Categorieën
Advies

Advies 2026-03

Klacht over deskundigenrapport in strafzaak. Het type kritiek dat in de klacht wordt gegeven hoort niet thuis in een wetenschappelijke integriteitsprocedure. De gerechtelijke procedure is het aangewezen forum waar over de juistheid van het rapport moet worden gesproken.

naar aanleiding van het verzoek van:

1. [Verzoeker]

over het aanvankelijke oordeel van

2. het College van Bestuur van de TU Delft

Procesverloop

Op 12 december 2024 heeft Verzoeker een klacht ingediend bij de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van de TU Delft (hierna: CWI) over een mogelijke schending van de wetenschappelijke integriteit door onder meer [Betrokkene 1] en [Betrokkene 2]. Op 21 januari 2025 heeft Verzoeker zijn klacht aangevuld.

De CWI heeft de klacht op 20 februari 2025 in behandeling genomen.

Op 19 september 2025 heeft de CWI het College van Bestuur van de TU Delft (hierna: het Bestuur) geadviseerd de klacht ongegrond te verklaren.

Op 29 september 2025 heeft het Bestuur dit advies overgenomen en de klacht ongegrond verklaard.

Op 20 oktober 2025 heeft Verzoeker het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (hierna: LOWI) verzocht advies uit te brengen over dit voorlopige oordeel van het Bestuur.

Het LOWI heeft besloten het verzoek in behandeling te nemen.

Het Bestuur en Betrokkenen hebben een verweerschrift ingediend.

Verzoeker heeft op deze verweerschriften gereageerd.

Het Bestuur en Betrokkenen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een laatste reactie in te dienen.

In zijn vergadering van 28 januari 2026 heeft het LOWI het verzoek besproken. Het LOWI acht zich op basis van de stukken in het dossier voldoende geïnformeerd en meent dat een hoorzitting niet nodig is.

Partijen zijn van dit besluit om geen hoorzitting te houden op de hoogte gebracht.

Overwegingen

Inleiding

1. Deze zaak gaat over een deskundigenrapport uit 2018 dat op verzoek van een gerechtelijke instantie en binnen de context van een strafzaak is opgesteld.

2. Betrokkenen zijn de auteurs van dit rapport, samen met een derde auteur die in deze wetenschappelijke integriteitsprocedure niet is betrokken.

3. Verzoeker is niet persoonlijk of professioneel betrokken bij de strafzaak. Maar hij interesseert zich wel al geruime tijd voor technische aspecten daarvan.

Klacht

4. In zijn klacht bekritiseert Verzoeker het deskundigenrapport van Betrokkenen op 21 punten. De CWI heeft de klacht samengevat in zeven onderdelen die aan de Nederlandse Gedragscode wetenschapsbeoefening 2004, herzien in 2012 en 2014 (de toen geldende gedragscode), kon worden getoetst. Bij onderstaande weergave van de klacht volgt het LOWI deze samenvatting van de CWI.

5. Het eerste klachtonderdeel is dat tabellen, grafieken en/of meetresultaten incorrect zijn weergegeven en afgelezen. Verzoeker klaagt verder dat keuzes en/of aannames in het rapport onjuist zijn of onvoldoende zijn onderbouwd. Het derde klachtonderdeel luidt dat bevindingen onvoldoende gedetailleerd zijn weergegeven waardoor het rapport niet volledig controleerbaar is en dat veel bronmateriaal ontbreekt. Het vierde klachtonderdeel is dat Betrokkenen zich verschuilen achter de derde auteur die in deze procedure niet is betrokken en diens inhoudelijke expertise waarover Betrokkenen zelf niet beschikken. Omdat het rapport geen duidelijke verdeling maakt van verantwoordelijkheden, zijn Betrokkenen verantwoordelijk voor het hele onderzoek, aldus Verzoeker. Het vijfde klachtonderdeel is dat Betrokkenen niet hebben ingegrepen toen rechters selectief uit hun deskundigenrapport citeerden. Het zesde klachtonderdeel luidt dat Betrokkenen in hun rapport onvoldoende hebben geredeneerd vanuit de onschuldpresumptie. Het zevende klachtonderdeel is dat Betrokkenen onvoldoende hebben gereageerd op de vragen en opmerkingen van Verzoeker die hij voorafgaand aan de indiening van zijn klacht met hen had gedeeld.

CWI-advies en voorlopig oordeel

6. De CWI stelt bij de beoordeling van de klacht voorop dat het rapport geen weergave is van bevindingen van regulier wetenschappelijk onderzoek. Het betreft een vertrouwelijk rapport dat niet voor wetenschappers (en publicatie) was bestemd, maar voor juristen in het kader van een gerechtelijke procedure. De CWI volgt Betrokkenen in hun standpunt dat de bevindingen meer in detail zijn besproken met de begeleidingscommissie en de verdediging van de verdachte, waarna Betrokkenen overeenkomstig hun opdracht de bevindingen op een eenvoudige en duidelijke manier hebben willen weergeven in het rapport. Ook wijst de CWI erop dat Betrokkenen aanvullende vragen van de begeleidingscommissie hebben beantwoord en dat zij hebben gereageerd op een reactie van de verdediging op het rapport. Deze beide aanvullende documenten maken feitelijk onderdeel uit van het rapport, aldus de CWI.

7. Verzoeker heeft volgens de CWI niet aannemelijk gemaakt dat er evidente fouten in het rapport staan en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat (daardoor) sprake zou zijn van schending van de wetenschappelijke integriteit. Van niet-integer handelen is volgens de CWI ook tijdens de behandeling van de klacht niet gebleken. De klachtonderdelen zien volgens de CWI met name op inhoudelijke of methodologische discussies die buiten de bevoegdheid van de CWI vallen. Wel adviseert de CWI om Betrokkenen te wijzen op het belang van schriftelijke vastlegging van onderlinge verantwoordelijkheden wanneer meerdere auteurs bij een onderzoek zijn betrokken en op het belang van een volledige verslaglegging van de in het onderzoek gemaakte keuzes en de daarbij behorende motivering/ onderbouwing, ook als het gaat om een dergelijk type vertrouwelijk onderzoek dat niet primair als openbare en/of wetenschappelijke publicatie is bedoeld. Dit maakt het in vergelijkbare situaties in de toekomst eenvoudiger om wetenschappelijke debatten te voeren en helpt onzekerheid over de controleerbaarheid te voorkomen.

8. Het Bestuur neemt het CWI-advies integraal over en verklaart de klacht in zijn voorlopig oordeel ongegrond.

Verzoek 

9. Het verzoekschrift bestaat uit een door Verzoeker geannoteerde versie van het CWI-advies. Verzoeker blijft bij zijn kritiek op de inhoud, methode en presentatie van het onderzoek waar volgens hem ‘vrijwel niets van deugt’. Het rapport is volgens Verzoeker van ‘bedroevende kwaliteit’, bevat ‘objectiveerbare onjuistheden’ en tegenstrijdigheden en is ‘in overwegende mate niet controleerbaar’. Verzoeker meent dat Betrokkenen het rapport of hun auteurschappen moeten intrekken en hierover helder moeten communiceren naar de gerechtelijke instantie die opdrachtgever was. Verzoeker zou er ook vrede mee te hebben als de wetenschappelijke pretentie van het rapport wegvalt, maar ook dat moet volgens hem dan wel heel duidelijk gecommuniceerd worden naar de opdrachtgever.

10. Verzoeker is het niet eens met de wijze waarop de CWI de aard van het rapport meeweegt in de beoordeling van de klacht. Verzoeker betoogt dat de aard van het rapport en de context waarin het wordt gebruikt, juist hógere wetenschappelijke integriteitsstandaarden stellen. Dat de bevindingen van het onderzoek mondeling zijn besproken met de begeleidingscommissie en de verdediging valt niet te verifiëren, aldus Verzoeker. Verder is voor hem duidelijk dat de gebreken in het rapport niet tot de verdediging zijn doorgedrongen. Betrokkenen hebben volgens hem onvoldoende gedaan om ervoor te zorgen dat hun conclusie goed overkwam. Volgens Verzoeker houden Betrokkenen hiermee een misstand in stand. Verzoeker voert verder aan dat het voor Betrokkenen op voorhand duidelijk had moeten zijn dat het rapport op zijn minst gedeeltelijk in de publieke ruimte zou verschijnen, omdat rechtspraak in Nederland openbaar is.

11. Van methodologische discussie of wetenschappelijk debat is volgens Verzoeker geen sprake, omdat Betrokkenen de aan het rapport ten grondslag liggende waarden niet beschikbaar hebben gesteld en het er ook niet naar uitziet dat dit nog gaat gebeuren.

12. Verzoeker betoogt verder dat de klachtenprocedure onvoldoende grondig is geweest en wijst erop dat verschillende klachtonderdelen niet zijn behandeld. In bijlage 3 (en 4) bij het verzoek zijn de betreffende onderdelen opgesomd. Belangrijke inhoudelijke kritiekpunten van Verzoeker zijn onder meer dat vijf apparaten buiten een kansberekening zijn gelaten, dat er een verkeerd type communicatiemiddel is onderzocht en dat een opmerking over een niet ter zake doende technologie tot verwarring en verkeerde interpretaties heeft geleid. Verzoeker stelt ook dat hij onvoldoende gehoord is tijdens de hoorzitting. Hij heeft een overzicht van vragen toegevoegd aan het verzoekschrift. Dit zijn vragen die hij ten behoeve van die hoorzitting bij de CWI had voorbereid, maar die hij daar niet heeft kunnen stellen.

Standpunt Bestuur

13. Het Bestuur stelt zich op het standpunt dat de CWI de klacht zorgvuldig heeft behandeld en dat Verzoeker voldoende is gehoord. Het Bestuur onderschrijft het CWI-advies en benadrukt dat de bijzondere aard van het rapport cruciaal is voor de beoordeling van de klacht. Het format en het detailniveau van het deskundigenrapport zijn in overleg met de opdrachtgever vastgesteld. Het rapport was vertrouwelijk en niet bedoeld om onderwerp van wetenschappelijk debat te worden. Het Bestuur acht het daarom onjuist om een wetenschappelijke integriteitsschending vast te stellen op de grond dat het rapport onvolledig zou zijn voor een buitenstaander. Het Bestuur wijst er in reactie op het verzoekschrift ook op dat de openbaarheid van rechtspraak alleen ziet op zittingen en op uitspraken, en niet op dossierstukken zoals het deskundigenrapport in kwestie. Het Bestuur erkent dat het proces anders had kunnen worden ingericht (bijvoorbeeld met appendix met onderbouwing van aannames en keuzes) en heeft Betrokkenen hierop gewezen zoals door de CWI was geadviseerd, maar begrijpt ook dat het in dit geval niet is gebeurd.

Standpunt Betrokkenen

14. Betrokkenen zien Verzoekers inhoudelijke kritiek op hun rapport als een herhaling van zetten. Zij hebben de bereidheid getoond om nog eens naar hun onderzoek te kijken. Dat de eventuele resultaten dan naar de gerechtelijke instantie (opdrachtgever) gaan en niet naar Verzoeker is volgens hen logisch. Verder merken zij op dat de juridische weging van hun wetenschappelijke conclusie buiten hun expertisegebied ligt.

Beoordeling LOWI

15. De CWI heeft overwogen dat de klacht met name ziet op inhoudelijke of methodologische discussies. Ook onder het regime van de destijds geldende gedragscode gold dat dergelijke kwesties niet in een klachtenprocedure wetenschappelijke integriteit thuishoren maar in het wetenschappelijk debat/forum. Verzoeker heeft hier tegenin gebracht dat het deskundigenrapport vertrouwelijk is en de onderliggende informatie daarom niet aan hem beschikbaar wordt gesteld zodat van een daadwerkelijk wetenschappelijk debat tussen hem en Betrokkenen geen sprake is.

16. Het LOWI onderschrijft het oordeel van de CWI dat de klacht een type kritiek bevat die niet in een wetenschappelijke integriteitsprocedure thuishoort. Gelet op de aard van het rapport is het leidende argument voor het LOWI daarbij niet dat sprake is van een wetenschappelijk debat, maar dat de gerechtelijke procedure het aangewezen forum is waar over de juistheid van het rapport moet worden gesproken. Aangezien de verdediging op het deskundigenrapport heeft gereageerd en Betrokkenen daar weer op hebben gereageerd, is dat ook gebeurd. Dat de reactie van de verdediging naar Verzoekers idee veel kritischer had gekund, maakt niet dat de juistheid van het deskundigenrapport alsnog in een wetenschappelijke integriteitsprocedure ter discussie kan worden gesteld. Het LOWI volgt Verzoeker niet in zijn stelling dat een integer wetenschappelijk onderzoek foutenvrij moet zijn. Verzoeker miskent hiermee dat het (eventueel) maken van fouten niet hetzelfde is als een mogelijke schending van de wetenschappelijke integriteit (zie ook overweging 15 in LOWI-advies 2025-14). De klacht noch het verzoek bevat voldoende aanknopingspunten voor een vermoeden van schending van (normen van) wetenschappelijke integriteit. Ook de in overweging 12 genoemde kritiek van Verzoeker geeft het LOWI daartoe geen aanleiding. Deze kritiek gaat over de juistheid van het rapport en niet over kwesties van wetenschappelijke integriteit waar Betrokkenen in deze procedure op aangesproken zouden moeten worden, anders dan de aanbeveling om in de toekomst vollediger verslag te leggen van de afgesproken rolverdeling en van de gemaakte onderzoekskeuzes.

17. Het LOWI onderschrijft daarom het voorlopig oordeel van het Bestuur dat de verslaglegging van het verrichte deskundigenonderzoek anders had gekund en dat hieruit lessen zijn te trekken voor de toekomst. Maar er is geen sprake van schending van (normen van) wetenschappelijke integriteit vanwege een gebrek aan zorgvuldigheid en controleerbaarheid voor personen die geen rol hebben in de strafzaak waarin het rapport is ingebracht.

18. In hetgeen Verzoeker heeft aangevoerd, ziet het LOWI verder geen aanleiding voor de conclusie dat de procedure onzorgvuldig is geweest. Verzoeker is mondeling door de CWI gehoord, er is hoor en wederhoor toegepast en standpunten van partijen zijn adequaat samengevat en inhoudelijk beoordeeld. Dat Verzoeker tijdens de hoorzitting niet zijn eigen vragen aan Betrokkenen kon stellen is niet onzorgvuldig. Verzoeker heeft van de CWI voldoende gelegenheid gekregen om zijn standpunt effectief naar voren te brengen.

Conclusie

19. Gelet op het voorgaande is het verzoek ongegrond.

ADVIES

Het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit:

I.  verklaart het verzoek ongegrond;

II. adviseert de klacht onder verwijzing naar dit advies definitief ongegrond te verklaren.

Aldus vastgesteld op 30 maart 2026 door mr. E.J. Daalder, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Zweistra, ambtelijk secretaris.