naar aanleiding van het verzoek van:
1. [Verzoeker]
over het aanvankelijk oordeel van
2. het College van Bestuur van de Vrije Universiteit Amsterdam
Procesverloop
Op 7 april 2025 heeft Verzoeker een klacht ingediend bij de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van de VU-VUmc (hierna: CWI) over een mogelijke schending van de wetenschappelijke integriteit door [Betrokkene).
Op 30 april 2025 heeft Verzoeker de klacht aangevuld.
De CWI heeft het College van Bestuur van de Vrije Universiteit (hierna: het Bestuur) op 20 mei 2025 geadviseerd de klacht niet-ontvankelijk te verklaren.
Het Bestuur heeft dit advies overgenomen en heeft de klacht in het aanvankelijk oordeel van 19 juni 2025 niet in behandeling genomen, omdat zij daarmee zou treden in de bevoegdheid van de Medisch Ethische Toetsingscommissie (METC).
Verzoeker heeft het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (hierna: LOWI) op 27 juli 2025 verzocht advies uit te brengen over dit aanvankelijk oordeel.
Het LOWI heeft besloten het verzoek in behandeling te nemen.
Dr. J. Tijdink heeft zich in deze zaak verschoond.
Het Bestuur en Betrokkene hebben beide een verweerschrift ingediend.
Verzoeker heeft gereageerd op deze verweerschriften.
Er zijn geen laatste reacties ingediend.
Het LOWI heeft deze zaak besproken in zijn vergadering van 15 oktober 2025 en heeft besloten dat het zich voldoende geïnformeerd acht en dat het de zaak op de stukken zal behandelen.
Partijen zijn van dit besluit om geen hoorzitting te houden op de hoogte gebracht.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze casus gaat over mensgebonden onderzoek dat zich bevindt in de fase van uitvoering. Het gaat om een multicenter onderzoek waaraan onder meer het Amsterdam UMC (locatie VUmc) meedoet en waarvoor ZonMW subsidie heeft verleend.
2. Betrokkene is projectcoördinator van het onderzoek. Dat is hij niet alleen, maar samen met een beroepsgenoot die is verbonden aan een ander universitair medisch centrum waarmee dit onderzoek wordt uitgevoerd.
3. Verzoeker is voorzitter van een vereniging die kort gezegd opkomt voor belangen van patiënten.
Klacht
4. De klacht (van Verzoeker) is uitsluitend gericht tegen Betrokkene en niet mede tegen de in overweging 2 genoemde beroepsgenoot. Volgens Verzoeker is het onderzoek in strijd met normen 1 t/m 5 en 7 t/m 10 uit de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018 (hierna: de gedragscode).
CWI-advies en voorlopig oordeel
5. De CWI overweegt kort gezegd dat de klacht primair betrekking heeft op de integriteit van het onderzoek, en meer in het bijzonder rust op de overtuiging dat het onderzoek, dan wel de voortzetting daarvan, zou leiden tot onaanvaardbare risico’s voor de betrokken proefpersonen. Dit valt volgens de CWI gelet op artikel 2a en 3a van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO) bij uitstek binnen de bevoegdheid van de daartoe aangewezen METC. De CWI concludeert dat zij de klacht niet inhoudelijk in behandeling kan nemen, omdat zij daarmee in de bevoegdheid van de METC zou treden. De CWI adviseert het Bestuur daarom te besluiten dat de behandeling van de klacht buiten haar bevoegdheid ligt.
6. Het Bestuur neemt het advies over en besluit dat de klacht buiten de bevoegdheid van de CWI ligt.
Verzoek
7. Verzoeker betoogt dat hij niet uitsluitend ethische aspecten heeft aangevoerd in zijn klacht, maar ook wetenschappelijke integriteitsaspecten. Dit blijkt volgens hem ook uit het CWI-advies, waarin staat dat de klacht primair betrekking heeft (vetgedrukt door Verzoeker) op – kort gezegd – onaanvaardbare risico’s voor proefpersonen. Verzoeker merkt verder op dat integriteit en ethische aspecten sterk met elkaar verweven zijn. In een bijlage bij het verzoekschrift getiteld ‘argumenten t.b.v. verzoekschrift LOWI’ wijst Verzoeker op normen 7 en 8 uit de gedragscode. Hij stelt dat de onderzoekers en ZonMW weigeren de naam van de co-financier openbaar te maken en dat geen aandacht wordt besteed aan het belang bij het onderzoek van bijvoorbeeld beleidsmakers, hetgeen tot belangenconflicten kan leiden. In dat verband wijst hij op een kamerbrief waarin wordt gerefereerd aan het lopende onderzoek. Ook wijst hij op een citaat in een online-artikel op de website van een nieuws- en actualiteitenprogramma. De uitspraak van Betrokkene die daar tussen twee aanhalingstekens wordt geciteerd, draagt er volgens Verzoeker aan bij dat het lopende onderzoek van belang wordt geacht voor het maken van nationaal beleid, waardoor de indruk wordt gewekt dat niet-wetenschappelijke (politieke) overwegingen een belangrijke rol hebben gespeeld bij de opzet van het onderzoek.
Verweren Bestuur en Betrokkene
8. Het Bestuur treft in het verzoek geen informatie aan die tot een ander voorlopig oordeel had moeten leiden.
9. Betrokkene onderschrijft het voorlopig oordeel en het verweerschrift van het Bestuur. Hij stelt dat het wetenschappelijke onderzoek waarover wordt geklaagd volgens wet- en regelgeving en overige zorgvuldigheidseisen is beoordeeld en goedgekeurd door de METC van het Amsterdam UMC. Betrokkene wijst op de informatie op de website van het LOWI waarop staat dat het LOWI niet oordeelt over bestuursrechtelijke, civielrechtelijke of strafrechtelijke kwesties. Betrokkene stelt dat de kwestie in deze procedure onderwerp is van diverse bestuursrechtelijke en civielrechtelijke procedures. Hij wijst op verschillende rechterlijke uitspraken waarin Verzoeker partij was. Verder stelt Betrokkene dat Verzoeker hem verkeerd citeert.
Reactie Verzoeker
10. Verzoeker herhaalt dat hij wetenschappelijke integriteitsaspecten heeft aangevoerd waarop nog niet is ingegaan en dat een CWI en METC elkaar niet per definitie uitsluiten. Over één van de rechterlijke uitspraken waarop Betrokkene heeft gewezen, stelt Verzoeker onder meer dat het niet zo kan zijn dat een rechtszaak die later wordt opgestart de behandeling van een klacht onmogelijk maakt. Hij wijst er in dit verband op dat hij tien dagen na het indienen van zijn wetenschappelijke integriteitsklacht is gedagvaard door het Amsterdam UMC en diens partner-UMC in het multicenter onderzoek.
Oordeel LOWI
11. Het LOWI onderschrijft het CWI-advies dat de klacht primair betrekking heeft op de door Verzoeker gevreesde onaanvaardbare risico’s voor proefpersonen waarover een CWI en het LOWI niet kunnen oordelen omdat de beoordeling daarvan thuishoort bij de betreffende METC. Het LOWI stelt echter vast dat de klacht daarnaast betrekking heeft op aspecten van wetenschappelijke integriteit.
12. Het LOWI volgt daarbij Verzoeker die stelt dat het wetenschappelijke integriteitsaspect van zijn klacht is gelegen in normen 7 en 8 van de gedragscode. Deze normen zien op de ontwerpfase van wetenschappelijk onderzoek en luiden als volgt: “Maak als het onderzoek in opdracht uitgevoerd wordt en/of door derden wordt gefinancierd altijd duidelijk wie de opdrachtgever en/of financier is” (norm 7) en “Betracht openheid over de rol van externe belanghebbenden en over mogelijke belangenconflicten” (norm 8).
13. Het LOWI acht de klachtonderdelen die betrekking hebben op normen 7 en 8 uit de gedragscode echter ongegrond. Hiertoe overweegt het LOWI als volgt.
14. In het ontwerp van het onderzoek is in overeenstemming met norm 7 van de gedragscode (aan ZonMW) duidelijk gemaakt wie de co-financier van het onderzoek zou worden. Deze informatie is (nog) niet openbaar gemaakt, of anderszins aan Verzoeker bekend gemaakt, zoals Verzoeker wenst. Naar het oordeel van het LOWI is er geen norm in de gedragscode die daartoe in deze fase van het onderzoek expliciet verplicht zodat er ook in zoverre geen normen uit de gedragscode zijn geschonden. Deze plicht is er wel op het moment van publicatie van het onderzoek, gelet op norm 44 van de gedragscode die bepaalt dat onderzoekers in de fase van verslaglegging open en volledig moeten zijn over de rol van financiers.
15. Het LOWI ziet verder niet in hoe Betrokkene norm 8 zou hebben geschonden met het citaat waarnaar Verzoeker verwijst, nog daargelaten dat Betrokkene weerspreekt dat hij deze uitspraak heeft gedaan die in het online-artikel aan hem wordt toegeschreven.
16. Gelet op het voorgaande is het verzoek ongegrond en adviseert het LOWI de klacht in het definitieve oordeel ongegrond te verklaren.
ADVIES
Het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit:
I. Verklaart het verzoek ongegrond;
II. Adviseert het bestuur om de klacht onder verwijzing naar dit advies definitief ongegrond te verklaren.
Aldus vastgesteld op 15 december 2025 door mr. E.D. Daalder, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Zweistra, ambtelijk secretaris.