dat de klacht voor een groot deel ziet op een inhoudelijk verschil van opvatting, vindt het LOWI begrijpelijk. Het komt inderdaad vaker voor dat op basis van een klacht, hoe helder deze ook is geformuleerd, niet meteen duidelijk is of de klacht ziet op een integriteitskwestie of op een inhoudelijk verschil van opvatting dat niet aan schending van normen van wetenschappelijke integriteit raakt. Meestal is eerst inhoudelijke beoordeling nodig om hier duidelijkheid over te krijgen. Dat de klacht achteraf bezien niet in behandeling had moeten worden genomen, acht het LOWI een ongelukkige formulering in het CWI-advies die begrijpelijkerwijs vragen opriep bij het Bestuur en die door de CWI vervolgens ook is toegelicht. De klacht is destijds door de CWI terecht in behandeling genomen, maar de inhoudelijke beoordeling wees uit dat de klacht voor een groot deel zag op een inhoudelijk verschil van opvatting hetgeen niet thuishoort in de klachtenprocedure waardoor het advies van de CWI in zoverre terecht luidde om de klacht ongegrond te verklaren.
28. Gelet op het voorgaande zal het LOWI zich niet verder uitlaten over klachtonderdelen 3 t/m 9.
Onafhankelijkheid
29. In het CWI-advies wordt uitgebreid ingegaan op het door Verzoeker gestelde gebrek aan onafhankelijkheid in het onderzoek. Verzoeker heeft bij het LOWI geen inhoudelijke argumenten aangedragen waarom hij het op dit punt met de motivering in het CWI-advies oneens is. Wel heeft hij aangegeven dat klachtonderdeel 1 (samenstelling team en wetenschappelijke adviescommissie) niet volledig is besproken in het CWI-advies. Verder zijn sommige andere klachtonderdelen volgens Verzoeker simpelweg overgeslagen.
30. Het LOWI onderschrijft het oordeel van de CWI over de samenstelling van het onderzoeksteam en de wetenschappelijke adviescommissie. Dat onderzoekers c.q. leden van de wetenschappelijke adviescommissie voorafgaand aan het onderzoek reeds over de onderzoeksvraag hebben gepubliceerd, acht het LOWI onvoldoende reden om te twijfelen aan hun wetenschappelijke onafhankelijkheid. Dat twee leden van de adviescommissie in dienst zijn van één van de participerende onderzoeksinstituten, is evenmin voldoende reden om hieraan te twijfelen. Verzoeker heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt hoe dit vermeende gebrek aan onafhankelijkheid aan Betrokkenen als programmaleiders zou zijn toe te rekenen.
31. Over de klachtonderdelen die volgens Verzoeker zijn overgeslagen, stelt het LOWI vast dat het CWI-advies niet expliciet ingaat op klachtonderdelen 2 (over de onderzoeksvraag) en 10 (over activisme). Beide klachtonderdelen zijn te scharen onder Verzoekers betoog over het vermeende gebrek aan onafhankelijkheid waarop ook klachtonderdeel 1 ziet en waarop de CWI in haar advies uitgebreid is ingegaan. Het LOWI begrijpt het CWI-advies met andere woorden zo dat klachtonderdelen 2 en 10 mede onder de overkoepelende noemer van ‘onafhankelijkheid’ zijn beoordeeld. Zoals het Bestuur terecht naar voren heeft gebracht is voor een zorgvuldige klachtbehandeling niet vereist dat op elk aangedragen argument afzonderlijk wordt ingegaan. Het LOWI ziet in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat het CWI-advies niet zorgvuldig is. Het LOWI ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat het CWI-advies op dit punt inhoudelijk onjuist is. Hiertoe overweegt het LOWI in aanvulling op het CWI-advies het volgende.
32. Blijkens het verslag van de hoorzitting werd de onderzoeksvraag voor een deel bepaald door wat de opdrachtgever aan de onderzoekers vroeg. Dit is op zichzelf genomen niet in strijd met de wetenschappelijk onafhankelijkheid. Bij de beschrijving van het principe onafhankelijkheid op pagina 13 van de gedragscode staat immers: “(…) bij de keuze van de onderzoeksvraag is onafhankelijkheid niet altijd nodig”. Betrokkenen hebben in de hoorzitting bij de CWI aangegeven dat er een bepaalde wetenschappelijke stand van zaken was in hun vakgebied die politiek gevoelig lag en dat de vraag van de opdrachtgever was om deze stand van zaken te contextualiseren. In dat licht moet de onderzoeksvraag worden bezien. Het LOWI acht deze uitleg overtuigend en acht de door Verzoeker bekritiseerde onderzoeksvraag niet in strijd maar juist in overeenstemming met normen van wetenschappelijke integriteit, zoals norm 4: “Houd rekening met de laatste wetenschappelijke inzichten”.
33. Ten aanzien van klachtonderdeel 10 (activisme) overweegt het LOWI als volgt. Betrokkenen hebben tijdens de hoorzitting bij de CWI verklaard dat zij met groepen over de volle breedte van het politieke spectrum hebben gesproken en dat zij daarbij de lijn hebben gehanteerd om met iedereen te spreken behalve als er bedreigingen werden geuit. In het verweerschrift bij de CWI hebben Betrokkenen bovendien gewezen op de maatschappelijke klankbordgroep en diens brede samenstelling. In reactie op dit verweerschrift verwijst Verzoeker naar gesprekken die hij heeft gehad met leden van de klankbordgroep, [en anderen]. Dit is informatie die Verzoeker van horen zeggen heeft en die voor het LOWI zonder nadere onderbouwing, ook als acht wordt geslagen op de zinsneden in het boek waarop Verzoeker heeft gewezen, onvoldoende zijn voor de vaststelling dat ‘extreemlinkse morele oordelen’ in strijd met ‘normen uit de gedragscode’ in het boek terugkomen.
Procedurele bezwaren
34. Verzoeker heeft verschillende procedurele bezwaren aangevoerd op grond waarvan hij meent dat de behandeling van zijn klacht onzorgvuldig is geweest. Verzoeker betoogt onder meer dat hij tijdens de hoorzitting werd overvallen door de verweernotities van Betrokkenen die niet eerder aan hem waren toegestuurd. De voorzitter van de CWI heeft de hoorzitting vijf minuten geschorst zodat Verzoeker het verweer kon bestuderen, maar dat vindt Verzoeker te kort. Hij betoogt ook dat er twee (of drie) versies van deze verweernotities in omloop zijn geraakt in de procedure, hetgeen Verzoeker zelf moest ontdekken, waarvoor nog altijd geen goede verklaring is gegeven en hetgeen het Bestuur mogelijk ook niet heeft onderkend omdat de aan het Bestuur toegestuurde versie(s) van de verweernotities geen onderlinge verschillen bevatten. Verzoeker betoogt verder dat zijn klacht eerst ontvankelijk werd verklaard, maar na het aantreden van een nieuwe CWI-voorzitter ineens eigenlijk niet-ontvankelijk werd geacht. Ook betoogt hij dat de CWI ten onrechte niet heeft gereageerd op zijn wrakingsverzoek. Verzoeker meent dat de CWI zich tot het Bestuur had moeten wenden omdat het Bestuur op grond van het klachtenreglement van de KNAW (dat geen wrakingsbepaling bevat) voorziet in onvoorziene gevallen. Verzoeker betoogt voorts dat de CWI in strijd met artikel 4.6 van de klachtenregeling Verzoekers reactie op het CWI-advies niet heeft verwerkt, althans dat hij nooit een aangepast CWI-advies heeft gezien. In zijn reactie op het verweerschrift van het Bestuur stelt Verzoeker hierover dat de CWI voormeld artikel 4.6 verkeerd heeft toegepast, omdat de CWI alleen de conclusies uit het rapport van bevindingen had moeten toesturen aan Verzoeker voor commentaar maar dat de CWI in plaats daarvan een document aan Verzoeker heeft gestuurd met de titel ‘rapport van bevindingen tevens inhoudende advies’. Onder verwijzing naar LOWI-advies nr. 2020-19 stelt Verzoeker dat de geëigende procedure voor klachtbehandeling niet is gevolgd.
35. In zijn verweerschrift heeft het Bestuur op deze procedurele bezwaren van Verzoeker gereageerd. Volgens het Bestuur bevat de klachtenregeling van de KNAW geen vormvereisten voor een schriftelijke uitwisseling van stukken. Partijen zijn tijdens de hoorzitting in elkaars aanwezigheid gehoord en hebben bovendien gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te reageren op het verslag van de hoorzitting waarbij de verweernotities van Betrokkenen waren gevoegd, aldus het Bestuur. Verder stelt het Bestuur dat er inderdaad verschillende versies van deze notities in omloop zijn geraakt en dat hierover transparantie is betracht. Het Bestuur ondersteunt de keuze van de CWI om niet in te gaan op het wrakingsverzoek van Verzoeker omdat het volgens het Bestuur de partijdigheid van de CWI-voorzitter insinueert zonder dit te onderbouwen. Het Bestuur stelt verder dat het kennis heeft genomen van Verzoekers opmerkingen bij het CWI-advies die door de CWI waren aangehecht en meegezonden aan het Bestuur.
36. Zoals het LOWI eerder heeft aangekondigd en toegelicht in LOWI-advies 2022-03 en –04 (overweging 81) zal het LOWI de zorgvuldigheid van de klachtbehandeling voor zover die door een verzoeker wordt betwist, niet per onderdeel van de gevolgde procedure beoordelen, maar aan de hand van het gehele verloop van de procedure.
37. Het LOWI is in deze zaak van oordeel dat geen sprake is geweest van een onzorgvuldige procedure. Het LOWI onderschrijft het standpunt van het Bestuur dat de procedure misschien geen schoonheidsprijs verdient maar dat Verzoeker hierdoor niet is benadeeld en dat geen sprake is geweest van een oneerlijke procedure. De vergelijking die Verzoeker maakt met LOWI-advies 2020-19 gaat niet op, omdat in die zaak de voorgeschreven klachtenprocedure niet was gevolgd. In de thans voorliggende zaak is de juiste klachtenprocedure wel gevolgd; alleen is Verzoeker van mening dat de CWI de bepalingen uit het klachtenreglement niet altijd even goed heeft uitgelegd en toegepast. Het LOWI onderschrijft het standpunt van het Bestuur dat er transparantie is betracht over de verschillende versies van de verweernotities van Betrokkenen die in omloop zijn geraakt. De verschillende versies zijn ongelukkig, maar het is niet onbegrijpelijk dat beklaagden op het laatste moment nog iets aan hun verweernotities willen veranderen vlak voor een hoorzitting en dat er zo verschillen ontstaan met een eerder toegezonden versie. Verder heeft Verzoeker ruimschoots de gelegenheid gekregen van de CWI om te reageren, zowel op standpunten van Betrokkenen als op verslaglegging van de hoorzitting en verslaglegging van het oordeel van de CWI. Dat de hoorzitting bij de CWI vijf minuten is geschorst ten behoeve van hoor en wederhoor is eveneens zorgvuldig. De CWI had wellicht beter op het wrakingsverzoek van Verzoeker kunnen reageren met een gemotiveerde afwijzing, maar het LOWI onderschrijft het standpunt van het Bestuur dat de CWI terecht het wrakingsverzoek niet heeft gehonoreerd.
Conclusie
38. Gelet op het voorgaande is het verzoek ongegrond.
ADVIES
Het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit:
I. verklaart het verzoek ongegrond;
II. adviseert het Bestuur de klacht onder verwijzing naar de adviezen van de CWI en het LOWI definitief ongegrond te verklaren.
Aldus vastgesteld op 2 december 2025 door mr. E.J. Daalder, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Zweistra, ambtelijk secretaris.