Categorieën
Advies

Advies 2019-17

Patiënt klaagt over arts. Een gesprek of discussie tussen arts en patiënt over een wetenschappelijk onderwerp is geen wetenschapsbeoefening. Een brief van een arts aan zijn patiënt is evenmin wetenschapsbeoefening. Dat de patiënt zegt een wetenschappelijk debat te willen voeren, betekent niet dat aan de arts dezelfde intentie moet worden toegeschreven.

Print Friendly, PDF & Email

Advies van het LOWI van 23 mei 2019 ten aanzien van het verzoek van …, bij het LOWI ingediend op 21 november 2019 en betreffende het (aanvankelijk) oordeel van de Raad van Bestuur van het Erasmus MC van 31 oktober 2018, naar aanleiding van een klacht van 25 juni 2018 over een vermoede schending van wetenschappelijke integriteit door … .

1. Het verzoek

Op 21 november 2018 heeft … (verder: Verzoeker) aan het LOWI verzocht om een advies te geven aan de Raad van Bestuur van het Erasmus MC (verder: het Bestuur) over het (aanvankelijk) oordeel van het Bestuur van 31 oktober 2018 (verder: oordeel) naar aanleiding van een melding van Verzoeker, ingediend bij het Bestuur op 25 juni 2018 en nader aangevuld bij brieven van 9 juli 2018 en 14 augustus 2018 (verder: klacht).

De klacht

De klacht is onder meer gericht tegen … (verder: Betrokkene). De klacht bestaat in totaal uit tien klachtonderdelen. Kort samengevat heeft Verzoeker het volgende aangevoerd.

Klachtonderdeel 1 is dat de Vertrouwenspersoon Wetenschappelijke Integriteit (verder: Vertrouwenspersoon) op 29 juni 2017 tot een prematuur oordeel is gekomen over het conceptklaagschrift van Verzoeker van 26 juni 2017.

Klachtonderdeel 2 is dat Betrokkene in een gesprek met Verzoeker op 10 mei 2017 (verder: gesprek) zich intimiderend heeft gedragen en in zijn brief van 29 mei 2017 (verder: brief) een misleidende voorstelling van zaken heeft gegeven.

Klachtonderdeel 3 is dat Betrokkene in zijn brief met betrekking tot A en B trials (verder: trials) een niet te kwantificeren voorwaarde (…) en een combinatietherapie (van A en B) heeft gefabriceerd.

Klachtonderdeel 4 is dat Betrokkene in het gesprek en in de brief een onlogische redenering heeft verwoord en daarmee heeft gehandeld in strijd met het vereiste dat wetenschappelijke uitspraken zijn gebaseerd op objectieve waarnemingen en logische redeneringen.

Klachtonderdeel 5 is dat Betrokkene in de brief een ongeldige algemene conclusie heeft getrokken over de trials en daarmee heeft gehandeld in strijd met het vereiste dat een wetenschapper pas verdediger is van een wetenschappelijk standpunt als dat voldoende is onderbouwd.

Klachtonderdeel 6 is dat Betrokkene na ernstige en gefundeerde kritiek door Verzoeker zijn verhandeling in de brief niet heeft bijgesteld, maar persisteert in zijn voorstelling van zaken.

Klachtonderdeel 7 is dat Betrokkene zijn academische vrijheid heeft ingeperkt en een te beperkte taakopvatting als hoogleraar hanteert, door erop te wijzen dat hij niet betrokken was bij de door Verzoeker bekritiseerde trials en … (verder: Richtlijn 1) en dat het voeren van een wetenschappelijke discussie met patiënten niet tot zijn taken behoort.

Klachtonderdeel 8 is dat het Bestuur te lang heeft gewacht met het vaststellen van een nieuwe Klachtenregeling zodat de functiescheiding tussen Vertrouwenspersoon en CWI te laat is geëffectueerd.

Klachtonderdeel 9 is dat het Bestuur door het als vast lid van de Vaste Commissie Wetenschappelijke Integriteit (verder: CWI) aanstellen van mr. A.M. den Hertog-de Visser (verder: Den Hertog), die advocaat in loondienst is bij het Erasmus MC, heeft gehandeld in strijd met het vereiste dat klachtafhandeling onafhankelijk geschiedt.

Klachtonderdeel 10 is dat de mededeling van 31 juli 2018 over de langere doorlooptijd van de klachtbehandeling (tot medio september 2018) in strijd is met een goede procesorde en met artikel 9:2 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb).

Het advies van de CWI

De CWI heeft op 21 september 2018 advies uitgebracht over de klacht en gemeld dat het CWI-lid Den Hertog zich voor het beoordelen van de casus heeft teruggetrokken omdat zij eerder al kennis had genomen van Verzoekers bezwaren tegen Betrokkene.

De CWI heeft opgemerkt dat Verzoeker patiënt is met een grote medische interesse voor zijn ziekte en als professional wil worden benaderd. In zijn brief heeft Betrokkene aan Verzoeker gemeld dat discussies over interpretatie van data en studieopzet een onderdeel vormen van het wetenschappelijk debat en gevoerd dienen te worden in een wetenschappelijke omgeving. Na de reactie van Verzoeker hierop heeft Betrokkene hem gemeld dat hij deze discussie het beste kan starten met een brief aan de Medische Advies Raad van de patiëntenvereniging. De CWI heeft opgemerkt in de reacties van Betrokkene een professionele attitude van eerlijkheid en zorgvuldigheid te zien.

Ten aanzien van klachtenonderdelen 3, 4, 5, 6 en 7 heeft de CWI overwogen dat sprake is van een meningsverschil tussen arts en patiënt over een wetenschappelijk vraagstuk, waarmee Betrokkene professioneel is omgegaan. Deze klachtonderdelen vallen niet onder de definitie van schending van wetenschappelijke integriteit van artikel 1, eerste lid, van de Meldingsregeling Wetenschappelijke Integriteit Erasmus MC (verder: Meldingsregeling). Ten aanzien van klachtonderdeel 2 heeft de CWI overwogen dat een gesprek tussen twee mensen met welke emoties dan ook niet valt onder de definitie van artikel 1, eerste lid, van de Meldingsregeling.

Ten aanzien van de klachtonderdelen 1 en 8 heeft de CWI overwogen dat het geen klachten over Betrokkene betreft, maar procedurele klachten. Ook klachtonderdelen 9 en 10 zijn door de CWI aangemerkt als van procedurele aard. Geen van deze klachtonderdelen valt onder de definitie van schending van wetenschappelijke integriteit van artikel 1, eerste lid, van de Meldingsregeling.

De CWI heeft het Bestuur geadviseerd om de klacht niet-ontvankelijk te verklaren.

Het oordeel

Conform dit advies van de CWI is de klacht, onder aanvulling van de motivering, niet-ontvankelijk verklaard.

Het verzoek

Verzoeker is het niet eens met dit oordeel en heeft het LOWI verzocht hierover een advies te geven. Het standpunt van Verzoeker is verkort weergegeven in onderdeel 3.

2. De procedure

Op 20 december 2018 zijn Verzoeker, het Bestuur en Betrokkene ervan op de hoogte gesteld dat het LOWI heeft besloten het verzoek in behandeling te nemen. Het Bestuur en Betrokkene zijn in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen. Het verweerschrift van het Bestuur is, nadat daartoe desgevraagd uitstel is verleend, op 14 februari 2019 bij het LOWI ingediend. Het verweerschrift van Betrokkene is eveneens op 14 februari 2019 bij het LOWI ingediend.

Het LOWI heeft de verweerschriften van het Bestuur en Betrokkene op 14 februari 2019 aan Verzoeker gezonden. Op 5 maart 2019 heeft Verzoeker, na daartoe desgevraagd uitstel te hebben gekregen, gereageerd. Het LOWI heeft dit stuk van Verzoeker op 6 maart 2019 voor een laatste reactie aan het Bestuur en Betrokkene gezonden. Het Bestuur heeft op 20 maart 2019 gereageerd en Betrokkene op 18 maart 2019.

Het LOWI heeft besloten de zaak op de stukken te behandelen en dit aan partijen medegedeeld op 27 maart 2019. Prof. dr. J.G. van Erp heeft zich verschoond.

3. Standpunten van partijen

3.1 Het standpunt van Verzoeker

Verzoeker heeft zijn bezwaren tegen het oordeel verwoord aan de hand van de oorspronkelijke klachtonderdelen. Hij heeft eerst zijn procedurele, daarna zijn inhoudelijke klachten toegelicht. Verzoekers standpunt luidt, kort samengevat, als volgt.

3.1.1 Procedurele klachten

Ten aanzien van (de beoordeling van) klachtonderdeel 1 heeft Verzoeker aangevoerd dat ten onrechte niet inhoudelijk is gereageerd. Ter verduidelijking van dit klachtonderdeel heeft Verzoeker, onder verwijzing naar Klachtenregelingen van andere instellingen, aangevoerd dat de taak van een Vertrouwenspersoon het niet toelaat om zonder overleg met of toestemming van de melder beslissingen te nemen.

Ten aanzien van (de beoordeling van) klachtonderdeel 8 heeft Verzoeker opgemerkt dat het Bestuur kennelijk geen boodschap heeft aan de beginselen van behoorlijk bestuur, die met zich meebrengen dat de burger die zich onheus bejegend voelt moet kunnen rekenen op een eerlijke en open behandeling van zijn klacht.

Ten aanzien van (de beoordeling van) klachtonderdeel 9 heeft Verzoeker aangevoerd dat uit zijn klacht blijkt dat Den Hertog vanwege haar partijdigheid als advocaat niet geschikt is om als vast lid van de CWI te fungeren. Den Hertog had zich meteen moeten terugtrekken en Verzoeker had daarvan meteen bericht moeten ontvangen. Verzoeker meent zeker te weten dat de CWI gebruik heeft gemaakt van advies van Den Hertog. Verzoeker heeft daartoe aangevoerd dat Den Hertog in het CWI-advies staat vermeld als vast lid van de CWI, dat dit advies niet is ondertekend en dat dit advies is geschreven door een vrouw.

Ten aanzien van (de beoordeling van) klachtonderdeel 10 heeft Verzoeker opgemerkt dat, na de ontvangst van het oordeel, zijn klacht over de termijnoverschrijding thans inhoudt dat het Bestuur vier maanden heeft gedaan over een niet-ontvankelijkverklaring terwijl dit volgens de Awb vier weken mag zijn en dit ook in strijd is met de Meldingsregeling.

3.1.2 Inhoudelijke klachten

Volgens Verzoeker is het oordeel van de CWI dermate onbegrijpelijk dat het alleen kan worden verklaard door vooringenomenheid jegens Verzoeker.

Ten aanzien van (de beoordeling van) klachtonderdeel 2 heeft Verzoeker gewezen op de preambule van de op 1 oktober 2018 in werking getreden Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit, op grond waarvan volgens hem het gesprek met Betrokkene binnen de reikwijdte van de Gedragscode valt.

Ten aanzien van (de beoordeling van) klachtonderdelen 3, 4, 5 en 6 heeft Verzoeker aangevoerd dat de CWI hierin ten onrechte een meningsverschil ziet tussen een arts en een patiënt over een wetenschappelijk vraagstuk, waarmee de arts professioneel is omgegaan. De CWI beschikt niet over medische expertise en kan derhalve niet beoordelen of Betrokkene professioneel is omgegaan met de discussie. Ook in het oordeel is een onjuiste interpretatie gegeven van de klacht van Verzoeker.

Ten aanzien van (de beoordeling van) klachtonderdeel 7 heeft Verzoeker opgemerkt dat hij vier defensieve reflexen bij Betrokkene heeft genoemd die het gesprek met hem zodanig hebben bemoeilijkt dat sprake is van strijd met principes van wetenschappelijke integriteit. Volgens Verzoeker heeft de CWI op verschillende punten hieraan een onjuiste uitleg gegeven. Verzoeker ziet hiervoor twee mogelijke verklaringen: de CWI heeft contact gehad met Betrokkene of de uitleg van de CWI is uit de lucht gegrepen.

Verder heeft Verzoeker een uiteenzetting gegeven van zijn doorverwijzing naar Betrokkene, van het maatschappelijke belang van de onbekendheid van de oorzaak van de persisterende klachten bij zijn aandoening, van de totstandkoming van het gesprek met Betrokkene, van de bedoeling die Betrokkene volgens Verzoeker met dat gesprek had en van de volgens Verzoeker onjuiste weergave van dat gesprek door Betrokkene.

Tot slot heeft Verzoeker zich op het standpunt gesteld dat de Meldingsregeling onverbindend is omdat deze niet is opgesteld door het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit. Voor zover de regeling wel verbindend is, is Verzoeker van mening dat deze ten onrechte afwijkt van de Awb en het Landelijk Model Klachtenregeling Wetenschappelijke Integriteit van de VSNU (verder: VSNU-model). De bepalingen in de Meldingsregeling die afwijken van het VSNU-model bevatten volgens Verzoeker geen extra waarborgen, maar frustreren juist de toegang tot de CWI.

3.2 Het standpunt van het Bestuur

Het Bestuur heeft uitgebreide achtergrondinformatie gegeven en is daarna ingegaan op de gronden van het verzoek.

Ten aanzien van de verbindendheid van de Meldingsregeling heeft het Bestuur aangevoerd dat deze is gebaseerd op artikel 12.3 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, op grond van welke bepaling het Bestuur bevoegd is tot regeling en bestuur van de zaken van het academisch ziekenhuis in zijn geheel. De Meldingsregeling is gebaseerd op het VSNU-model.

Het handelen van Betrokkene kan volgens het Bestuur niet worden aangemerkt als schending van de wetenschappelijke integriteit zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Meldingsregeling. Anders dan Verzoeker stelt, is dit handelen wel degelijk getoetst aan de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening. In artikel 1, eerste lid, van de Meldingsregeling wordt bij de definitie van schending van de wetenschappelijke integriteit in eerste instantie verwezen naar ‘handelen of nalaten in strijd met de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening’. De Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening is van toepassing op wetenschapsbeoefening.

Ook uit artikel 2, tweede lid, van de Meldingsregeling volgt dat een klacht betrekking moet hebben op wetenschappelijk handelen. Bij het door Verzoeker genoemde handelen van Betrokkene is daarvan geen sprake. Hij heeft in zijn rol als behandelaar van Verzoeker op zijn verzoek uitleg gegeven over onderzoek waarbij hij niet zelf als onderzoeker betrokken was. Beiden verschillen inhoudelijk van mening over dat onderzoek, maar daarmee is geen sprake van wetenschapsbeoefening door Betrokkene. Ten aanzien van de klachtonderdelen 2, 3, 4, 5, 6 en 7 is volgens het Bestuur derhalve geen sprake van schending van de wetenschappelijke integriteit zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Meldingsregeling. Het door Verzoeker beschreven handelen van Betrokkene, wat er van die beschrijving verder zij, kan niet worden aangemerkt als wetenschapsbeoefening in de zin van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening.

Ten aanzien van de klachtonderdelen 1, 8, 9 en 10 heeft het Bestuur opgemerkt dat daarop is gereageerd en dat deze klachten niet vallen onder schending van wetenschappelijke integriteit. Het gaat om procedurele klachten, gericht tegen het Bestuur, de Vertrouwenspersoon en de decaan. Het Bestuur is van mening dat deze klachtonderdelen zodanig ver verwijderd zijn van (het oordeel over) de vraag of sprake is geweest van een schending van de wetenschappelijke integriteit door Betrokkene, dat deze klachtonderdelen niet in aanmerking komen voor behandeling door het LOWI. Voor zover het LOWI daar anders over denkt, verwijst het Bestuur naar zijn oordeel.

3.3 Het standpunt van Betrokkene

Betrokkene heeft een korte toelichting gegeven op het contact dat hij heeft gehad met Verzoeker en is vervolgens ingegaan op de gronden van het verzoek die hem betreffen.

Betrokkene heeft opgemerkt dat hij in het gesprek met Verzoeker heeft geprobeerd om te voldoen aan zijn wens om een wetenschappelijke discussie te voeren. Hij verkeerde in de veronderstelling dat hij daaraan had voldaan. Betrokkene vond het vervelend om achteraf te horen dat Verzoeker het gesprek als intimiderend heeft ervaren, zo was het niet bedoeld.

Ook met de brief, die hij schreef op uitdrukkelijk verzoek van Verzoeker, heeft Betrokkene geprobeerd om aan zijn wens te voldoen. Betrokkene heeft Verzoeker in zijn rol als zijn behandelaar uitleg gegeven over onderzoek waarbij hij zelf niet betrokken was als onderzoeker. Hij heeft geprobeerd op een didactische wijze aan te geven waarom de mening in het veld anders is dan de mening van Verzoeker.

Betrokkene meent dat discussies over data en studieopzet een essentieel onderdeel zijn van wetenschap, maar gevoerd moeten worden in een wetenschappelijke omgeving. Daarom heeft hij Verzoeker gewezen op de mogelijkheid om zijn punten voor te leggen aan de Medische Advies Raad. Dit was voor Verzoeker een eenvoudige manier geweest om een open wetenschappelijke discussie te bereiken over zijn hypothese. Betrokkene is van mening dat een klachtprocedure niet de manier is om een open wetenschappelijke discussie te voeren.

3.4 Reactie Verzoeker op het standpunt van het Bestuur

Verzoeker heeft niet gereageerd op het verweerschrift van Betrokkene en naar aanleiding van het verweerschrift van het Bestuur, samengevat, als volgt gereageerd.

Verzoeker heeft verwezen naar een klacht die hij bij de Orde van Advocaten heeft ingediend en geciteerd uit stukken uit die procedure. Verzoeker heeft gesteld dat niet is onderbouwd dat Den Hertog zich heeft teruggetrokken als lid van de CWI en herhaald dat de functie van advocaat in dienstbetrekking zich niet verdraagt met de functie van lid van de CWI.

Volgens Verzoeker is het oordeel van het Bestuur geconcipieerd door ‘ghostwriters’. Dit is volgens hem reden om de decaan te wraken. Ook de brief van de decaan van 6 juni 2018 en het verweer van het Bestuur in de LOWI-procedure zijn volgens Verzoeker geschreven door een of meer ‘ghostwriters’, waaronder Den Hertog. Verzoeker acht zich in zijn processuele mogelijkheden geschaad en meent dat een verzoek aan het LOWI met onvoldoende waarborgen is omkleed.

Verder heeft Verzoeker gemeld dat zijn klachtrecht tevens is gebaseerd op de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (verder: Wet kkgz) en ook verwezen naar het Burgerlijk Wetboek en de Zorgverzekeringswet. Volgens Verzoeker is dit het wettelijk kader waarbinnen Betrokkene als arts en hoogleraar dient te handelen.

Verzoeker heeft een scan overgelegd van zijn medisch dossier en gemeld dat daarin een aantal stukken ontbreekt. Het is voor Verzoeker duidelijk dat Betrokkene niet bereid is om zich toetsbaar op te stellen.

Volgens Verzoeker is ook de Richtlijn 2, waarvoor Betrokkene als bestuurslid van … (mede)verantwoordelijk is, van toepassing. De aanbevelingen in deze richtlijn met betrekking tot persisterende klachten, die vooral bij … voorkomen, zijn volgens Verzoeker niet evidence based.

Verzoeker is van mening dat de UMC’s en wetenschappers in dienst van de UMC’s verantwoording moeten afleggen en transparant moeten zijn over het toepassen en verspreiden van hun kennis. Betrokkene levert echter geen actieve bijdrage aan het oplossen van de vraag of de trials die zijn beschreven in Richtlijn 1 een wetenschappelijk verantwoorde onderzoeksopzet hebben. Verzoeker is van mening dat Betrokkene de verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de kwaliteitsstandaard niet neemt en dat hij er ten onrechte op wijst dat hij niet betrokken was bij Richtlijn 1 of bij de trials waarop die richtlijn is gebaseerd.

Volgens Verzoeker moet de brief van Betrokkene worden aangemerkt als wetenschapsbeoefening. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De brief is niet casus gedreven en is gelijk te stellen aan een peer review dan wel een wetenschappelijke analyse van de door Verzoeker gewraakte trials. Dat deze bijdrage van Betrokkene aan het door Verzoeker gewenste wetenschappelijke debat niet is gegoten in de vorm van een wetenschappelijke publicatie, is volgens hem niet van belang. Betrokkene is opgetreden als inhoudelijke deskundige en heeft als vertegenwoordiger van het wetenschappelijke forum uitleg gegeven over de trials. Het gaat volgens Verzoeker niet om vrijblijvend “sparren”, maar om een wetenschappelijk probleem dat betrekking heeft op een groot aantal patiënten. Dat Betrokkene bekend is met dit grote aantal is een extra reden om zijn brief te kwalificeren als wetenschapsbeoefening.

Tot slot heeft Verzoeker nog de volgende punten aangedragen.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de mededeling dat Den Hertog zich voor het beoordelen van de casus heeft teruggetrokken, moedwillig misleidend is. Verder heeft Verzoeker betoogd dat zijn klachten ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Ook is het oordeel van het Bestuur dat geen sprake is van wetenschapsbeoefening door Betrokkene niet te rijmen met het gestelde dat diens handelen wel is getoetst aan de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening. In de brief van Betrokkene is zowel sprake van medisch handelen als van wetenschapsbeoefening. Verder blijft Verzoeker erbij dat Betrokkene betrokken was bij één van de trials genoemd in Richtlijn 1. Verzoeker ziet het verweer van het Bestuur naar aanleiding van de klachtonderdelen 1, 8, 9 en 10 als een vorm van juridische obstructie.

3.5 Laatste reactie van het Bestuur en Betrokkene

Naar aanleiding van de laatste reactie van Verzoeker, zoals beschreven in 3.4 hebben het Bestuur en Betrokkene eveneens een laatste reactie gegeven. Die luidt, samengevat, als volgt.

3.5.1 Laatste reactie van het Bestuur

Het Bestuur heeft herhaald dat het van mening is dat het handelen van Betrokkene geen wetenschapsbeoefening betreft en reeds daarom niet kan worden aangemerkt als een schending van de wetenschappelijke integriteit.

De brief van Betrokkene is een schriftelijke reactie op een klacht van Verzoeker, geschreven op zijn verzoek en in aanvulling op het gesprek dat Betrokkene eerder met hem had. In de brief heeft hij een reactie gegeven over onderzoek waarbij hij zelf niet als onderzoeker betrokken was en opgemerkt dat dit niet alleen zijn persoonlijke mening was, maar de algemene opinie. De brief is alleen bedoeld voor Verzoeker en ook alleen aan hem gestuurd. Dit is geen wetenschapsbeoefening, maar enkel de uitleg van een onderzoek. Betrokkene had niet de bedoeling zijn uitleg een ruimere reikwijdte te geven dan alleen het informeren van Verzoeker. De brief is niet gericht op het wetenschappelijke forum, er is geen wetenschappelijke probleemstelling geformuleerd of een onderzoeksproces beschreven. Publicatie in wetenschappelijke tijdschriften is uitdrukkelijk niet beoogd. Evenmin is sprake van het beoordelen van wetenschappelijk werk van anderen in de vorm van een peer review.

In artikel 4.3 van de Meldingsregeling is bepaald dat de CWI adviseert om een klacht niet-ontvankelijk te verklaren als deze niet valt onder de definitie van schending van wetenschappelijke integriteit, waaronder wordt verstaan handelen of nalaten in strijd met de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening. De CWI heeft de klacht getoetst aan deze definitie en daarmee aan de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening.

Het rechtsmiddel wraking kan in dit verband niet worden toegepast en voor de stelling dat de decaan vooringenomen zou zijn bestaat geen grond.

Zonder enig bewijs of onderbouwing stelt Verzoeker dat gebruik zou zijn gemaakt van een advies dat Den Hertog zou hebben geconcipieerd. Den Hertog heeft zich teruggetrokken van de casus en de voorzitter van de CWI heeft zich voor juridisch advies tot een ander gewend. In het advies van de CWI en in het oordeel van het Bestuur staat duidelijk vermeld dat Den Hertog zich heeft teruggetrokken. Het feitelijke advies van de CWI is in nauw overleg met de voorzitter van de CWI opgesteld door de ambtelijke ondersteuning. Er bestaat geen enkele grond voor het oordeel dat de CWI of het Bestuur misleidende mededelingen hebben gedaan.

Verzoeker heeft in 2016 en 2018 ook zijn medisch dossier opgevraagd, maar niet eerder kritiek geuit op de statusvoering door Betrokkene. De volgens Verzoeker ontbrekende stukken dateren van na zijn bezoek op de poli en zien niet direct op zijn behandeling als patiënt. De stelling van Verzoeker dat Betrokkene niet bereid is om zich toetsbaar op te stellen is onjuist en ongefundeerd.

3.5.2 Laatste reactie van Betrokkene

Betrokkene kan zich niet vinden in Verzoekers verwijt dat hij zijn verantwoordelijkheid voor de Richtlijn 2 uit de weg gaat. Zijn reactie aan Verzoeker betrof een specifieke vraag van hem over Richtlijn 1. Betrokkene heeft zijn verbazing uitgesproken over de omstandigheid dat zijn klacht was gericht tegen iemand die niet betrokken was bij een van de gewraakte trials en die geen auteur was van Richtlijn 1. Betrokkene gaat zijn verantwoordelijkheid niet uit de weg en staat achter de toenmalige conclusies en aanbevelingen uit Richtlijn 2. Betrokkene heeft herhaald dat de door Verzoeker gewraakte Richtlijn 1 breed wordt gedragen in het veld.

4. Overwegingen van het LOWI

4.1 Algemeen

Na een ontvankelijk verzoek hiertoe, adviseert het LOWI het Bestuur van een bij het LOWI aangesloten instelling over een door het Bestuur vastgesteld (aanvankelijk) oordeel naar aanleiding van een klacht over een vermoede schending van wetenschappelijke integriteit.

Het LOWI baseert zijn oordeel over de vermoede schending van wetenschappelijke integriteit primair – doch niet uitsluitend – op de normen van wetenschappelijke integriteit die hetzij zijn af te leiden uit de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening 2004, laatstelijk herzien in 2014, hetzij uit de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit, in werking getreden op 1 oktober 2018 (VSNU). Zie voor het beoordelingskader verder www.lowi.nl.

Het oordeel dat een of meer normen van wetenschappelijke integriteit zijn geschonden, leidt niet per definitie ook tot het oordeel dat de wetenschappelijke integriteit is geschonden.

Het LOWI is niet bevoegd om te oordelen over strafrechtelijke, bestuursrechtelijke of civielrechtelijke kwesties noch over wetenschappelijke controversen. Bij het laatste is sprake van een interpretatieverschil c.q. een verschil van mening over een wetenschappelijk oordeel. Wetenschappelijke controversen dienen te worden bediscussieerd en beslecht in het daartoe geëigende forum.

4.2 Toepasselijke regelingen

Op de beoordeling van de klacht is de Meldingsregeling van toepassing. Op de beoordeling van het verzoek is het Reglement LOWI 2018 van toepassing.

Verder is het volgende relevant. Op 1 oktober 2018 is de nieuwe Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit in werking getreden. Deze regeling vervangt de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening. Op grond van de overgangsbepalingen in paragraaf 1.5 van de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit is op de onderhavige casus echter de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening van toepassing. Voor alle duidelijkheid wordt ook opgemerkt dat in de LOWI-procedure daarnaast geen plaats is voor toetsing aan de Wet kkgz, het BW of de Zorgverzekeringswet.

4.3 De (verbindendheid van de) Meldingsregeling

Verzoeker heeft aangevoerd dat de Meldingsregeling onverbindend is, omdat deze niet is vastgesteld door het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit. Het LOWI volgt Verzoeker hierin niet. Het Bestuur (in casu de Raad van Bestuur van het Erasmus MC) heeft immers op grond van artikel 12.3, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek de bevoegdheid tot regeling en bestuur van de zaken van het academisch ziekenhuis in zijn geheel voor zover deze niet aan de raad van toezicht is opgedragen. Niet is gebleken dat de bevoegdheid om een Klachtenregeling te maken is opgedragen aan de raad van toezicht. Het Bestuur is derhalve bevoegd om de Meldingsregeling (een Klachtenregeling) vast te stellen.

Met Verzoeker constateert het LOWI dat de Meldingsregeling op onderdelen afwijkt van het VSNU-model. Dit is echter onvoldoende grond om de Meldingsregeling geheel buiten toepassing te laten. Daarvoor is uitsluitend plaats wanneer de Meldingsregeling in strijd is met een wettelijk voorschrift. Hetgeen Verzoeker in dit verband heeft aangevoerd, is onvoldoende voor die conclusie. Verder is er geen dwingende afspraak om het VSNU-model exact over te nemen. Het VSNU-model is opgesteld om als uitgangspunt en voorbeeld te dienen voor de Klachtenregeling die de instellingen zelf vaststellen. Zij hebben de ruimte om de Klachtenregeling af te stemmen op de eigen situatie.

Het Bestuur heeft zijn oordeel vastgesteld met toepassing van de Meldingsregeling. Aangezien de Meldingsregeling verbindend is en er onvoldoende grond is om de Meldingsregeling in zijn geheel buiten toepassing te laten, zal ook het LOWI de Meldingsregeling tot uitgangspunt dienen te nemen. Dat geldt niet voor de bepalingen over de behandelduur van een melding, aangezien deze in strijd zijn met een wettelijk voorschrift (zie verder onder 4.4).

Overweging ten overvloede, ambtshalve commentaar

Het bovenstaande betekent niet dat het LOWI zich kan vinden in de Meldingsregeling. De van het VSNU-model afwijkende bepalingen zijn geen verbetering ten opzichte van dat model. Voor de onderhavige casus wordt in het bijzonder gewezen op de afwijkende beoordelingssystematiek.

In artikel 4.3, onder e, van de Meldingsregeling is bepaald dat de CWI adviseert om een melding (klacht) niet-ontvankelijk te verklaren indien deze niet valt onder de definitie van wetenschappelijke integriteit in artikel 1, eerste lid, van de Meldingsregeling. Dat betekent dat evident inhoudelijke vragen, zoals de vraag of een bepaalde gedraging al dan niet als wetenschapsbeoefening kan worden aangemerkt en de vraag of die wetenschapsbeoefening al dan niet een schending van de wetenschappelijke integriteit oplevert, worden beantwoord in een oordeel over de ontvankelijkheid van een melding (klacht).

Het LOWI acht dit onjuist. Inhoudelijke vragen dienen te worden beantwoord in een oordeel over de gegrondheid van een melding (klacht), óók in het geval mogelijk reeds bij voorbaat duidelijk is dat de melding (klacht) geen doel kan treffen. De reguliere beoordelingssystematiek biedt meer dan voldoende mogelijkheden om in zo’n geval een vereenvoudigde procedure te volgen. Zo kan een klacht in geval van kennelijk onvoldoende belang van de klager of kennelijk onvoldoende gewicht van de klacht buiten behandeling worden gelaten. Ook kan een klacht vereenvoudigd worden afgedaan, dus zonder de klager te horen, in geval van een kennelijk ongegronde klacht. Er is derhalve geen noodzaak om te kiezen voor deze afwijkende beoordelingssystematiek.

Het LOWI geeft het Bestuur dan ook in overweging om de Meldingsregeling aan te passen. Momenteel wordt het VSNU-model herzien en de verwachting is dat het nieuwe VSNU-model dit jaar beschikbaar komt. Het ligt voor de hand om aan te sluiten bij het geactualiseerde VSNU-model.

Ambtshalve wijst het LOWI het Bestuur op een bevoegdheidskwestie. Het aanvankelijk oordeel is opgesteld in de ik-vorm en ondertekend door de decaan. Daarmee is dit oordeel vastgesteld door de decaan, hetgeen op grond van de Meldingsregeling dient te gebeuren door het Bestuur. Noch uit de formulering, noch uit de ondertekening blijkt dat de decaan in mandaat, namens het Bestuur, heeft gehandeld. Dat geeft aanleiding voor de conclusie dat het aanvankelijk oordeel onbevoegdelijk is vastgesteld. Echter, uit het schriftelijke verweer van het Bestuur van 14 februari 2019 en 20 maart 2019, dat uitdrukkelijk in mandaat namens het Bestuur is gevoerd, blijkt afdoende dat het Bestuur het oordeel van de decaan heeft overgenomen en bekrachtigd.

Aangezien de voortgang van de procedure er niet bij is gebaat om het Bestuur te vragen om het door de decaan vastgestelde aanvankelijk oordeel zelf opnieuw vast te stellen, adviseert het LOWI het Bestuur om in zijn vast te stellen definitief oordeel duidelijk tot uitdrukking te brengen dat dit oordeel afkomstig is van het Bestuur.

4.4 De procedurele klachten en bezwaren van Verzoeker

Klachtonderdeel 1 is dat de Vertrouwenspersoon op 29 juni 2017 een prematuur oordeel heeft gegeven over het conceptklaagschrift van Verzoeker van 26 juni 2017.

Het LOWI is van oordeel dat het Bestuur dit klachtonderdeel terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Meldingsregeling biedt uitsluitend de gelegenheid om een melding (klacht) in te dienen over wetenschappelijk handelen van een medewerker van het Erasmus MC. Het beoordelen van een (concept)klaagschrift is geen wetenschappelijk handelen. Omdat klachtonderdeel 1 niet voldoet aan het gestelde in artikel 2 van de Meldingsregeling, is het Bestuur bevoegd om dit klachtonderdeel op grond van artikel 4.3, onder d en h, van de Meldingsregeling niet-ontvankelijk te verklaren. Verzoekers bezwaren tegen de beoordeling van klachtonderdeel 1 treffen geen doel.

Klachtonderdeel 8 is dat het Bestuur te lang heeft gewacht met het vaststellen van een nieuwe Klachtenregeling zodat de functiescheiding tussen Vertrouwenspersoon en CWI te laat is geëffectueerd.

Het LOWI is van oordeel dat het Bestuur dit klachtonderdeel terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Meldingsregeling biedt de gelegenheid om een melding (klacht) in te dienen over wetenschappelijk handelen van een medewerker van het Erasmus MC. Het vaststellen van een Klachtenregeling is geen wetenschappelijk handelen. Omdat klachtonderdeel 2 niet voldoet aan het gestelde in artikel 2 van de Meldingsregeling, is het Bestuur bevoegd om dit klachtonderdeel op grond van artikel 4.3, onder d en h, van de Meldingsregeling niet-ontvankelijk te verklaren. Verzoekers bezwaren tegen de beoordeling van klachtonderdeel 8 treffen geen doel.

Klachtonderdeel 9 is dat het Bestuur door het als vast lid van de CWI aanstellen van Den Hertog heeft gehandeld in strijd met het vereiste dat klachtafhandeling onafhankelijk geschiedt.

Het LOWI is van oordeel dat het Bestuur dit klachtonderdeel terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Meldingsregeling biedt de gelegenheid om een melding (klacht) in te dienen over wetenschappelijk handelen van een medewerker van het Erasmus MC. Het benoemen van een lid van de CWI is geen wetenschappelijk handelen. Omdat klachtonderdeel 9 niet voldoet aan het gestelde in artikel 2 van de Meldingsregeling, is het Bestuur bevoegd om dit klachtonderdeel op grond van artikel 4.3, onder d en h, van de Meldingsregeling niet-ontvankelijk te verklaren.

In vervolg op klachtonderdeel 9 heeft Verzoeker in de procedure bij het LOWI opnieuw aangevoerd dat Den Hertog geen lid mag zijn van de CWI, dat zij in casu wel als zodanig heeft gefunctioneerd en dat de CWI met vooringenomenheid heeft geoordeeld. Op grond van artikel 13, eerste lid, van het Reglement LOWI 2018 toetst het LOWI onder meer of het oordeel voldoet aan de eisen van een zorgvuldige klachtbehandeling. Dat brengt met zich mee dat bezwaren tegen de samenstelling van de CWI ontvankelijk zijn bij het LOWI.

Daarbij wordt echter de volgende kanttekening gemaakt. Het is uitdrukkelijk niet de taak van het LOWI om een algemeen oordeel te geven over de personele samenstelling van een CWI. Het LOWI doet hier dan ook geen uitspraak over de door Verzoeker opgeworpen kwestie of de functie van advocaat in loondienst in de weg staat aan een benoeming als lid van de CWI en of Den Hertog in zijn algemeenheid geen lid mag zijn van de CWI. Het LOWI toetst uitsluitend of de in casu betrokken CWI de klacht zonder vooringenomenheid heeft beoordeeld.

Voor die toetsing is het volgende van belang. Zoals ook eerder is uiteengezet (zie onder meer LOWI-advies 2018-02) is het uitgangspunt dat de leden van de CWI uit hoofde van hun functie worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een bijzondere omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de CWI vooringenomenheid koestert of dat de daarvoor bij een partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Alleen het subjectieve oordeel bij die partij is onvoldoende. Het is aan de betreffende partij om aannemelijk te maken dat zo’n bijzondere omstandigheid zich voordoet. Verzoeker is hierin niet geslaagd. Zijn enkele stelling dat het CWI-advies dermate onbegrijpelijk is dat het alleen kan worden verklaard door vooringenomenheid jegens Verzoeker, is onvoldoende. Het is duidelijk dat Verzoeker het niet eens is met dit advies, maar dat is geen grond voor het oordeel dat de CWI vooringenomen was.

Verder heeft Verzoeker gesteld dat het niet waar is dat Den Hertog zich heeft teruggetrokken voor de beoordeling van de casus en dat Den Hertog het CWI-advies heeft geconcipieerd. Deze stelling is gebaseerd op aannames van Verzoeker en niet met objectieve bewijsstukken onderbouwd. Verzoeker kan hierin niet worden gevolgd.

Van vooringenomenheid bij de CWI is niet gebleken. Evenmin is aannemelijk geworden dat Den Hertog, in afwijking van hetgeen de CWI en het Bestuur daarover hebben gemeld, heeft deelgenomen aan de advisering door de CWI of deze heeft voorbereid. Verzoekers bezwaren tegen de samenstelling van de CWI treffen geen doel.

Klachtonderdeel 10 is dat de mededeling van 31 juli 2018 van de CWI over de langere doorlooptijd van de klachtbehandeling in strijd is met een goede procesorde en met artikel 9:2 van de Awb.

Het LOWI is van oordeel dat het Bestuur dit klachtonderdeel terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Meldingsregeling biedt de gelegenheid om een melding (klacht) in te dienen over wetenschappelijk handelen van een medewerker van het Erasmus MC. Het hanteren van een (te lange) doorlooptijd van een klacht is geen wetenschappelijk handelen. Omdat klachtonderdeel 10 niet voldoet aan het gestelde in artikel 2 van de Meldingsregeling, is het Bestuur bevoegd om dit klachtonderdeel op grond van artikel 4.3, onder d en h, van de Meldingsregeling niet-ontvankelijk te verklaren.

In vervolg op klachtonderdeel 10 heeft Verzoeker in de procedure bij het LOWI opnieuw aangevoerd dat de behandelduur van de klacht te lang was. Op grond van artikel 13, eerste lid, van het Reglement LOWI 2018 toetst het LOWI onder meer of het oordeel voldoet aan de eisen van een zorgvuldige klachtbehandeling. Dat brengt met zich mee dat bezwaren tegen de duur van de klachtbehandeling ontvankelijk zijn bij het LOWI.

Verzoeker kan erin worden gevolgd dat de niet-ontvankelijkverklaring van de klacht te lang heeft geduurd. In artikel 4.3, onder f, van de Meldingsregeling is bepaald dat de CWI het Bestuur binnen zes weken na ontvangst van een melding adviseert over de ontvankelijkheid. De klacht is ingediend op 25 juni 2018 en voor het eerst aangevuld op 9 juli 2018. Gerekend vanaf die eerste aanvulling (de tweede aanvulling op 14 augustus betreft immers juist de aangekondigde termijnoverschrijding) zou de CWI op 20 augustus 2018 hebben moeten adviseren over de ontvankelijkheid van de klacht. Dat is echter pas op 21 september 2018 gebeurd, zodat de behandeling van de klacht langer heeft geduurd dan volgens de Meldingsregeling is toegestaan.

Belangrijker is echter dat de behandeltermijn eveneens langer is geweest dan volgens artikel 9:11, eerste lid, van de Awb is toegestaan. Op grond van artikel 9:11, eerste lid, van de Awb wordt een klacht, ingeval van een klachtadviesprocedure, binnen tien weken na ontvangst van het klaagschrift afgehandeld. Op grond van artikel 9:11, tweede lid, van de Awb kan het bestuursorgaan de afhandeling voor ten hoogste vier weken verdagen. Nu van schriftelijke instemming van Verzoeker met verder uitstel (artikel 9:11, derde lid, van de Awb) geen sprake was, is de behandeltermijn van de klacht van Verzoeker langer geweest dan de op grond van artikel 9:11, eerste en tweede lid, van de Awb toegestane termijn van maximaal veertien weken na ontvangst van het klaagschrift.

Het LOWI wijst erop dat artikel 9:11 van de Awb een dwingendrechtelijke wettelijke bepaling is, waaraan het Bestuur als bestuursorgaan is gehouden en waarmee de Meldingsregeling in strijd is. De Meldingsregeling bepaalt immers afzonderlijke termijnen voor ontvankelijkheidsadvisering (zes weken) en vaststelling van het oordeel door het Bestuur (vier weken) en stelt geen termijn voor de inhoudelijke advisering door de CWI. Op het punt van de behandelduur van klachten dient de Meldingsregeling buiten toepassing te blijven.

Verzoekers bezwaren tegen de duur van de klachtbehandeling treffen doel. Het verzoek is gegrond, voor zover het is gericht tegen de te lange behandelduur van de klacht. Dit oordeel leidt echter niet tot een advies van het LOWI aan het Bestuur om een inhoudelijk gewijzigd definitief oordeel vast te stellen. Onder 4.5 wordt hierop nader ingegaan. Wel adviseert het LOWI het Bestuur om de termijnen in de Meldingsregeling in overeenstemming te brengen met de Awb.

4.5 De inhoudelijke klachten en bezwaren van Verzoeker

Zoals hierboven al is overwogen neemt het LOWI bij zijn advisering de Meldingsregeling, met uitzonderingen van de bepalingen over de behandelduur, tot uitgangspunt. Dat betekent dat voor (de beoordeling van) de klachtonderdelen 2 tot en met 7 allereerst van belang is of het door Verzoeker gewraakte handelen van Betrokkene kan worden aangemerkt als wetenschapsbeoefening. Zo niet, dan is het Bestuur op grond van artikel 4.3, onder e en h, van de Meldingsregeling bevoegd om ook deze klachtonderdelen niet-ontvankelijk te verklaren.

Het LOWI overweegt als volgt.

Wanneer over het handelen van een wetenschapper een integriteitsklacht wordt ingediend, is de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening leidend bij de beoordeling van die klacht. De Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening is alleen van toepassing als het gewraakte handelen van de wetenschapper kan worden gekwalificeerd als wetenschapsbeoefening. Dat volgt uit de preambule, waarin is vermeld dat deze code van toepassing is op ‘de wetenschapsbeoefening, waaronder wordt verstaan wetenschappelijk onderwijs en onderzoek aan alle universiteiten die hebben verklaard deze code tot uitgangspunt te nemen’.

De Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening bevat geen nadere opsomming van handelingen die als wetenschapsbeoefening moeten worden aangemerkt, zodat het LOWI zich meermalen heeft moeten buigen over de vraag of een bepaalde handeling van een wetenschapper al dan niet geldt als wetenschapsbeoefening. Zie LOWI-adviezen 2012-01, 2012-02, 2014-04, 2015-01, 2015-07, 2016-05, 2016-07, 2016-08, 2016-10, 2017-04, 2017-06, 2018-05 en 2018-19.

Kort samengevat is de huidige LOWI-lijn als volgt. De omstandigheid dat een wetenschapper een handeling verricht is op zichzelf onvoldoende om die handeling als wetenschapsbeoefening te kwalificeren, ook niet als de wetenschapper daarbij zijn wetenschappelijke titels heeft gevoerd. Doorslaggevend is of een handeling naar haar aard en inhoud kan worden opgevat als wetenschapsbeoefening. Daarbij is het volgende van belang. Wetenschapsbeoefening is primair gericht op het initiëren en het bevorderen van het wetenschappelijke debat en wetenschappelijk onderzoek kenmerkt zich door de formulering van een wetenschappelijke probleemstelling, een verantwoording van dat onderzoek door verwijzing naar eerdere wetenschappelijke onderzoeksresultaten, het doel van publicatie in wetenschappelijke tijdschriften en door de gerichtheid van het onderzoek op het wetenschappelijke forum. Deze opsomming van kenmerken is niet uitputtend en er hoeft niet altijd aan elk van deze kenmerken te worden voldaan.

De klacht van Verzoeker betreft een gesprek dat Betrokkene op 10 mei 2017 met hem had en zijn schriftelijke weergave daarvan in een brief van 29 mei 2017 aan Verzoeker.

De vraag die nu voorligt is of het gesprek en/of de brief kunnen worden gekwalificeerd als wetenschapsbeoefening. Zo ja, dan moet inhoudelijk worden beoordeeld of gesprek en brief voldoen aan de principes en uitwerkingen van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening. Zo nee, dan is het Bestuur op grond van artikel 4.3, onder e en h, van de Meldingsregeling bevoegd om deze inhoudelijke beoordeling achterwege te laten en klachtonderdelen 2 tot en met 7 niet-ontvankelijk te verklaren. Terzijde wordt opgemerkt dat toepassing van de reguliere beoordelingssystematiek in dat geval zou leiden tot een (kennelijk) ongegrondverklaring van de klacht. Uitganspunt moet hier echter zijn de Meldingsregeling.

Het gesprek, wetenschapsbeoefening?

Het LOWI is van oordeel dat het gesprek met Verzoeker niet kan worden aangemerkt als wetenschapsbeoefening. De omstandigheid dat in het gesprek een wetenschappelijk onderwerp is bediscussieerd, is daarvoor onvoldoende.

Verzoeker is voor zijn aandoening doorverwezen naar Betrokkene. Het gesprek heeft plaatsgevonden tussen Betrokkene in de hoedanigheid van arts en Verzoeker in de hoedanigheid van patiënt. In dat kader moeten overigens ook een vraag als “waarom komt u bij mij?” worden beschouwd. Dat is een standaardvraag die een arts stelt in de behandelrelatie. De arts gaat in op de hulpvraag van de patiënt, onder meer gebruik makend van zijn wetenschappelijke kennis en wordt geacht desgevraagd zijn advies toe te lichten. Daarbij kan hij bijvoorbeeld uitleggen waarom hij meent dat een richtlijn of een wetenschappelijk artikel al dan niet van toepassing is. Als de patiënt het daarmee oneens is, is dat diens goed recht en daarover kan ook worden gesproken. Het tussen arts en patiënt bespreken of bediscussiëren van een wetenschappelijk onderwerp is echter geen situatie van wetenschapsbeoefening. Bij patiëntenzorg komen weliswaar wetenschappelijke inzichten aan bod, maar daarmee wordt patiëntenzorg zelf geen wetenschapsbeoefening.

Aan geen van de kenmerken van wetenschapsbeoefening is voldaan. Voor zover de klacht betrekking heeft op het gesprek tussen Betrokkene en Verzoeker, is het Bestuur op grond van artikel 4.3, onder e en h, van de Meldingsregeling bevoegd om de klacht niet-ontvankelijk te verklaren. Dat betekent dat een inhoudelijke beoordeling van Verzoekers standpunt dat het gesprek niet voldoet aan de principes en uitwerkingen van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening niet aan de orde is. Ten overvloede merkt het LOWI op dat niet is gebleken dat Betrokkene zich in het gesprek onheus of onprofessioneel zou hebben gedragen, integendeel.

De brief, wetenschapsbeoefening?

Het LOWI is van oordeel dat de brief van Betrokkene niet kan worden aangemerkt als wetenschapsbeoefening. De omstandigheid dat de brief een nadere uitleg bevat van de stand van zaken in de wetenschap, is daarvoor onvoldoende.

Betrokkene heeft in de brief verslag gedaan van zijn beleving van het gesprek en nogmaals schriftelijk gereageerd op de vraag van Verzoeker. Betrokkene heeft naar aanleiding van het door Verzoeker gestelde uiteengezet wat de algemene opinie is in het wetenschappelijke veld. Dit kan niet worden gelijkgesteld aan het formuleren van wetenschappelijke conclusies naar aanleiding van wetenschappelijk onderzoek. De brief bevat geen wetenschappelijke probleemstelling, geen beschrijving van een onderzoeksproces, geen wetenschappelijke analyse. Een wetenschappelijke publicatie in een wetenschappelijk tijdschrift is duidelijk niet beoogd.

De brief is niet gericht op het wetenschappelijk forum. Evenmin is de brief gericht op een breed publiek van ontwikkelde leken met als doel om wetenschappelijke vindingen onder de aandacht te brengen. De brief is uitsluitend gericht op Verzoeker en slechts bedoeld om hem te informeren over de opinie in het wetenschappelijke veld en de gelijkluidende opinie van Betrokkene. Wetenschapsbeoefening is primair gericht op het initiëren en het bevorderen van het wetenschappelijke debat. In de brief ontbreekt die gerichtheid volledig.

Dat Verzoeker zegt een wetenschappelijk debat te willen voeren, hetgeen uit zijn handelen overigens niet blijkt, betekent niet dat aan Betrokkene eenzelfde intentie moet worden toegeschreven. Elk aanknopingspunt daarvoor ontbreekt. Uit niets blijkt dat de brief is geschreven als bijdrage aan het wetenschappelijk onderzoek naar (de behandeling van) de aandoening van Verzoeker.

Van een peer review, te weten het beoordelen van het wetenschappelijke werk van anderen, of van een wetenschappelijk auditrapport met een ruimere toepasselijkheid dan alleen de concrete casus is evenmin sprake.

Aan geen van de kenmerken van wetenschappelijk onderzoek is voldaan. Voor zover de klacht betrekking heeft op de brief van Betrokkene aan Verzoeker, is het Bestuur op grond van artikel 4.3, onder e en h, van de Meldingsregeling bevoegd om de klacht niet-ontvankelijk te verklaren. Dat betekent dat een inhoudelijke beoordeling van Verzoekers standpunt dat de brief niet voldoet aan de principes en uitwerkingen van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening niet aan de orde is.

Ten overvloede merkt het LOWI op dat het met de CWI van mening is dat Betrokkene blijk heeft gegeven van een professionele attitude van eerlijkheid en zorgvuldigheid. Het indienen van een klacht over Betrokkene is niet de aangewezen weg om de bij Verzoeker bestaande bezwaren tegen Richtlijn 1 of de daaraan ten grondslag liggende trials onder de aandacht te brengen.

5. Oordeel en advies van het LOWI

Het LOWI is van oordeel dat het verzoek gegrond is voor zover het is gericht tegen de te lange behandelduur van de klacht en voor het overige ongegrond.

Het Bestuur kan het aanvankelijk oordeel ongewijzigd overnemen als definitief oordeel, met dien verstande dat dit definitieve oordeel door (of uitdrukkelijk namens) het Bestuur moet worden vastgesteld.

Prof. mr. W.J. Zwalve, (plv.) Voorzitter

mr. H.M.L. Frons, Ambtelijk Secretaris

Print Friendly, PDF & Email