naar aanleiding van het verzoek van:
1. [Verzoeker]
over het aanvankelijk oordeel van
2. het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam
Procesverloop
Op 17 mei 2019 heeft [Betrokkene] een klacht ingediend over een mogelijke schending van de wetenschappelijke integriteit door [Verzoeker].
Over deze klacht heeft het LOWI op 29 juli 2021 geoordeeld dat deze niet met de vereiste zorgvuldigheid was behandeld (zie LOWI-advies 2021-13). Het LOWI adviseerde daarom het onderzoek naar de klacht te heropenen.
Op 27 september 2021 werd daarom de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van de Universiteit van Amsterdam (hierna: CWI) verzocht om onderzoek te doen naar mogelijke datafalsificatie.
Kort hierna is de CWI begonnen met een onderzoek naar het handelen van Verzoeker. Het onderzoek heeft om verschillende redenen meerdere jaren in beslag genomen. Op 31 maart 2025 adviseert de CWI het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam (hierna: het Bestuur) om de klacht van Betrokkene tegen Verzoeker gegrond te verklaren omdat Verzoeker in vier datasets data heeft gefalsificeerd en daarmee de wetenschappelijke integriteit is geschonden.
Het Bestuur volgt dit advies op en verklaart op 17 juni 2025 de klacht tegen Verzoeker gegrond, omdat sprake is van schending van de wetenschappelijke integriteit.
Op 4 augustus 2025 vraagt Verzoeker het LOWI om advies over dit voorlopig oordeel en vraagt hij om een redelijke termijn om zijn verzoek met argumenten te onderbouwen.
Het LOWI stelt Verzoeker daarop in de gelegenheid om uiterlijk 1 september 2025 de gronden van het verzoek aan te vullen, hetgeen Verzoeker doet.
Op 10 oktober 2025 heeft Betrokkene schriftelijk gereageerd op het verzoek.
Op 5 november 2025 heeft het Bestuur dit gedaan waarbij het Bestuur ook heeft gereageerd op de schriftelijke reactie van Betrokkene van 10 oktober 2025.
Op 14 november 2025 heeft Betrokkene gereageerd op de uiteenzetting van het Bestuur.
Op 21 november 2025 heeft Verzoeker gereageerd op de stukken van Betrokkene en het Bestuur.
Op 8 december 2025 heeft zowel het Bestuur als Betrokkene een laatste reactie ingediend.
Het LOWI heeft deze zaak besproken in zijn vergaderingen op 17 december 2025 en op 28 januari 2026. In die laatste vergadering heeft het LOWI besloten dat het zich nog onvoldoende geïnformeerd achtte om tot advisering over te gaan en dat een hoorzitting nodig was.
De hoorzitting bij het LOWI vond plaats op 27 maart 2026.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze zaak gaat over de vraag of Verzoeker de wetenschappelijke integriteit heeft geschonden tijdens zijn promotieonderzoek in de geneeskunde. Het vermoeden is dat Verzoeker data heeft vervalst door in vier datasets data te wijzigen en te verwisselen. Het gaat om twee studies: de [A-studie] en de [B-studie]. De [A-studie] omvat drie van de vier datasets waarin veranderingen zijn aangetroffen ([Dataset 1, Dataset 2 en Dataset 3]). Bij de [B-studie] gaat het om één (de vierde) dataset.
2. Partijen zijn het erover eens dat in de datasets veranderingen zijn aangetroffen die daar niet thuishoren. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag hoe deze veranderingen zijn opgetreden en of Verzoeker daarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden. Betrokkene stelt, en het Bestuur geeft hem daarin op basis van het CWI-advies gelijk, dat Verzoeker de data heeft gewijzigd en verwisseld om mooiere resultaten te krijgen die de onderzoekshypothesen bevestigen. Verzoeker stelt dat hij niet volledig kan verklaren hoe de veranderingen in de datasets zijn ontstaan, maar hij ontkent dat hij moedwillig data heeft gefalsificeerd. Wel erkent hij fouten te hebben gemaakt.
3. Verzoeker is in 2017 gepromoveerd op artikelen. Het vermoeden van schending van de wetenschappelijke integriteit is enkele jaren later gerezen na replicatieonderzoek. Betrokkene, die het vermoeden van schending van de wetenschappelijke integriteit in 2019 bij zijn werkgever heeft gemeld, was co-promotor en dagelijks begeleider van Verzoeker tijdens zijn promotieonderzoek. Ook was hij PI (Principal Investigator) van de studies. De ‘vervuilde’ datasets zijn gebruikt voor twee wetenschappelijke artikelen die ook in het proefschrift van Verzoeker zijn opgenomen. Deze artikelen zijn inmiddels teruggetrokken.
Klacht
4. Het vermoeden van datavervalsing houdt het volgende in.
5. Verzoeker zou bij de [A-studie] in [Dataset 1] 8 van de 21 testresultaten hebben gewijzigd. Verder zou hij bij diezelfde studie 12 van de 50 bloedmonsters hebben verwisseld in [Dataset 2] en 34 van de 129 bloedmonsters in [Dataset 3]. Betrokkene vermoedt dat de verwisselingen handmatig zijn gedaan en wijst hiervoor op de opmaak van de [databestanden van Dataset 2 en 3]. De verwisselde informatie staat aan het eind gegroepeerd en alle verwisselingen staan direct naast elkaar gepaard. Verder zou Verzoeker in de [B-studie] bij 17 van de 125 patiënten waarden hebben gewijzigd. Ook hier wordt handmatige aanpassing vermoed, dit keer omdat de getallen steeds slechts één of twee cijfers voor de komma zijn veranderd, terwijl de lange decimale staart (het getal achter de komma) gelijk bleef en omdat bij verschillende veranderingen de wiskundige relatie verloren is gegaan tussen getallen die via een berekening aan elkaar waren gekoppeld. Betrokkene noemt de volgende argumenten ter verdere onderbouwing van zijn overtuiging dat sprake is van datavervalsing. Hij voert aan dat de wijzigingen in het voordeel waren van de onderzoekshypothesen, dat de blindering verbroken is geweest, dat de data tijdens het ontstaan van de veranderingen bij Verzoeker in beheer waren, dat er verschillende versies van bronbestanden zijn aangetroffen (zowel correcte als gemanipuleerde) en dat de statistische kans dat het hier geen fraude betreft heel erg klein is.
CWI-advies
6. De CWI heeft tijdens haar onderzoek naar de klacht twee deskundigen geraadpleegd om de wijzigingen in de datasets statistisch te analyseren. De conclusie van de deskundigen is dat de dataveranderingen in [Datasets 1, 2 en 3] ‘heel moeilijk’, ‘zeer moeilijk’ en ‘extreem moeilijk’ zijn te rijmen met een situatie waarin niet is gefraudeerd. Voor de [B-studie]-dataset is volgens de statistici ‘sterke steun voor de hypothese van fraude versus de hypothese van geen fraude’.
7. Daarnaast heeft de CWI een recherchebureau onderzoek laten verrichten naar digitale sporen. Dit onderzoek heeft niet tot nieuwe inzichten geleid.
8. Naast de hierboven genoemde externe deskundigen die zijn geraadpleegd heeft de CWI ook zelf de dataveranderingen bestudeerd en bediscussieerd met partijen.
9. Na dit onderzoek is de CWI tot de conclusie gekomen dat de wijzigingen en verwisselingen in de vier datasets niet anders dan het resultaat kunnen zijn van het bewust handelen van Verzoeker en dat sprake is van falsificatie.
10. Om verschillende redenen schrijft de CWI de veranderingen in de datasets exclusief aan Verzoeker toe. Zo heeft Verzoeker voor beide studies de data-analyse uitgevoerd, erkent hij voor de [A-studie] dat de wijzigingen onder zijn beheer en verantwoordelijkheid hebben plaatsgevonden en heeft hij over de [B-studie] verklaard dat er nauwelijks iemand anders kan zijn die de wijzigingen heeft aangebracht. Verder blijkt uit de beschikbare metadata dat Verzoeker de werkbestanden heeft aangemaakt en als laatste heeft gewijzigd.
11. Een directe aanwijzing voor datafalsificatie ziet de CWI in de omstandigheid dat van sommige databestanden zowel correcte als gemanipuleerde versies bestaan. De opmaak van de [databestanden van Dataset 2 en 3] suggereert volgens de CWI handmatige wijzigingen en in de werkbestanden van de [B-studie] zijn de veranderingen volgens de CWI zonder twijfel handmatig en intentioneel doorgevoerd.
12. De CWI is niet overtuigd door de stelling van Verzoeker dat hij de hem toegezonden klinische gegevens van de [A-studie] niet heeft geopend. De CWI overweegt dat de data werden veranderd conform de klinische gegevens die waren gelekt en conform de destijds gehanteerde afkapw Bij de [B-studie] had Verzoeker ook geblindeerd moeten zijn, maar werd de blindering al doorbroken voordat de data-analyse was afgerond. De CWI gaat er daarom vanuit dat Verzoeker voor beide studies niet geblindeerd was. De CWI overweegt ook dat bij het veranderen van de data wel gebruik moet zijn gemaakt van klinische gegevens, omdat de statistische analyse uitsluit dat de dataveranderingen per toeval alle compatibel zijn met de onderzoekshypothesen. Daarbij wijst de CWI er ook op dat Verzoeker via het patiëntsysteem en via collega’s de gelegenheid had om klinische informatie van patiënten te achterhalen en wijst de CWI op e-mailcorrespondentie waaruit blijkt dat Verzoeker bij collega’s daarnaar informeerde.
13. Verzoeker heeft het onwaarschijnlijke patroon van fouten die in lijn waren met de onderzoekshypothese verklaard met selection bias en confirmation bias. Daarmee bedoelt hij, aldus de CWI, dat fouten die niet compatibel waren met de onderzoekshypothese opvielen en hersteld konden worden en dat fouten die wel overeenstemden met de hypothese niet opvielen en niet zijn hersteld. Om dit na te gaan heeft zowel Verzoeker als Betrokkene alle nog beschikbare [B-studie]-bestanden opnieuw geanalyseerd. In de niet eerder gecontroleerde data-analyse werden nog meer fouten gevonden (47 dataveranderingen van de in totaal 211 waarden). Deze fouten brengen de resultaten niet over de destijds gehanteerde afkapwaarden, maar ondersteunen de hypothese wel op een andere manier (effect van behandeling, longitudinaal verloop van de testresultaten), aldus de CWI. Veel van deze nieuwgevonden wijzigingen zijn ook weer het resultaat van handmatige aanpassing van één of twee cijfers voor de komma, waarbij het lange cijfer achter de komma ongewijzigd is gebleven. Deze wijzigingen moeten volgens de CWI moedwillig zijn aangebracht. Het verweer van selection en confirmation bias slaagt volgens de CWI daarom niet. Bij enkele van de 47 nieuwgevonden wijzigingen zijn de oorzaak en compatibiliteit met de onderzoekshypothese niet duidelijk waardoor het daar mogelijk om onschuldige vergissingen gaat.
14. Het verweer van Verzoeker dat hij niet weet wat er precies is gebeurd maar dat hij niet moedwillig data heeft vervalst, komt de CWI niet overtuigend voor gezien het aantal gevonden veranderingen, het systematische karakter daarvan en de omstandigheid dat de veranderingen een bevestiging van de onderzoekshypothesen tot gevolg hadden.
15. De CWI overweegt verder dat Verzoeker ondanks herhaaldelijk verzoek niet alle bron- en werkbestanden heeft overgedragen, wat de volledige controle van de data-analyse verhinderde en het vinden van fouten en eventuele reconstructie ervan bemoeilijkte.
16. De CWI overweegt dat Verzoeker met het structureel veranderen van data het vertrouwen in de wetenschap heeft geschaad en dat het in dit geval gaat om medisch onderzoek dat medebepalend is voor diagnose en behandeling van patiënten.
17. De CWI concludeert dat sprake is van datafalsificatie en dat dit kwalificeert als schending van de wetenschappelijke integriteit. Aan deze kwalificatie liggen de volgende overwegingen ten grondslag. Het aantal wijzigingen en de omvang van de wijzigingen zijn zo groot dat dit ongeacht de oorzaak of intentie op zichzelf gezien kan worden als schending van de wetenschappelijke integriteit. De wijzigingen zijn allemaal (op enkele mogelijk onschuldige vergissingen in de [B-studie] na) gunstig ter ondersteuning van de onderzoekshypothesen. De kans dat de wijzigingen op toeval berusten is nihil. De data zijn gewijzigd toen zij in beheer van Verzoeker waren. Er zijn aanwijzingen dat Verzoeker voor beide studies over de klinische gegevens heeft kunnen beschikken. Verzoeker erkent verantwoordelijk te zijn voor de gemaakte fouten (maar ontkent moedwil) en kan ook niemand anders noemen die in de positie zou zijn geweest om wijzigingen aan te brengen. Verzoeker kan de gevonden wijzigingen niet verklaren. De door hem aangedragen alternatieve verklaringen over slordigheden, typefouten, software- en programmeerfouten, de omvang van de databestanden, de complexiteit van de data-analyse, het gebruik van formules en macro’s, de discussie over afkapwaarden, het gebruik van transformatieformules en het optreden van confirmation en selection bias kunnen de aangetroffen veranderingen niet verklaren. Verzoeker heeft verder niet alle opgevraagde bestanden aangeleverd. In de [A-studie] zijn verschillende bestanden aangetroffen met zowel correcte als gemanipuleerde data. Wijzigingen in de [B-studie]-data moeten intentioneel en met de hand zijn aangebracht. Bij nieuwe analyse van nog niet eerder onderzochte [B-studie]-databestanden zijn nog meer soortgelijke dataveranderingen gevonden.
Voorlopig oordeel
- Het Bestuur volgt het CWI-advies en verklaart de klacht gegrond.
Verzoek
19. Verzoeker kan zich in dit oordeel niet vinden en vraagt het LOWI om het oordeel van het Bestuur en het CWI-advies integraal te beoordelen en daarover te adviseren. Verzoeker erkent dat hij fouten heeft gemaakt, maar ontkent dat hij moedwillig data heeft aangepast. Voor Verzoeker voelt het alsof hij nu al jarenlang wordt beschuldigd van iets wat hij niet heeft gedaan. Tijdens de hoorzitting heeft Verzoeker ook aangegeven dat hij veel van deze situatie heeft geleerd. In antwoord op de vraag of hij dit kon verduidelijken heeft Verzoeker aangegeven dat de onderzoekers in een vroege fase van beide studies echt dachten iets in handen te hebben en ‘gave’ data te hebben. Daardoor hebben zij steken laten vallen, bijvoorbeeld door niet eerst alle data te controleren voordat de blindering werd verbroken. Verzoeker zegt hier veel van te hebben geleerd.
20. Verzoeker vindt het onjuist dat de verantwoordelijkheid voor de aangetroffen veranderingen in de datasets exclusief bij hem wordt gelegd. Hij wijst opnieuw op de bias waarvan hij op de hoorzitting heeft aangegeven veel te hebben geleerd en die in combinatie met een gebrek aan afspraken in de onderzoeksgroep over controle en deblindering ertoe zou hebben geleid dat ‘fouten’ die de hypothese ontkrachtten wel werden opgemerkt en ‘fouten’ die de hypothese ondersteunden niet werden opgemerkt.
21. Tijdens de hoorzitting heeft de advocaat van Verzoeker zich uitgesproken over wat hij noemt de eenzijdige focus van de CWI op de rol van zijn cliënt terwijl de rol van Betrokkene niet is onderzocht. De advocaat heeft daarbij meermaals aan het rapport van de ad hoc commissie waarheidsvinding uit 2020 gereferee Volgens hem had die commissie oog voor de goede trouw van Verzoeker en heeft de CWI daar ten onrechte geen oog voor gehad.
22. Verzoeker herhaalt verschillende verweren die hij bij de CWI al naar voren heeft gebrach Zo stelt hij dat er een afkapwaarde van 36 maanden gold voor de duur van de follow-up. Dit maakt volgens hem dat niet alle dataveranderingen in de [A-studie] de destijds geldende hypothese ondersteunen. Ook stelt hij dat de statistiekdeskundigen de rol van bias niet als alternatieve verklaring in hun kansberekening hebben meegenomen en dat zij evenmin rekening hebben gehouden met de tijdens het CWI-onderzoek nieuwgevonden veranderingen in de [B-studie]-dataset. Verzoeker houdt over beide studies vol dat zijn blindering niet doorbroken is geweest tijdens de data-analyse. In dit verband wijst hij erop dat het digitale sporenonderzoek geen bewijs heeft opgeleverd dat een bestand met klinische gegevens op zijn gegevensdrager heeft gestaan. Ook wijst hij erop dat wie had willen frauderen dat veel gemakkelijker had kunnen doen dan door handmatig data aan te passen waar de CWI vanuit gaat en bovendien, zo stelt hij, is handmatige aanpassing van data niet bewezen.
23. Verzoeker verzet zich verder tegen de wijze waarop de CWI zijn verklaring heeft gebruikt dat hij niemand anders kan noemen die in de positie zou zijn geweest om de data te veranderen. Verzoeker geeft aan dat hij geen reden heeft om aan te nemen dat zijn voormalig collega’s niet te goeder trouw zouden zijn; hij is dat immers ook. De verklaringen die Verzoeker heeft afgelegd, ook dat hij niet kan uitleggen hoe de dataveranderingen zijn ontstaan, moeten niet als schuldbekentenis worden opgevat.
24. Verzoeker weerspreekt dat hij niet alle bestanden heeft aangeleverd ten behoeve van het onderzoek en dat hij daarmee de reconstructie van de dataveranderingen heeft bemoeilijkt. Dat de ad hoc commissie waarheidsvinding niet alle ingeleverde bestanden heeft gedeeld met partijen, kan Verzoeker niet worden verweten. Hij wijst erop dat hij een volledige gegevensdrager heeft ingeleverd bij de CWI inclusief privé-data.
25. Verzoeker wijst het LOWI op verschillende contra-indicaties voor fraude. Zo bevatten de nieuwgevonden datawijzigingen in de [B-studie]-dataset onschuldige vergissingen en wijzigingen die de onderzoekshypothese niet ondersteunden. Ook het feit dat er verschillende versies zijn aangetroffen van sommige werkbestanden is een contra-indicatie, want welke fraudeur bewaart zowel originele en gemanipuleerde versies van databestanden?
Standpunt Bestuur
26. Het Bestuur stelt zich op het standpunt dat Verzoeker een eigen verantwoordelijkheid heeft als onderzoeker en dat zijn standpunt over gedeelde verantwoordelijkheid, zelfs al zou hij daarmee een punt hebben, hem niet van die eigen verantwoordelijkheid ontslaat. Volgens het Bestuur blijft staan dat de statistische kans nihil is dat de dataveranderingen per toeval zijn ontstaan en is nader statistisch onderzoek niet nodig. Het Bestuur noemt hiervoor verschillende redenen en geeft daarnaast aan dat statistisch bewijs indirect blijft, en dat er in deze zaak ook genoeg direct bewijs voorhanden is voor de conclusie dat Verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan datafalsificatie. Het Bestuur wijst erop dat Verzoeker erkent dat de dataveranderingen zijn ontstaan toen hij de data in beheer had en de informatie uit bronbestanden bewerkte. Hoewel de bestanden centraal werden opgeslagen, blijkt uit de metadata dat Verzoeker de bestanden heeft aangemaakt en voor het laatst heeft opgeslagen. Over de vraag of de blindering van Verzoeker in beide studies doorbroken is geweest of niet, stelt het Bestuur zich op het standpunt dat er geen direct bewijs is voor het gebruik van klinische data, maar dat wel duidelijk is geworden dat Verzoeker de mogelijkheid had om bij de klinische data te kunnen. Zo was de blindering voor de [B-studie] al opgeheven voor afronding van de data-analyse, had hij toegang tot patiëntendossiers en informeerde hij gelet op e-mailcorrespondentie naar de klinische status van patiënten bij collega’s. In de [A-studie] is klinische informatie verder per e-mail aan Verzoeker gestuurd, aldus het Bestuur. Het Bestuur stelt dat Verzoeker verschillende alternatieve verklaringen heeft aangedragen voor de gevonden dataveranderingen, onder meer softwarematige verklaringen. Deze verklaringen zijn allemaal beoordeeld en meegewogen door de CWI, maar laten niet zien hoe de gevonden dataveranderingen zijn ontstaan, zoals Verzoeker ook erkent, aldus het Bestuur. Over de 47 nieuwgevonden dataveranderingen in de [B-studie] stelt het Bestuur dat slechts vier van deze veranderingen onschuldige fouten zouden kunnen zijn, maar dat de rest daarvan lijkt op eerder aangetroffen veranderingen die handmatig moeten zijn aangebracht, omdat ze bijvoorbeeld slechts één cijfer voor de komma veranderden terwijl het lange getal achter de komma gelijk bleef en omdat veranderingen bijvoorbeeld werden doorgevoerd op plaatsen die geen bewerking behoefden. Deze nieuwgevonden dataveranderingen ondersteunen de onderzoekshypothese, zij het op een andere manier dan dat het de gegevens over de afkapwaarden heen tilt zoals de eerder gevonden dataveranderingen.
Standpunt Betrokkene
27. Betrokkene heeft een uitgebreid verweerschrift (64 pagina’s) ingediend dat het LOWI gelezen heeft maar omwille van de leesbaarheid van dit advies op deze plaats slechts zeer summier weergeeft. Betrokkene gaat uitvoerig in op Verzoekers bezwaren tegen de analyse van de statistiekdeskundigen en geeft aan dat die bezwaren statistisch niet relevant zijn zodat nader statistisch onderzoek niet nodig is. Betrokkene licht ook de discussie tussen partijen toe over de ten tijde van de data-analyse gehanteerde afkapwaarde voor
follow-up. Verzoeker is van mening dat deze al in een zeer vroeg stadium in alle cohorten op 36 maanden is gezet. Daar is Betrokkene het niet mee eens. Hij stelt dat voor wat betreft [Dataset 1 en 2] naar het volledige verloop is gekeken en dat in [Dataset 3] een afkapwaarde voor follow-up van 37 maanden is gebruikt. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst Betrokkene op pagina 17 t/m 20 van zijn verweerschrift uitvoerig naar verschillende dossierstukken. Dit verschil van mening raakt in [Dataset 1] twee monsters, in [Dataset 2] drie monsters en in [Dataset 3] twee monsters, aldus Betrokkene.
Oordeel LOWI
28. Hoofdlijn in het verweer van Verzoeker is dat hij niet volledig kan verklaren hoe de dataveranderingen zijn ontstaan, maar dat schending van de wetenschappelijke integriteit niet is bewezen en dat hij ontkent data te hebben vervalst.
29. Het LOWI onderschrijft echter het CWI-advies en overweegt dat overtuigend en buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat in alle vier de datasets sprake is van datafalsificatie door Verzoeker. Net als de CWI hecht het LOWI daarbij veel gewicht aan het feit dat Verzoeker ten tijde van de dataveranderingen de data in beheer had en bewerkte, dat hij de laatste persoon was die de bestanden heeft gewijzigd en opgeslagen, dat er verschillende versies van databestanden zijn aangetroffen met zowel correcte als incorrecte data, dat het gaat om een zeer groot aantal dataveranderingen in vier verschillende datasets, dat de opmaak van de [databestanden van Dataset 2 en 3] handmatige aanpassing suggereert (met de wijzigingen gepaard en gegroepeerd aan het einde van het document) en dat de wijzigingen in de [B-studie]-dataset (waarbij slechts het cijfer voor de komma een paar getallen is veranderd terwijl de lange decimale staart gelijk blijft) ook sterk wijst op handmatige aanpassing.
30. Daar komt voor het LOWI bij dat tijdens de hoorzitting duidelijk is geworden dat Verzoeker ten tijde van de falsificatie geen onervaren promovendus was, maar een ervaren onderzoeker die wist hoe hij moest werken met grote hoeveelheden data en de relevante R-scripts en Excel. Ook is tijdens de hoorzitting duidelijk geworden dat er adequate begeleiding is geweest door Betrokkene waarbij er zo’n twee keer per week werd overlegd. Verzoeker heeft bij de CWI en het LOWI overigens ook aangegeven dat hij tevreden was met die begeleiding. Van een begeleider (en van de overige co-auteurs) kan niet worden verwacht dat zij de data, na de bewerkingen die Verzoeker als ervaren promovendus verrichtte, zouden moeten controleren op juistheid zoals Verzoeker lijkt te suggereren met zijn verweer en opmerking tijdens de zitting dat alle auteurs verantwoordelijk zijn voor een publicatie en zich moeten vergewissen van de juistheid van de data.
31. Verder komt Verzoekers verweer over bias in de onderzoeksgroep het LOWI niet geloofwaardig voor. Met dit verweer gaat Verzoeker er immers aan voorbij dat de oorzaak van het probleem niet begint bij het ontdekken van dataveranderingen maar bij het ontstaan van dergelijke veranderingen. Het LOWI is op basis van hetgeen onder nr. 29 en 30 is overwogen tot de overtuiging gekomen dat Verzoeker in de datasets data heeft aangepast en verwisseld om deze beter te laten passen bij de onderzoekshypothesen, ook al blijft hij dit ontkennen. Bovendien kon Verzoeker zijn verweer over bias op de hoorzitting niet onderbouwen met voorbeelden van ‘fouten’ die niet met de hypothese stroken en die zijn ontdekt en aangepast.
32. Het verweer van Verzoeker dat niet alle dataveranderingen in de
[A-studie] de hypothese ondersteunden (de discussie over afkapwaarde voor follow-up tijd) overtuigt het LOWI niet in het licht van hetgeen Betrokkene hierover in zijn stukken onderbouwd naar voren heeft gebracht. Bovendien zou, zelfs al zou Verzoeker gelijk hebben over de afkapwaarde, nog steeds voor zeer veel dataveranderingen gelden, zowel in de [A-studie] als in de [B-studie], dat deze de hypothesen ondersteunen.
33. Net als de CWI gaat het LOWI ervan uit dat de blindering voor beide studies doorbroken is geweest. Het LOWI onderschrijft de overwegingen van de CWI en het standpunt van het Bestuur in het verweerschrift daarover.
34. Aan Verzoekers bezwaren tegen de statistische analyse komt het LOWI niet meer toe, omdat reeds op basis van het voorgaande een ruim voldoende basis is voor het oordeel dat sprake is van datafalsificatie door Verzoeker.
35. Het LOWI onderschrijft dat de datafalsificatie kwalificeert als schending van de wetenschappelijke integriteit om de redenen die de CWI daarvoor al heeft genoemd in diens advies.
36. Ten overvloede wijst het LOWI er nog op dat het rapport van de ad hoc commissie waarheidsvinding uit 2020, waar de advocaat van Verzoeker tijdens de hoorzitting meermaals op wees, buiten beschouwing is gelaten. Dat rapport was immers niet met de voor klachtbehandeling vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen en doet in deze fase van de klachtbehandeling niet meer ter zake.
Conclusie
37. Het verzoek is ongegrond. Het LOWI onderschrijft het CWI-advies dat sprake is van datafalsificatie bij de totstandkoming van het proefschrift van Verzoeker en dat dit kwalificeert als een schending van de wetenschappelijke integriteit.
ADVIES
Het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit:
I. verklaart het verzoek ongegrond;
II. adviseert het College van Bestuur om de klacht definitief gegrond te verklaren en te oordelen dat sprake is van schending van de wetenschappelijke integriteit door Verzoeker bij de totstandkoming van zijn proefschrift.
Aldus vastgesteld op 21 mei 2026 door prof. mr. H.E. Bröring, plaatsvervangend voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Zweistra, ambtelijk secretaris.