naar aanleiding van het verzoek van:
1. [Verzoeker]
over het aanvankelijk oordeel van
2. het College van Bestuur van de Universiteit Maastricht
Procesverloop
Op 2 december 2025 heeft Verzoeker een klacht over mogelijke schending van de wetenschappelijke integriteit ingediend bij het College van Bestuur van de Universiteit Maastricht (hierna: het Bestuur).
Op 15 december 2025 heeft Verzoeker het klachtenformulier ingevuld dat de universiteit voor dergelijke klachten hanteert en heeft hij dit verstuurd aan de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van de Universiteit Maastricht (hierna: CWI).
Op 9 februari 2026 heeft de CWI het Bestuur geadviseerd om de klacht niet-ontvankelijk te verklaren.
Het Bestuur heeft dit advies overgenomen en heeft Verzoeker in een brief van 20 maart 2026 geïnformeerd dat de klacht niet-ontvankelijk is verklaard.
Verzoeker heeft naar aanleiding van dit voorlopig oordeel het LOWI op 14 april 2026 gevraagd om een advies uit te brengen.
Het LOWI heeft het verzoek besproken in zijn vergadering van 22 april 2026. In die vergadering is besloten dat het verzoek ontvankelijk is, maar dat de behandeling van het verzoek niet verder wordt voortgezet. Hieronder wordt deze beslissing toegelicht.
Overwegingen
1. Verzoeker klaagt over een proefschrift uit 2019 waarop een onjuiste academische titel en graad stonden vermeld van een lid van de beoordelingscommissie die het proefschrift heeft goedgekeurd. De klacht gaat over deze onjuiste titulatuur, maar ook over het corrigeren daarvan zonder dat dit vergezeld ging van een rectificatie, erratum of enige andere vorm van transparantie. De klacht gaat ook over deelname aan de beoordelingscommissie van het betreffende lid van wie een onjuiste graad en titel stonden vermeld.
2. De klacht is onder meer gericht tegen de promovendus (inmiddels bijzonder hoogleraar) die de onjuiste titel en graad heeft opgeschreven. De klacht is ook gericht tegen het betreffende lid van de beoordelingscommissie die verkeerd stond vermeld en tegen de promotor en decaan die deze fout hebben laten passeren. De klacht is tot slot ook gericht tegen het PhD-office dat heeft toegestaan dat de onjuiste titel en graad met stille trom werden gecorrigeerd nadat Verzoeker op deze fout had gewezen. Deze stilzwijgende aanpassing is volgens Verzoeker een wetenschappelijke integriteitsschending op zich.
3. Verzoeker is persoonlijk betrokken bij het onderwerp waar het proefschrift over gaat.
4. De CWI heeft overwogen dat het desbetreffende lid van de beoordelingscommissie niet aan de Universiteit Maastricht is verbonden en dat hij daarom, en dat ook het PhD-office, op grond van de Klachtenregeling Wetenschappelijke Integriteit Universiteit Maastricht niet aanspreekbaar zijn in deze procedure. De klacht is volgens de CWI in zoverre niet-ontvankelijk. Over de inhoud van de klacht heeft de CWI onder meer overwogen dat de klacht niet gaat over onderzoeksactiviteiten, maar over de weergave van titels. Dit betreft een administratieve slordigheid die inmiddels is hersteld. De CWI overweegt ook dat de samenstelling van de beoordelingscommissie rechtmatig was. De CWI adviseert het Bestuur om de klacht op grond van artikel 4.5, onder f, nrs. viii en xi van de Klachtenregeling Wetenschappelijke Integriteit Universiteit Maastricht niet-ontvankelijk te verklaren. De klacht kan volgens de CWI namelijk niet tot het oordeel leiden dat de wetenschappelijke integriteit zou zijn geschonden (viii) en de klacht valt buiten het toepassingsbereik van de gedragscode (xi).
5. Het Bestuur heeft dit advies opgevolgd.
6. Verzoeker kan zich hier niet in vinden. Hij betwist de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de besluitvorming door het Bestuur omdat één van de beklaagden daags voor de besluitvorming tijdelijk tot het Bestuur toetrad en omdat hij in het CWI-advies de redeneertrant van diezelfde beklaagde terugleest. Verzoeker acht het ook onjuist dat zijn klacht niet-ontvankelijk is verklaard, terwijl er zonder hoor en wederhoor wel inhoudelijke argumenten zijn gebruikt door de CWI. Verder meent Verzoeker dat zijn klacht over titulatuur wel valt onder de reikwijdte van de gedragscode en benadrukt hij dat hij ook heeft geklaagd over de geldigheid van de deelname van het betreffende lid van de beoordelingscommissie aan die commissie (en niet uitsluitend over de vermelding van onjuiste titulatuur en stilzwijgend corrigeren daarvan).
7. Het verzoek voldoet aan de ontvankelijkheidseisen uit artikel 8 van het Reglement LOWI 2022 en is in zoverre ontvankelijk. Het LOWI zal de behandeling van het verzoek op grond van artikel 9, lid 1, onder b, van hetzelfde reglement echter toch niet verder voortzetten. Reden hiervoor is dat na een lichte inhoudelijke beoordeling van het verzoek duidelijk is geworden dat de gedraging waarover wordt geklaagd (de titulatuurkwestie) onvoldoende zwaar weegt om te rechtvaardigen dat hiervoor de LOWI-procedure wordt doorlopen. Zoals de CWI terecht heeft overwogen gaat het met het vermelden van een onjuiste academische titel en graad op de tweede pagina van het proefschrift om een administratieve slordigheid die inmiddels is hersteld. Deze vergissing kan naar het oordeel van het LOWI niet tot de conclusie leiden dat er door de promovendus, promotor of decaan normen uit de gedragscode zijn geschonden, laat staan dat deze gedraging zou kunnen worden gekwalificeerd als schending van de wetenschappelijke integriteit. En voor zover Verzoeker heeft geklaagd over de geldigheid van de samenstelling van de beoordelingscommissie, is dit een kwestie die valt onder het promotiereglement van de Universiteit Maastricht. Het LOWI en de CWI zijn niet bevoegd om hierover te oordelen.
8. Het LOWI zal de behandeling van het verzoek gelet op het voorgaande niet verder voortzetten.
9. Het LOWI zal het Bestuur op basis van de lichte inhoudelijke beoordeling die het heeft verricht als volgt adviseren.
10. Het LOWI adviseert het Bestuur om de klacht in het definitieve oordeel:
a. niet-ontvankelijk te verklaren voor zover de klacht is gericht tegen beklaagde 2 (lid van de beoordelingscommissie) en het PhD-office;
b. niet-ontvankelijk te verklaren voor wat betreft de samenstelling van de beoordelingscommissie van het proefschrift (omdat een oordeel hierover buiten de bevoegdheid van CWI/LOWI valt);
c. ongegrond te verklaren voor wat betreft de titulatuurkwestie (omdat dit niet kan leiden tot het oordeel dat beklaagden (normen van) de wetenschappelijke integriteit hebben geschonden).
ADVIES
Het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit:
I. adviseert het College van Bestuur om de klacht in het definitieve oordeel niet-ontvankelijk en ongegrond te verklaren zoals uitgewerkt in overweging 10 van dit advies, en
II. stopt de verdere behandeling van het verzoek.
Aldus vastgesteld op 29 april 2026 door mr. E.J. Daalder, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Zweistra, ambtelijk secretaris.