Categorieën
Advies

Advies 2013-06

Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit

Advies van … 2013 van het LOWI inzake de klacht van … 2013 van … tegen het (voorlopig) besluit van het College van Bestuur … van … 2012.

1. De klacht

Op … 2013 heeft …, hierna te noemen Klager, een klacht ingediend bij het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI). Klager heeft op verzoek van het LOWI zijn klacht nader onderbouwd met bijlagen bij e-mail van … 2013. De klacht van Klager is gericht tegen het (voorlopig) Besluit van het College van Bestuur … (hierna het Bestuur) van … 2012. Hierin verklaart het Bestuur de klacht van …… van … 2012 inzake schending van wetenschappelijke integriteit door Klager gegrond. Het Bestuur volgt het advies van de Commissie Wetenschappelijke Integriteit (hierna: CWI) van … 2012.

2. De procedure

De klacht van Klager van … 2013 tegen het voorlopig besluit van het Bestuur van … 2012 is conform het Reglement LOWI tijdig ingediend en voldoet ook voor het overige aan de eisen om in aanmerking te komen voor behandeling door het LOWI. Het LOWI heeft bij brief van … 2013 Klager en het Bestuur dienovereenkomstig geïnformeerd.

Het Bestuur heeft op verzoek van het LOWI een verweerschrift d.d. … 2013 aan het LOWI doen toekomen. Bij e-mails van … 2013 zijn …… (hierna ……) en …… (hierna ……) door het LOWI uitgenodigd voor een informatief gesprek. Vanwege beider …verblijf in het buitenland zijn de vragen van het LOWI aan …… resp. … bij e-mail gesteld en door …resp.… beantwoord bij e-mails van … 2013 resp. … 2013. Alle stukken zijn over en weer tussen partijen uitgewisseld met de mogelijkheid te reageren, hetgeen door beiden is geschied ter hoorzitting d.d. … 2013. Deze hoorzitting heeft in de… taal plaatsgevonden. De notulen van de hoorzitting zijn aan partijen toegezonden en gefiatteerd.

Het LOWI advies wordt, zoals te doen gebruikelijk, op termijn in geanonimiseerde vorm op de website van het LOWI openbaar gemaakt.

Het LOWI stelde zijn advies, na ampele beraadslaging, vast in zijn vergadering van … 2013. Vanwege … kon dit advies niet eerder dan … definitief worden vastgesteld. Het LOWI excuseert zich voor de vertraging in de behandeling van deze zaak.

3. Feiten zoals die in procedure bij de CWI/Bestuur vast zijn komen te staan en waar het LOWI op basis van het dossier van is uitgegaan.

3.1 …… heeft in het academisch jaar … deel genomen aan het … (hierna: …). Zij werkte onder supervisie van onder meer Klager. Klager heeft als supervisor bij … gewerkt: … van … … tot … en …. van … tot … . Klager had eerder gepubliceerd over de ‘…’ en was als supervisor als enige een expert op het gebied van … om ten aanzien hiervan input te geven aan de studenten.

Beide andere supervisors – … en …, beiden PhD candidates op dat moment – richtten zich meer op de ‘….’ Onderzoek naar de ‘…’ meer in het algemeen vond plaats onder leiding van het Hoofd en de Coordinator van …, te weten … respectievelijk … (hierna te noemen: … resp. …) ….. werkte onder supervisie van Klager en beide andere supervisors, tezamen met … andere studenten, aan de ‘…’. Een medestudent zorgde voor doorzending van de door de studenten opgestelde memo’s aan de supervisors.

3.2 In … besluit Klager om een artikel te schrijven over ‘….’ Klager erkent dat hij daarbij ‘drew considerably from a research memo prepared under the framework of ….’ (Klacht … ). Klager bedankt in zijn publicatie om die reden in een acknowledgement ook de studenten als collectief omdat hij zich ervan bewust is dat bij de memo sprake is van ‘joint work’ waaraan ook hij, als supervisor, mede heeft bijgedragen. De publicatie, die reeds dan is geaccepteerd door …, legt Klager in een email van … 2010 voor aan de leidinggevende van …, …, met de vraag om zijn visie te geven ten aanzien van de formulering van de acknowledgement.

Klager laat in deze email weten de volgende formule te gebruiken voor zijn acknowledgement ‘[to] acknowledge the work of ….’ (Klacht … ): “I am very grateful to the students participating in the … for their in valuable research assistance” . … schrijft in een email van … 2010 het artikel te hebben gelezen en geeft geen inhoudelijk commentaar op de acknowledgement. Klager stelt daarbij dat ‘Neither him, nor I, knew at that point in time that the research memo prepared by … students was in actual fact solely authored by […] and that a considerable part of the memo remained verbatim in the article.’ (Klacht …).

3.3 … beklaagt zich bij e-mail van … 2011 bij Klager. Zij stelt dat Klager ten minste 75% van zijn publicatie heeft overgenomen van een van haar memo’s die zij had opgesteld in het kader van …, waarvan een groot deel letterlijk c.q. verbatim. Op … reageert Klager per email aan ……, …, … en … (met cc de andere acht participanten aan …) en doet daarin onder andere het voorstel dat … en … als mediators optreden bij dit gerezen geschil en het probleem van de juiste vermelding van de bijdragen van de participanten (i.c. de juiste formulering van de acknowledgement).

Na op … te zijn gevraagd door … om haar oplossing te geven voor de gerezen situatie verzoekt … bij e-mail van … 2011 aan de mediator en … te bewerkstelligen dat Klager de publicatie intrekt. Klager stelt bij e-mail van … 2011 het Hoofd, …, en de andere mediator, de Coordinator, …, in reactie hierop voor om de acknowledgement aan te passen en … en … bij naam te noemen. Deze email van … 2011 is niet gezonden aan …, ook niet cc. … zegt dat dit voorstel haar nooit bereikt heeft, ook niet via doorzending door … en …, waarop … ervan uitgaat dat het Hoofd van …, …, feitelijk instemt met de publicatie van Klager.

3.4 Klager stelt na een nieuwe vergelijking van de memo van … met zijn publicatie en na een telefoongesprek met de editor van …, …, bij e-mail van … en … 2011 aan de mediators voor om … mede-auteur te laten zijn van de publicatie (ook ditmaal zonder cc aan …). De editor van het … tijdschrift … zegt aan deze oplossing te willen meewerken. Per email van … 2011 laat … aan … weten dat hij het voorstel tot co-auteurschap met … zal bespreken: “Then, let’s do it this way. I let you know the result of my conversations with … and depending on the result you can proceed in the way (Mr. x) proposes in his email”. Per email van … bevestigt … aan … dat … binnen enkele dagen zal spreken met … : “… will be approaching … these days what her position is on this proposal. Afterwards we will take up the issue with the …… Board. I hope that the matter will be resolved in the coming few weeks”.

Daarna probeert … via zijn studentassistent … … te bereiken hetgeen mislukt (“second hand message”). … vertrekt voor …maanden naar …. Voor zover het LOWI kan nagaan is er na … 2011 door de mediators niets meer ondernomen noch iets van hen vernomen. Het voorgestelde gesprek of emailwisseling tussen … en … over het voorstel tot co-auteurschap heeft nimmer plaatsgevonden.

3.5 Dit aanbod van Klager aan … blijkt … dus nooit te hebben bereikt, ook niet nadat Klager het Hoofd van …, …, aan het aanbod herinnerde in een internet-chat van … 2011 en … wederom belooft met … contact op te nemen. … dient vervolgens op … 2012, een klacht in bij de CWI resp. het Bestuur aangaande een vermoede schending van wetenschappelijke integriteit door Klager. Eerst in de procedure wordt … bekend gemaakt met het aanbod van Klager om mede-auteur te worden, welk aanbod zij op dat moment afwijst.

Op … 2012 ontvangt Klager per email een bericht van …, hoofd van het Departement …, waarin hem wordt meegedeeld dat het door … gedane aanbod voor een tijdelijk lectureship voor de periode van … tot … wordt ingetrokken, vanwege het feit dat er een klacht jegens hem is ingediend bij de Commissie Wetenschappelijke Integriteit, betreffende een beschuldiging van plagiaat.

… beschuldigt Klager in haar klacht van … 2012, kort samengevat, van plagiaat in zijn artikel “…” in de …, Volume …, Issue …, … (hierna publicatie). … stelt dat ongeveer 47% (nagenoeg) verbatim van drie van haar memo’s door haar in het kader van de … door Klager zijn overgenomen in zijn publicatie.

Meer concreet stelt … dat Klager van de… woorden inclusief voetnoten … woorden exclusief voetnoten (circa 47%) letterlijk of nagenoeg letterlijk heeft overgenomen uit de drie memo’s die zij had geconcipieerd voor …. De CWI stelt vast dat ongeveer 26% van de publicatie verbatim is overgenomen van een memo van …. Dit wordt door Klager niet ontkend waar hij in zijn klacht van … , zelf stelt ‘which is similar to my own comparison’ (… bladzijden van een … bladzijden tellend wetenschappelijk artikel).

4. De standpunten van partijen

4.1 Het standpunt van Klager

Kort samengevat luidt het standpunt van Klager in zijn klacht van … 2013 (nader toegelicht in de hoorzitting c.q. notulen van de hoorzitting van … 2013 en in de bijlagen 1 en 2) nagenoeg overeenkomstig zoals in eerste instantie, dat:

  • de CWI de klacht van … niet had mogen behandelen c.q. niet-ontvankelijk had moeten verklaren om reden dat haar klacht zich richt tegen de publicatie en Klager de publicatie heeft voorbereid en geschreven in een periode (… ) dat hij niet in dienst was van …;Klager in het kader van … niet gewezen is op de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening VSNU 2004, laatstelijk gewijzigd op 25 mei 2012 (hierna Code of Conduct VSNU;ook Gedragscode), maar slechts op (de algemene bepalingen van) de … Agreement, de Memorandum…, en …;
  • Klager zich niet bewust was dat de litigieuze memo van … die hij als uitgangspunt hanteerde voor zijn publicatie, door haar alleen geschreven was, maar dat hij meende dat het ging om joint work waartoe hij als supervisor had bijgedragen;
  • Klager uit hoofde van de Strategy of … het initiatief mocht nemen voor het schrijven van een publicatie over dit joint work;
  • Klager de anderen die bijgedragen hadden aan de litigieuze memo heeft bedankt door middel van een acknowledgement bij de publicatie, die door het Hoofd van … is nagezien en goedgekeurd;
  • Klager zich mede beroept op de internationale gang van zaken waarbij gebruik wordt gemaakt van onderzoek door studenten zonder dat sprake is van plagiaat;
  • Klager zich niet bewust was dat een aanzienlijk deel van de litigieuze memo van … letterlijk in de publicatie was blijven staan;
  • Klager stelt dat de Code of Conduct VSNU bovendien onnodige of onevenredige schade aan de belangen van derden vereist waarvan bij … geen sprake is;
  • Klager wijst op het ontbreken van duidelijke regels binnen … over publicatie van gezamenlijk werk c.q. memo’s van studenten;
  • Klager conform de … Agreement van … instemming voor de publicatie had verzocht aan en ook verkregen had van het Hoofd van …, …;
  •  … heeft de ….Agreement van … ondertekend en daarmee haar (auteurs)rechten overgedragen, mede als gevolg waarvan haar memo eigendom werd van …;
  • Klager heeft zodra hij bekend was dat … de enige auteur was van de memo die hij als uitgangspunt voor zijn publicatie had gehanteerd, haar via de mediators, aangeboden mede-auteur te worden, hetgeen zij geweigerd heeft en zij ook voor het overige niet welwillend is om tot een oplossing te komen;
  • Klager verwijt de mediators verzaakt te hebben om in een vroeg stadium adequaat op te treden;
  • De uiteindelijke publicatie en de litigieuze memo van … inhoudelijk aanzienlijk verschillen.

Klager stelt zich dan ook mede op grond hiervan op het standpunt dat in het onderhavige geval geen sprake is van plagiaat. Het LOWI citeert zijn klachtbrief:

‘I respectfully request LOWI to find that there is no instance of plagiarism in this case. At most this situation could be considered as a lapse of judgment, which while potentially reprimandable, arose in an unusual and new learning environment and could have been rectified by the parties with the help of the mediators, without going to such great lengths.’

Klager verzoekt het LOWI dan ook (I) zijn klacht te behandelen, dat de beschuldiging van plagiaat in dit geval niet juist is, en (II) aangezien … weigert om mede-auteur te worden, hem in de gelegenheid te stellen de delen van de ligitieuze memo van … die in de publicatie zijn blijven staan te wijzigen en de publicatie opnieuw in te dienen, voor zover de … daarmee kan instemmen.

4.2 Het standpunt van het Bestuur

Het standpunt van het Bestuur is vervat in zijn (voorlopig) Besluit van … 2012 waarin het Bestuur het advies van de CWI volgt. Het bestuur heeft zijn standpunt nader toegelicht in zijn verweerschrift van … 2013 met bijlagen. Het verweerschrift is door het Bestuur in persoon van … en … nader toegelicht tijdens de hoorzitting van … 2013.

Kort samengevat luidt het standpunt van het Bestuur dat:

  • De CWI de klacht van … heeft kunnen behandelen omdat de klacht van … gerelateerd was aan het handelen van Klager toen hij in dienst was van …;
  • De CWI het handelen van Klager heeft getoetst aan de Code of Conduct VSNU waarbij het gaat om de vraag of Klager wetenschappelijk integer heeft gehandeld;
  • De CWI het handelen van Klager om die reden niet heeft getoetst aan het auteursrecht;
  • De CWI voor de definitie van plagiaat ter nadere uitwerking van de Code of Conduct VSNU wijst naar de voor een ieder toegankelijk website van …, waarop ook de Code of Conduct VSNU te vinden is;
  • De CWI erop wijst dat de Code of Conduct niet als voorwaarde stelt dat sprake moet zijn van onnodige of onevenredige schade om sprake te zijn van plagiaat, en bovendien … in die zin schade lijdt dat zij beperkt is geraakt in het gebruik van haar eigen memo als publicatie;
    – De CWI erop wijst dat de litigieuze memo van … niet als achtergrondinformatie is gehanteerd maar als uitgangspunt waarbij ten minste 26% verbatim is overgenomen, zowel qua inhoud als onderwerp;
  • De CWI van oordeel is dat voor zover de stelling van Klager wordt gevolgd, dat het bij de memo van … gaat om een gezamenlijk werk van studenten, het niet om eigen werk van Klager gaat, en Klager in zo’n geval de bron had moeten vermelden in zijn publicatie c.q. had moeten nagaan wie de auteurs ervan waren;
  • De CWI bovendien van oordeel is dat Klager eerst instemming vroeg aan het Hoofd van … nadat de publicatie al was geaccepteerd door de redactie van de …, en het Hoofd daarbij niet bekend was gemaakt met het feit dat een aanzienlijk deel verbatim was overgenomen van een memo van …;
  • De CWI is ten slotte van oordeel dat uit het feit dat Klager aan … een aanbod heeft gedaan om mede-auteur van de publicatie te worden, hij daarmee heeft erkend dat sprake is geweest van een substantiële bijdrage door … aan de publicatie waardoor een acknowledgement om die reden reeds ontoereikend is.

Het Bestuur stelt zich dan ook op het standpunt dat het terecht het advies van de CWI van … 2012 heeft kunnen overnemen en blijft derhalve bij zijn (voorlopig) besluit van … 2012.

Advies CWI van … 2012

De CWI stelt kort samengevat dat sprake is van plagiaat conform de definitie in de ….regeling zoals deze in de opleiding bij de … wordt gehanteerd en sprake is van een schending van wetenschappelijke integriteit conform de principes van goed wetenschappelijk onderwijs en onderzoek zoals deze zijn vastgelegd in de Code of Conduct VSNU.

De CWI concludeert daarop dat:

‘Everything taken into consideration, the committee finds the complaint that defendant committed plagiarism and thereby acted contrary to the general principles of good academic practice.’

De CWI erkent daarbij dat de mediators ook in haar ogen meer actief hadden moeten optreden.

De CWI doet voorts een aantal aanbevelingen aan het Bestuur waaronder (a) qua maatregel: om de redactie van … (hierna: ……) te informeren omtrent het advies van de CWI, en (b) de regels te verduidelijken omtrent publicatie over gezamenlijk werk c.q. het werk van studenten in het kader van ….

4.3 Schriftelijke informatie, verkregen van betrokkenen

Op verzoek van het LOWI hebben … en … kort samengevat als volgt geantwoord in reactie op schriftelijk vragen van het LOWI: het LOWI citeert:

  • ‘I stand by all my previous submissions sent to …
  • An acknowledgement of contribution is far different from lifting, verbatim, text from a document written by someone else. (…) This does not require post-facto acknowledgement: It requires permission and co-authorship credit;
  • I do not recall any late offer of co-authorship from … (complainant). In any event, I do not want to be professionally associated with him;
  • I consider my contributions original and creative. (…) I was never informed that such intellectually creative contributions would simple be raw material for my supervisor to use in a publication under his own name. My understanding was that my contributions would be used by the client for their research files.’


‘It was unthinkable to me that … (complainant) had used one of the many drafts prepared by the students of … in the way … pointed out in her allegations;

  • – If I had read the article at the time … (complainant) sent it to me in … 2010, it would not have been possible for me to know that parts of the article were exactly the same as those submitted by the students in one of the many drafts they prepare in ….
  •  … (..) was set up in the academic year …. (and therefore, some of the administrative procedure were later streamlined as a result of experience achieved that year);
  •  … (complainant) was fully aware that I would have never authorized the publication of an article in which parts of it were taken verbatim from the work of students.’

5. De overwegingen van het LOWI

Het LOWI is een adviesorgaan dat is opgericht op initiatief van het KNAW, NWO en VSNU.

5.1 Algemene opmerkingen

Het LOWI adviseert de bij het LOWI aangesloten instellingen (KNAW, NWO, VSNU en Stichting Sanquin) over door de besturen van voornoemde instellingen genomen (voorlopig) besluiten inzake schending van wetenschappelijke integriteit na een (ontvankelijke) klacht hierover bij het LOWI.

Het LOWI baseert zijn oordeel over schending van wetenschappelijke integriteit op – doch niet uitsluitend – de normen van wetenschappelijke integriteit die zijn af te leiden uit de Notitie Wetenschappelijke Integriteit 2001 (KNAW, NWO, VSNU), de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening 2004 herzien in 2012 (VSNU), de Notitie Wetenschappelijk Onderzoek: dilemma’s en verleidingen, 2005 tweede druk (KNAW) dat een nadere uitwerking is van de Notitie Wetenschappelijke Integriteit van 2001, Best Practices for Ensuring Scientific Integrity and Preventing Misconduct 2007 (OECD), The European Code of Conduct for Research Integrity 2010 (ESF, ALLEA) en The Singapore Statement on Research Integrity 2010 (Second World Conference on Research Integrity).

Het gaat hier niet om nieuwe maar om bekende en reeds lang voor codificatie bestaande normen van wetenschapsbeoefening waaraan werd – en wordt – afgemeten wanneer en onder welke omstandigheden sprake is van schending van wetenschappelijke integriteit. Het uitgangspunt bij de beoordeling van schending van wetenschappelijke integriteit voor het LOWI is in beginsel de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening 2004/2012 (hierna ook Gedragscode).

Schending van deze normen hoeft tevens niet per definitie tot een schending van wetenschappelijke integriteit te leiden. Sprake kan zijn van (verwijtbaar) onzorgvuldig handelen zonder dat dit tevens resulteert in schending van wetenschappelijke integriteit. Het LOWI oordeelt of in een concreet, zoals onderhavig, bepaalde normen van de Gedragscode zijn geschonden en of in dat geval tevens schending van wetenschappelijke integriteit heeft plaatsgevonden.

Het LOWI is uitsluitend bevoegd te oordelen over klachten aangaande de procedure en de inhoud van vermoede schendingen van wetenschappelijke integriteit. Het LOWI is niet bevoegd om te oordelen over civiele kwesties inclusief auteursrechtelijke kwesties.

In het onderhavige geval leidt dit ertoe dat het LOWI uitsluitend kan oordelen over de klachten van Klager die betrekking hebben op het vermeende plagiaat en niet in kan gaan op argumenten met betrekking tot de eventuele overdracht van auteursrechten door … aan ….

5.2 De klachten van Klager

Klager heeft in zijn klachtschrift van … 2013 vijftien klachten geformuleerd ten aanzien van het (voorlopig) besluit van het Bestuur van … 2012 en het daaraan ten grondslag liggende advies van de CWI van … 2012. De klachten zijn nagenoeg identiek aan de verweren, die Klager reeds naar voren heeft gebracht in zijn verdediging bij de CWI tegen de beschuldiging van plagiaat. Het LOWI zal hierna onder 5.3 een deel van deze klachten, in het bijzonder die klachten die formeel van aard zijn, beoordelen. Het LOWI komt in de beoordeling van deze klachtonderdelen tot een bevestiging van het oordeel en het advies van de CWI.

Drie inhoudelijke klachtonderdelen echter vergen een uitvoeriger bespreking. Het gaat hierbij respectievelijk om de klacht dat:

1) de CWI onvoldoende recht heeft gedaan aan zijn met redenen omklede opvatting dat sprake is geweest van joint work;

2) de CWI onvoldoende is ingegaan op zijn klacht die betrekking heeft op het door Klager via de mediators gedane aanbod tot co-auteurschap, dat door de werkwijze van de mediators … niet tijdig heeft bereikt en door haar is afgewezen, nadat zij in de klachtprocedure ervan vernomen had.

3) de mediators, die op zijn verzoek voor het gerezen conflict over auteurschap een oplossing zouden hebben kunnen aandragen, hun taak hebben verzaakt, waardoor het conflict onnodig lang onopgelost is gebleven en buiten normale proporties is geraakt. Klager verwijst bij dit klachtonderdeel expliciet naar artikel 1.10 van de Nederlandse Code Wetenschapsbeoefening, dat schade “ontstaan door fouten of nalatigheid naar vermogen wordt hersteld”.

Tezamen genomen en in hun samenhang gezien leiden deze klachtonderdelen tot het hoofdverweer van Klager dat geen sprake is van plagiaat, doch van anders te beoordelen, eventueel verwijtbare, gedragingen van hem en van andere betrokkenen.

Deze drie bovengenoemde klachten worden uitvoerig behandeld onder 7. Hierbij wordt bijzondere aandacht besteed aan het onderscheid tussen plagiaat en niet-erkenning van co-auteurschap.

Het LOWI zal hierna onder 6 eerst de klachten van Klager behandelen, die naar het oordeel van het LOWI een eenvoudige bevestiging van het advies van de CWI opleveren en niet gegrond zijn.

6. De afgewezen klachten

6.1 Ontvankelijkheid

Allereerst dient door het LOWI de vraag beantwoord te worden of het Bestuur terecht de klacht van … jegens Klager ontvankelijk heeft verklaard. Klager stelt dat hij het betwiste artikel geschreven heeft in een periode dat hij niet in dienst was van … (… ) en derhalve niet door een CWI van deze instelling kan worden beoordeeld op mogelijke schending van wetenschappelijke integriteit.

Klager stelt zelf dat sprake is van zogeheten joint work bij het opstellen van de memo’s. Deze memo’s zijn geschreven in het kader van onderwijs, dat begeleid werd door Klager, die gedurende dat onderwijs in dienst was van …. Dit maakt de CWI respectievelijk het Bestuur bevoegd te oordelen over de klacht van …. Het feit dat de publicatie is voorbereid en geschreven buiten dienstverband doet hier niet aan af.

Een ander standpunt van het LOWI zou er immers toe leiden dat schending van wetenschappelijke integriteit toegestaan is wanneer over gezamenlijk werk gepubliceerd wordt buiten dienstverband. Daarnaast merkt het LOWI op dat hij het betwiste wetenschappelijke artikel bij … heeft aangeboden op briefpaper van deze Universiteit en op het moment van publicatie van het artikel weer als medewerker van deze universiteit … werkzaam was. Het LOWI bevestigt het oordeel van de CWI en het Bestuur op dit punt.

6.2 Bekendheid met de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening 2004

Klager stelt dat hij in het kader van het … niet gewezen is op de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening VSNU 2004, laatstelijk gewijzigd op 25 mei 2012 (hierna: Code of Conduct; ook: Gedragscode), maar slechts op (de algemene bepalingen van) de …. Agreement, de Memorandum …en …; daarnaast dat de Code of Conduct VSNU bovendien onnodige of onevenredige schade aan de belangen van derden vereist waarvan bij … geen sprake is.
De CWI wees bij deze klacht eerder op de website van …, waar de Gedragscode staat vermeld, zodat Klager van de gedragscode had kunnen en moeten weten.

Het LOWI oordeelt dat Klager een ervaren en gerespecteerd lid is van de wetenschappelijke gemeenschap, van wie mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van al lang bestaande normen van verantwoordelijke wetenschapsbeoefening, waaronder de in de Code of Conduct 2004 neergelegde eisen van zorgvuldigheid in het nauwkeurig aangeven van bronnen en het erkennen van de wetenschappelijke bijdragen van anderen. Hij was vanaf… 2003 tot … 2010 … werkzaam aan … en had uit dien hoofde bekend kunnen en moeten zijn met de Code of Conduct 2004.

6.3 Onevenredige schade vereist?

Deze Code vereist, anders dan Klager stelt, niet dat onnodige en onevenredige schade wordt toegebracht jegens personen voordat sprake is van schending van bepalingen van deze Code of voordat een onderzoek naar een eventuele schending verricht kan worden. Deze klacht is ongegrond.

6.4 Overdracht van auteursrecht in de… Agreement?

Het beroep van Klager op de ondertekening door … van de … Agreement waardoor er een auteursrechtelijke verplichting en overdracht van rechten ontstaan is, kan door het LOWI niet worden beoordeeld, zoals reeds hierboven vermeld. Het LOWI is niet bevoegd te oordelen over civielrechtelijke verhoudingen, die bovendien niet bepalend zijn voor de vraag of schending van wetenschappelijke integriteit jegens auteurs of co-auteurs heeft plaats gevonden.

6.5 Praktijk van … in het buitenland

Klager verwijst naar en doet een beroep op het affidavit van …, die in de Verenigde Staten een lange staat van dienst heeft in het organiseren van … zoals die in … sinds kort zijn aangevangen. Zijn klacht luidt dat de CWI geen rekening heeft gehouden met de in deze affidavit beschreven internationale gang van zaken, waarbij in … gebruikt wordt gemaakt van onderzoek door studenten zonder dat sprake is van plagiaat.

Ter zitting is Klager op dit punt om een nadere toelichting gevraagd en op grond van deze toelichting is het LOWI van oordeel dat uit eventuele verschillen tussen de praktijk van … in het buitenland en in Nederland geen consequenties kunnen worden getrokken ten aanzien van de beoordeling van zijn handelwijze in Nederland naar de normen van de Gedragscode. De klacht is ongegrond.

De affidavit van … is, naar het oordeel van het LOWI, in een ander opzicht echter wel relevant, namelijk waar deze verwijst naar de praktijk en de noodzaak om in het verband van … beschuldigingen van plagiaat van het werk van studenten met serieuze ernst, snel en discreet te behandelen binnen het kader van de … en om te streven naar oplossingen, die zowel voor de student als de begeleider aanvaardbaar zijn (zie hieronder 7.2.3).

6.6 Bewustheid

Klager klaagt dat de CWI geen rekening heeft gehouden met het feit dat hij zich er niet van bewust was dat een aanzienlijk deel van de litigieuze memo van … letterlijk in de publicatie was blijven staan; dat CWI er tevens geen rekening mee heeft gehouden dat Klager zich niet bewust was dat de litigieuze memo van … die hij als uitgangspunt hanteerde voor zijn publicatie, door haar alleen geschreven was. Naar zijn mening ging het om joint work waartoe hij als supervisor had bijgedragen.

Voor zover Klager zich met deze twee verweren op het standpunt stelt dat subjectieve bedoelingen of onbewustheid van feitelijke omstandigheden bepalend kunnen zijn voor de beoordeling of er wel of niet sprake is van plagiaat en/of niet-erkenning van auteurschap van anderen, volgt het LOWI zijn eerdere adviezen uit 2008 en 2009 waarin het heeft geoordeeld dat in gevallen van plagiaat of (co)auteurschap niet de subjectieve bedoelingen van wetenschapsbeoefenaren de doorslag geven (omdat die achteraf vaak moeilijk zijn vast te stellen), maar de objectieve en objectief vaststelbare teksten en auteuraanduidingen.

Het LOWI ziet geen reden om in dit geval van deze vaste richtlijn af te wijken. Het argument dat het hier om joint work ging is om andere reden relevant te noemen (zie onder 7.2.), maar vormt geen geldige reden waarom hij zich niet bewust hoefde te zijn, dat hij bij het schrijven van zijn wetenschappelijk artikel teksten van anderen, onder wie …, letterlijk gebruikte en verbatim overnam. Deze klachten zijn ongegrond.

6.7 Inhoudelijke verschillen groot

De klacht dat de CWI geen rekening heeft gehouden met het feit dat zijn wetenschappelijk artikel grote verschillen vertoont met inhoud en opzet van de memo van … is eveneens ongegrond. De CWI stelt in haar advies – evenals Klager in de hoorzitting – dat de memo als uitgangspunt heeft gediend bij het schrijven van zijn artikel. Het feit dat ook andere onderwerpen en argumenten in dat artikel worden behandeld en gebruikt, nemen niet weg dat 26% van zijn artikel letterlijk afkomstig is uit de memo, hetgeen naar het oordeel van de CWI daarmee een substantieel onderdeel is geworden van dit artikel. Het LOWI sluit zich hierbij aan en bevestigt op dit punt het advies van de CWI. De klacht is ongegrond.

6.8 Geen mogelijkheid tot bronvermelding

De klacht dat de CWI naar de mening van Klager geen rekening heeft gehouden met het feit dat de ongepubliceerde status van de litigieuze memo het hem onmogelijk maakte om naar deze (concept)memo te verwijzen, zoals wel verwezen kan worden naar gepubliceerde doctoraalscripties, is ongegrond. Het niet gepubliceerd zijn van een bron levert nimmer een rechtvaardiging op dat deze teksten vrijelijk door anderen dan de oorspronkelijke auteurs zonder verwijzing gebruikt mogen worden.

Bovendien kan men altijd verwijzen naar ongepubliceerde bronnen en in de tekst van een wetenschappelijk artikel vermelden dat de auteur zijn kennis en aangehaalde tekst ontleend heeft aan anderen. Het is in de wetenschap zelfs gebruikelijk om te verwijzen naar een “persoonlijke mededeling”, indien de kennis niet zelf verworven is, maar ontleend is aan gesprekken waaruit de kennis en/of inzichten van collega’s of van anderen geput zijn.

Ten aanzien van deze in paragraaf 6. 3 beoordeelde klachten wijkt het oordeel van het LOWI in geen enkel opzicht af van de beoordeling en het advies van CWI. Het LOWI komt derhalve op deze punten tot een bevestiging van het voorlopig besluit van het Bestuur. Dat de hierna te bespreken overige klachten aparte beschouwing vereisen betekent op zich zelf niet dat het LOWI op al deze klachten tot andere conclusies komt dan de CWI, maar dat het LOWI van oordeel is dat op een aantal door Klager naar voren gebrachte verweren en klachten uitvoeriger moest worden ingegaan of nader onderzoek had moeten worden verricht dan de CWI in haar advies gedaan heeft.

7. De overige klachten: de inhoudelijke kwalificatie en beoordeling van de handelwijze van Klager

De overige klachten van Klager in zijn klaagschrift bij het LOWI komen alle hieronder aan de orde en hebben alle, in hun onderlinge samenhang bezien, betrekking op de kwalificatie en beoordeling van zijn handelwijze als plagiaat. Klager stelt achtereenvolgens:

  • dat sprake is geweest van joint work, waaraan hij als deskundige supervisor in aanzienlijke mate heeft bijgedragen;
  • dat het initiatief om een wetenschappelijk artikel te schrijven op grond van het gezamenlijke arbeid in … van hem uitging, dat hij daartoe niet alleen gerechtigd was, maar dat dit door de Leiding van … werd aangemoedigd;
  • dat hij op … 2010 per email het manuscript van zijn artikel gestuurd heeft aan de leidinggevende van …, …, met daarin de formulering van de acknowledgment met verwijzing naar het werk van de …, en met het verzoek opmerkingen te maken over de formulering van deze acknowledgement; dat hierop van de kant van … geen opmerkingen zijn gemaakt, zodat hij er op mocht vertrouwen dat zijn formulering correct was;
  • dat er geen duidelijke regels waren opgesteld en geen afspraken vooraf waren gemaakt over de wijze waarop in internationale wetenschappelijke tijdschriften zou (kunnen) worden gepubliceerd op grond van het werk van dit …;
  • dat zijn aanbod van … 2011 aan … om als co-auteur te worden erkend door haar, zonder daarvoor goede redenen te noemen, is afgewezen;
  • dat de bemiddelende rol die de Leiding van …, … en …, bij het gerezen geschil met … heeft gespeeld te kort is geschoten, waardoor na een jaar van volkomen stilte en stilstand van de zijde van deze bemiddelaars, plotseling en om onzuivere redenen de klacht jegens hem werd ingediend.

Deze klachtonderdelen, in hun samenhang bezien, kunnen, naar de mening van Klager, niet leiden tot het door CWI en het Bestuur geformuleerde eindoordeel dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plagiaat. Hij bestrijdt ten zeerste dat de kwalificatie ‘plagiaat’ op zijn handelwijze van toepassing is. Hij erkent dat hij ondoordacht heeft gehandeld en dat hij, zeker achteraf gezien, eerst en beter over zijn plan om een artikel te schrijven met de studenten had moeten overleggen. Klager stelt echter te goeder trouw te hebben gehandeld en aan … voorgesteld te hebben om co- auteur te worden van zijn artikel.

7.1 Het beoordelingskader van het LOWI

De vraag die nu door het LOWI dient te worden beantwoord, is welke kwalificatie aan de handelwijze van Klager wordt gegeven en welk beoordelingskader daarbij gehanteerd wordt. Het LOWI hanteert bij de beantwoording van deze vraag van kwalificatie als algemeen uitgangspunt de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening 2004/2012. Meer specifiek onderzoekt het LOWI de handelwijze van Beklaagde aan de hand van het in die Gedragscode geformuleerde beginsel van zorgvuldigheid. De voor deze klacht relevante uitwerking van dit beginsel vindt men in de artikelen 1.3, 1.4 en 1.5. van de Gedragscode. Deze artikelen luiden:

1.3. Door correcte bronvermelding wordt duidelijk gemaakt dat er niet gepronkt wordt met andermans veren. Dit geldt ook voor informatie die van het internet wordt gehaald.

1.4 Auteurschap wordt erkend. In het vakgebied gebruikelijke regels worden daarbij nageleefd.

1.5 Zorgvuldigheid beperkt zich niet tot informatieoverdracht, maar strekt zich ook uit tot de relaties tussen wetenschapsbeoefenaren onderling en met studenten.

De omschrijving van eisen van zorgvuldigheid in deze cruciale artikelen in de Gedragscode is summier, terwijl ook de toelichting op de Gedragscode geen nadere concretisering biedt. Het LOWI is daardoor genoodzaakt zelf deze artikelen een nadere invulling te geven, die recht doet aan de praktijk van de moderne wetenschapsbeoefening, zoals het LOWI dat eerder gedaan heeft met betrekking tot de subjectieve bedoelingen bij plagiaat en auteurschap. Het ziet zich
in dit geval genoodzaakt de relatie tussen artikel 1.3.enerzijds en 1.4. en 1.5 anderzijds nader te bezien.

Artikel 1.3 slaat evident op gedragingen als plagiaat, dat omschreven wordt als “pronken met andermans veren”. Onder deze spreekwoordelijke uitdrukking wordt gewoonlijk verstaan: elders al dan niet gepubliceerde teksten van anderen onder eigen naam publiceren. In de regel bestaat er geen relatie tussen plagiaatpleger en geplagieerde, omdat geplagieerde teksten vaak “stiekem” ergens vandaan gehaald worden – bijvoorbeeld van het internet of uit onbekende wetenschappelijke tijdschriften of boeken.

Ook lange tot zeer lange citaten, die zonder “aanhalingstekens” of zonder adequate bronvermelding worden gebruikt, worden als plagiaat beschouwd (zoals bijvoorbeeld de Duitse plagiaatzaken van oud-politici, zie hiervoor: Th. Dreier und A. Ohly, (red.) Plagiate, Wissenschaftsethik und Recht, Tübingen 2013). Door studenten geschreven “papers” en werkstukken mogen niet zonder bronvermelding in wetenschappelijke artikelen van docenten opgenomen worden, mede om te voorkomen dat creatieve en originele ideeën van studenten door docenten als eigen pronkstuk worden benut en getoond (zogenaamd ideeënplagiaat).

De sanctie op plagiaat is meestal zwaar (rechtspositioneel kan bewezen plagiaat leiden tot ontslag, schorsing, schriftelijke berisping) en de afkeuring in wetenschappelijke en maatschappelijke kring is vaak nog strenger dan de officiële beoordeling. Om al deze redenen is een beschuldiging van plagiaat een ernstige zaak, die niet lichtvaardig moet worden geuit.

Artikel 1.4 heeft betrekking op de noodzakelijke zorgvuldigheid, die bij wetenschappelijke publicaties dient te worden nageleefd door eerlijk en fair de substantiële wetenschappelijke bijdragen van collega-wetenschapsbeoefenaren te erkennen en herkenbaar in de publicatie tot uiting te brengen. Het niet in acht nemen van deze zorgvuldigheid is, naar het oordeel van het LOWI, te kwalificeren als een schending van het vereiste van artikel 1.4 van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (2004/2012) en dient derhalve te worden gekwalificeerd als schending van wetenschappelijke integriteit. Het gaat bij dit artikel 1.4 evident om de problematiek van auteurschap en co-auteurschap.

Niet- erkenning van (co-)auteurschap is verwant aan plagiaat, maar dient er niettemin van onderscheiden te worden. Bij niet-erkenning van auteurschap of co-auteurschap gaat het om onderzoek of ander wetenschappelijk werk dat gezamenlijk wordt verricht, maar waarover niet in gezamenlijkheid wordt gepubliceerd en/of waar de bijdrage van enkele mede-werkenden niet wordt vermeld.

De onderzoekers staan in nauwe relatie tot elkaar, in contrast met de meeste voorbeelden van plagiaat. In de moderne wetenschapsbeoefening, waar steeds meer onderzoek in teamverband wordt verricht en collectieve publicaties eerder regel dan uitzondering zijn geworden, komen ruzies en conflicten over auteurschap en co-auteurschap regelmatig voor.

Het gaat daarbij steeds om de erkenning van een substantiële bijdrage van collega-wetenschapsbeoefenaren, van medewerkenden en, bij gezamenlijk onderzoek door docenten en studenten, ook van de erkenning van de substantiële bijdragen van studenten. Artikel 1.4 van de Gedragscode stelt de eis van erkenning als (co-) auteur. Naar het oordeel van het LOWI dient deze erkenning van een substantiële bijdrage aan wetenschappelijk onderzoek of aan een
wetenschappelijke publicatie, herkenbaar te zijn in de publicatie. In de herkenning ligt de erkenning van de geleverde bijdrage.

Samengevat luidt het – overigens in de praktijk van de wetenschapsbeoefening reeds lang bestaande en bekende – principe bij co-auteurschap: indien co-auteurschap wordt erkend, dan mag een substantieel deel van de tekst van een contribuant gebruikt worden; indien een substantieel deel van een contribuant gebruikt wordt, dan moet de contribuant als co-auteur erkend worden en herkenbaar zijn. Dit alles nog los van de eveneens vereiste zorgvuldigheid, zoals genoemd onder artikel 1.5 van de Gedragscode.

In geval van niet-erkenning van (co-)auteurschap worden in de huidige praktijk gewoonlijk lichtere sancties en andere maatregelen opgelegd (berisping, verplicht herstel van het (co)auteurschap door additionele vermelding in wetenschappelijk tijdschrift of boek, respectievelijk verplichte terugtrekking van een wetenschappelijke publicatie).

Artikel 1.5 heeft betrekking op de wijze waarop wetenschapsbeoefenaren – ook in hun relatie tot hun studenten – onderling met elkaar omgaan, zowel voorafgaand aan de publicatie van een artikel alsook bijvoorbeeld in situaties van ruzie en conflict over auteurschap en co-auteurschap. Zo vereist de in artikel 1.5 genoemde zorgvuldigheid, naar de uitwerking die het LOWI daaraan geeft, bij gezamenlijk werk dat :

(a) indien één van de betrokkenen de intentie heeft een gezamenlijk werk te publiceren of de intentie heeft een wetenschappelijke publicatie mede te baseren op dit gezamenlijk werk, de initiatiefnemer voorafgaand aan de publicatie alle betrokkenen van het gezamenlijk werk informeert en hun instemming en toestemming vraagt om als co-auteur te fungeren (er bestaan reeds formulieren voor deze toestemming, de zogenoemde Authorship Agreement, mede ter voorkoming van het spiegelbeeld van co-auteurschap, het undeserved authorship, het “meeliften met publicaties zonder dat men een substantiële bijdrage heeft geleverd);

(b) de initiatiefnemer alle betrokkenen vermeldt in de publicatie. Waar sprake is van een substantiële bijdrage in het gezamenlijk werk dient de desbetreffende persoon als co-auteur te worden vermeld dan wel in elk geval voorafgaand aan de publicatie het aanbod te worden gedaan om als co-auteur te worden vermeld. Dit vroegtijdig aanbod zorgt er voor dat enerzijds de desbetreffende persoon de keuze heeft het aanbod, om welke reden dan ook, te weigeren, (een co-auteurschap kan niet worden opgedrongen) en anderzijds tevens dat de auteur de mogelijkheid heeft om het artikel niet langer op het gezamenlijk werk te baseren of de substantiële bijdrage van een ander alsnog weg te laten, indien geen toestemming wordt verkregen.

Waar van een substantiële bijdrage geen sprake is, kan worden volstaan met een acknowledgement.

Als algemene regel vereist het in de Gedragscode genoemde beginsel van zorgvuldigheid, zoals geconcretiseerd in artikel 1.5, dat bij gezamenlijk werk (joint work) met alle betrokkenen overleg zal moeten plaatsvinden, voorafgaand aan de publicatie van of over het gezamenlijk werk of gezamenlijk onderzoek.

Voorts brengt de in artikel 1.5 genoemde zorgvuldigheid naar de mening van het LOWI met zich mee dat leidinggevenden van onderzoeksgroepen ervoor zorg dienen te dragen dat disputen over (co) auteurschap snel en adequaat dienen te worden opgelost. Hiertoe dienen vooraf op te stellen regels en te maken afspraken geformuleerd te worden.

Leidinggevenden van onderzoeksgroepen, die gezamenlijk onderzoek doen en daarover gezamenlijk publiceren, dienen derhalve ruzies en conflicten die ontstaan over de erkenning van elkaars bijdragen, primair onderling uit te maken – onder andere door het opstellen van regels of het maken van afspraken vooraf. Dit is vaak reeds de praktijk. In gevallen waarin onderlinge conflicten niet op de werkvloer kunnen worden opgelost, is de leiding van een onderzoeksgroep of de leiding van een onderzoeksinstituut primair verantwoordelijk om zorg te dragen voor een adequate oplossing van gerezen geschillen over ieders bijdrage.

Veel voorkomende ruzies en conflicten dienen naar de mening van het LOWI niet allemaal zonder meer en meteen voorgelegd te worden aan officiële instanties die belast zijn met de beoordeling van klachten over schending wetenschappelijke integriteit. Slechts indien het conflict niet meer primair in eigen kring kan worden opgelost, is een beroep op de officiële instanties verantwoord en zinvol. Het veronderstelt echter wel dat voldoende inspanningen worden verricht en verantwoordelijkheid wordt genomen om gerezen conflicten in die eigen kring op te lossen.

7.2 Beoordeling van de handelwijze van Klager

Deze algemene principes bij de uitleg van artikelen 1.3, 1.4 en 1.5 van de Gedragscode zal het LOWI toepassen in de beoordeling van de huidige klacht, waar de handelwijze van Klager als plagiaat door Klager wordt betwist, maar waarbij Klager tevens heeft toegegeven op bepaalde punten ernstig in gebreke te zijn gebleven. Klager zelf verwijst, zowel in zijn verweer bij de CWI als opnieuw in zijn toelichting op de klacht bij het LOWI, nog expliciet naar artikel 1.10 van de Gedragscode, dat als volgt luidt: “Schade ontstaan door fouten of nalatigheid wordt naar vermogen hersteld”.

Dit artikel 1.10 is eveneens een uitwerking van het onder paragraaf I van de Code genoemde beginsel van zorgvuldigheid en kan, mede naar het oordeel van het LOWI, slaan op de verplichting om bij gebleken nalatigheid conflicten over die nalatigheid snel en adequaat op te lossen en naar reparatiemogelijkheden te zoeken. Bij gebleken negatie van co-auteurschap kan dit beginsel van zorgvuldigheid onder bepaalde omstandigheden betekenen dat de mogelijkheid tot herstel van de nalatigheid wordt onderzocht.

De hoofdvraag die het LOWI dient te beantwoorden naar aanleiding van de Klacht en het door Klager bij de CWI gevoerde verweer, dat herhaald is ingebracht bij de behandeling van de klacht, luidt als volgt:
Wanneer een begeleider in het kader van een … scholing bij zijn wetenschappelijke publicatie een deel van een draft memo van een student letterlijk overneemt, is er dan sprake van plagiaat of van een negatie van co-auteurschap (denial of co-authorship) bij een door begeleider en student gemeenschappelijk verricht werk?

Voor de beantwoording van deze hoofdvraag zal worden ingegaan op de door Klager ingebrachte klachtonderdelen, met name op de vraag 1) of sprake is geweest van joint work, 2) wat er is gebeurd met en na zijn aanbod aan … om alsnog haar co-auteurschap te erkennen en het artikel in … overeenkomstig aan te passen en 3) of de leiding van … als bemiddelaars in het gerezen conflict in hun taak zijn te kort geschoten.

Bij zijn beoordeling van de klacht en van de kwalificatie van de handelwijze van Klager zal het LOWI zo nauwgezet mogelijk de aangevoerde feiten en omstandigheden, inclusief de gedetailleerde communicatie tussen betrokkenen, in zijn beschouwing betrekken.

7.2.1 Is sprake van joint work ?

De vraag waar het LOWI zich voor gesteld ziet is: was er sprake van gezamenlijk onderzoek, van joint work? Immers, als sprake is van gezamenlijk onderzoek of van gezamenlijk werk, dan ligt het voor de hand dat de resultaten daarvan, omgezet in wetenschappelijke publicaties, ook onder gezamenlijke verantwoordelijkheid worden gepubliceerd. Negatie daarvan leidt tot schending van wetenschappelijke integriteit, maar is dan te beschouwen als het niet in acht nemen van de zorgvuldigheid die art. 1.4 van de Code vereist, dan van plagiaat, dat in art. 1.3 wordt vermeld.

Het CWI is op deze vraag ingegaan en geeft als antwoord: “Uit de stukken is de commissie gebleken dat de studenten in het kader van … zelfstandig memoranda en … adviezen hebben geschreven, op basis van eigen onderzoek en met begeleiding van supervisors. Dit was de belangrijkste doelstelling van …” (advies CWI, … ).

Klager geeft aan dat hij als supervisor heeft bijgedragen aan het werk van de studenten, onder andere door commentaar te leveren op concept memo’s en door de studenten te wijzen op relevante literatuur en … (zijn email van … 2010, waarin hij 8 … noemt). Zijn bijdrage aan de concept-memo van … is bevestigd door … (email …) en zijn bijdrage aan twee andere memo’s wordt eveneens bevestigd en erkend door medestudente …, die hem voor zijn tips en suggesties voor de memo van … 2010 bedankt (emails … van … en … ).

Deze activiteiten als begeleider, de input, hoeven niet op zich zelf te wijzen op joint work, omdat dit precies de dingen zijn, die een begeleider geacht wordt te verrichten, en waarmee de zelfstandigheid van de activiteiten van de studenten niet wordt gehinderd, maar juist wordt aangemoedigd.

Klager stelt daartegenover dat het doel van … juist gelegen is in het gezamenlijk opstellen van memo’s voor …, zowel door studenten onderling als in de wisselwerking tussen studenten en begeleiders. In het kader van een … kan de samenwerking derhalve hechter zijn (geweest) dan bij een begeleiding van een doctoraalscriptie. Het schrijven van memo’s maakt onderdeel uit van de voorbereiding van de studenten om ze klaar te stomen voor …; dit gebeurt in nauw overleg tussen supervisors en studenten. De achterliggende gedachte hiervan is dat het concipiëren van memo’s in beginsel zo reëel mogelijk … benadert, zoals ook in de … memo’s geschreven worden door (jonge) … ten behoeve van het … werk van collega’s, bijvoorbeeld het opstellen van … of het geven van commentaar op …. Dergelijke memo’s worden gebruikt in … en kunnen een rol spelen in de adviezen die realiter worden gegeven aan cliënten.

Het doel van de memo’s is niet primair om de student te scholen in het schrijven van wetenschappelijke artikelen, maar om zich voor te bereiden op een internationale … beroepspraktijk. Vandaar de in … uit de Verenigde Staten overgenomen nieuwe vorm van praktijkonderwijs onder de naam: … of …. Het vervaardigen van een memo in het kader van een … kan om die reden in beginsel worden gekwalificeerd als gezamenlijk werk c.q. joint work.

Als aanwijzing voor joint work geldt tevens het feit dat het aanvankelijke conflict ontstond doordat het anonieme acknowledgement, dat Klager aan zijn artikel had toegevoegd, door … in haar email van … 2011 als volstrekt onvoldoende werd beoordeeld om haar werk recht te doen en zij later in haar email van … 2011 eiste dat door Klager toestemming wordt gevraagd aan alle leden van de werkgroep, alvorens een wetenschappelijke publicatie kan worden uitgezet.

Zowel de kritiek op de onvoldoende acknowledgement als de eis om toestemming duiden er op dat ook in de ervaring van de studenten het in … verrichte werk als joint work werd gezien. Het was gewoonte dat de studenten onderling hun memo’s controleerden, waarna ze aan de begeleider werden voorgelegd voor commentaar. Van de betwiste memo’s was … hoofdauteur, die mede steunde op het werk van anderen.

Vorenstaande laat overigens onverlet dat een memo – zoals in het onderhavige geval – op zichzelf een substantiële bijdrage kan leveren aan een wetenschappelijk artikel. Begeleider en student(en) kunnen besluiten, zoals ook werd aangemoedigd in …, tot het schrijven en publiceren van een wetenschappelijke tekst, hetgeen tot beider voordeel kan strekken: de begeleider met zijn ervaring als wetenschapsbeoefenaar, de student die een (eerste) wetenschappelijk artikel kan publiceren.

Deze vorm van co-auteurschap is niet ongebruikelijk als resultaat van geslaagde begeleiding van goede tot zeer goede studenten en kan als een beloning en aansporing gelden voor de student(en). Daarbij gelden uiteraard de gebruikelijke beginselen van wetenschappelijke integriteit, zoals onder meer het beginsel van zorgvuldigheid van de Gedragscode, zoals die hierboven in paragraaf 7.1. is uiteengezet.

Klager had, zodra hij het plan had opgevat om vanuit de gezamenlijke activiteiten van de werkgroep een wetenschappelijk artikel te schrijven, de betreffende student of studenten van de werkgroep daarvan in kennis moeten stellen en ofwel de student(en) met naam en toenaam in een acknowledgement dienen te vermelden (indien de gezamenlijke activiteiten uitsluitend als startpunt en inspiratiebron waren gebruikt) ofwel de student of studenten om toestemming moeten vragen en co-auteurschap moeten aanbieden (indien letterlijke delen van de door hen geschreven teksten in zijn artikel een plaats zouden kunnen krijgen). Indien dit ruim vóór de aanbieding van het wetenschappelijke artikel aan een wetenschappelijk tijdschrift geschiedt, wordt naar de normen van de Gedragscode zorgvuldig gehandeld.

Het LOWI is van oordeel dat de vraag of Klager wist wie de memo’s geschreven had, van minder groot belang is dan het feit dat Klager in elk geval wist dat de memo’s niet van hemzelf afkomstig waren, maar van anderen in het gemeenschappelijk uitgevoerde werk. Klager wist of had moeten weten dat hij in zijn wetenschappelijk artikel een substantiële bijdrage ontleende aan gezamenlijk werk en niet aan eigen werk.

Hierbij komt wel de vraag aan de orde, door Klager in de overige klachten verwoord, of er in het kader van dit … vooraf regels opgesteld en/of afspraken gemaakt over wetenschappelijke publicaties die uit het Programma konden voortvloeien. Uit de stukken kan het LOWI opmaken dat er regels noch afspraken waren gemaakt behalve de regel uit de … Agreement dat voor publicaties uit eigen onderzoek (“own research”) toestemming moest worden verleend door de leiding van het programma.

Dat Klager in dit verband eveneens in de overige klachten stelt dat hij zodanige toestemming had gevraagd en verkregen van … voor de publicatie van zijn artikel in …… en dat … akkoord was gegaan met de door Klager voorgestelde acknowledgment kan niet leiden tot het door hem gewenste verontschuldiging. De toestemming heeft betrekking op eigen onderzoek, niet op dat van andere participanten. Bovendien was … in … 2011, toen hij positief reageerde op de publicatie in …, niet op de hoogte dat het gewraakte artikel mede was gebaseerd op de memo’s van studenten (…).

7.2.2 Conclusie ten aanzien van de beoordeling van de handelwijze van Klager

De vraag of er sprake is geweest van joint work beantwoordt het LOWI, op grond van bovenstaande aanwijzingen uit de praktijk van …, positief. Echter de erkenning dat sprake is van joint work ontslaat Klager, anders dan hij stelt in zijn klachtbrief, op geen enkele wijze van de verplichtingen, die hij heeft ten opzichte van de studenten die onder zijn begeleiding, de betreffende memo’s hebben opgesteld.

Het LOWI is van oordeel dat Klager in het in … gepubliceerde artikel een substantieel deel (tussen 25-30 %) letterlijk heeft overgenomen van drie memo’s, opgesteld door … en verbeterd door…. De in het artikel in een voetnoot gebruikte anonieme acknowledgement is, naar het oordeel van het LOWI, voor deze substantiële bijdrage beslist onvoldoende, omdat hij hiermee onvoldoende de bijdrage van … heeft erkend en onvoldoende herkenbaar heeft vermeld.

Tevens is het LOWI van oordeel dat Klager in de fase voorafgaand aan de publicatie van het artikel in … ten onrechte heeft nagelaten overleg te plegen met de betrokkenen en aan hen niet heeft meegedeeld dat hij een substantieel deel zou (willen) ontlenen aan het memo. Deze nalatigheid voorafgaand aan publicatie is aan Klager te verwijten. Dat hij, zoals hij stelt, aanvankelijk niet wist wie de memo geschreven had, biedt geen excuus voor deze nalatigheid, nu hij in elk geval wist dat de memo niet door hemzelf was vervaardigd.

Hiermee heeft hij in strijd gehandeld met de met de zorgvuldigheid die door de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening 2004 wordt vereist. Hiermee bevestigt het LOWI het oordeel van CWI dat Klager heeft gehandeld “in strijd met de vereiste zorgvuldigheid bij wetenschappelijke activiteiten en dat zulks had kunnen en dienen te worden vermeden”. De CWI neemt hierbij extra in overweging dat, waar aan studenten – in de …regeling van …- hoge eisen worden gesteld qua bronvermelding en plagiaat, docenten hierin het goede voorbeeld dienen te geven.

De kwalificatie van zijn handelwijze

Anders dan de CWI is het LOWI echter van oordeel dat met de – terechte – constatering van de CWI nog niet automatisch vaststaat dat deze handelwijze te kwalificeren valt als plagiaat, zolang nog niet voldoende is vastgesteld op welke grond de Gedragscode is geschonden. Dat kan artikel 1.3 (plagiaat), artikel 1.4 (auteurschap) en/of artikel 1.5 (zorgvuldigheid jegens collega’s en studenten) zijn.

Het LOWI zal oordelen welke grond in deze zaak naar zijn mening als de meest redelijke grond is aan te wijzen. Immers nadat gebleken is … dat bezwaar is gemaakt tegen de niet-erkenning van de substantiële bijdrage van … is het van belang nader te onderzoeken wat de aard is van deze onzorgvuldigheid is (plagiaat of niet-erkenning van co-auteurschap) en op welke wijze vervolgens het gerezen conflict over de bijdrage van … binnen … is opgelost, nu Klager na het bekend worden van de bezwaren tegen zijn niet-erkenning van de bijdrage van … haar heeft aangeboden co-auteur te worden van het betwiste artikel.

7.2.3 Het aanbod tot co-auteurschap, na publicatie van het artikel in … en de bemiddeling door de leiding van …

Conflicten over de voldoende erkenning van een substantiële bijdrage aan wetenschappelijk onderzoek of aan een wetenschappelijke publicatie ontstaan bij grote regelmaat pas nadat een wetenschappelijk artikel of boek gepubliceerd is. Dat is vrij logisch, omdat benadeelden meestal niet eerder kennis hebben kunnen nemen van de publicatie, waarin zij geen erkenning (credits) hebben gekregen voor hun bijdrage aan het gemeenschappelijk verrichte onderzoek of aan de publicatie over het onderzoek. Voor een definitieve kwalificatie en beoordeling van de dan aan het licht komende handelwijze is van belang zorgvuldig na te gaan op welke wijze gereageerd wordt door betrokkenen en door de leiding van …waar het gemeenschappelijke onderzoek plaatsvond.

Zoals in het beoordelingskader van het LOWI (paragraaf 7.1) reeds is aangegeven is het LOWI van oordeel dat de oplossing van gerezen geschillen en conflicten primair tot de verantwoordelijkheid behoort van de leden van …groep zelf en van de leiding van de …groep. Dit eenvoudig om te voorkomen dat officiële instanties te veel belast worden met de beoordeling en beslechting van kleine en grote conflicten, die gemakkelijk, tijdig en het beste in eigen wetenschappelijke kring kunnen worden opgelost.

Het LOWI acht het niet wenselijk dat al deze conflicten over (co-)auteurschap reeds in eerste instantie als klacht van integriteitschending meteen naar een officiële instantie worden gebracht. In dit licht ziet het LOWI ook artikel 1.5 van de Gedragscode dat zorgvuldigheid in de relatie tussen wetenschapsbeoefenaren onderling en tussen wetenschapsbeoefenaren en studenten eist; deze zorgvuldigheid geldt in casu ook in het omgaan met onderlinge conflicten.

De CWI heeft dit probleem van de conflictoplossing ook gezien, waar zij schrijft, na de constatering dat het handelen van Klager in strijd is met de zorgvuldigheid:
“ De commissie merkt daarbij op dat het wenselijk ware geweest als de mediators zich actiever hadden ingezet om in deze kwestie tot een oplossing te komen. Uit de stukken is het de commissie gebleken dat na … 2011 door geen van de betrokken partijen verdere actie is ondernomen.”

Op deze juiste constatering van de feitelijke gang van zaken laat de CWI echter geen gevolgen volgen voor de uiteindelijke beoordeling van de handelwijze van Klager. Op de hoorzitting werd aan de vertegenwoordigers van het Bestuur gevraagd waarom geen consequenties waren verbonden aan de feitelijk juiste conclusie dat de mediators zich weinig actief hadden ingezet om het gerezen conflict op een voor alle betrokkenen aanvaardbare manier op te lossen.

Het door deze vertegenwoordiger(s) gegeven antwoord ter zitting luidde dat het primair de verantwoordelijkheid van Klager was om een dergelijke oplossing na te streven, nadat er feitelijk niets meer gebeurde (eerst na 2011 en na herinnering door Klager na 2011) en dat Klager dat niet had gedaan. Naar het oordeel van het LOWI legt de CWI in deze afweging te eenzijdig de last van de conflictoplossing uitsluitend bij Klager en gaat deze afweging geheel voorbij aan de verantwoordelijkheid van de leiding van … en aan de houding en bereidwilligheid van andere bij het conflict betrokkenen, onder wie ….

Naar het oordeel van het LOWI had de CWI nader onderzoek moeten doen naar en een oordeel moeten geven over de wijze van optreden van de leiding van … bij de oplossing van het sinds … 2011 aan het licht gekomen conflict. Alleen een wenselijkheid uitspreken (“het ware wenselijk geweest”) is daarvoor naar de mening van het LOWI onvoldoende.

Zoals … in zijn affidavit opmerkt: “ that the damage to a clinical supervisor’s reputation by the charge of plagiarism alone is often enough to damage future student relationship and employment opportunities, so such charges should be treated with both great gravity, discretion and speed so as to settle them in a manner which satisfies both the student and the supervisor” (…, affidavit …)

Het verweer van Klager in de procedure van de CWI en de klacht van Klager bij het LOWI heeft juist betrekking op de nalatigheid die aan de leiding van … in hun rol als mediators al of niet kan worden toegerekend. Bij zijn oordeelvorming over deze klacht van klager gaat het LOWI van de volgende feiten uit:

– Op … 2011 maakt … bezwaar tegen het gebruik van de door haar opgestelde memo’s, in het bijzonder …, in het artikel van Klager in zijn artikel in …. Zij schrijft hierin dat zij dit “as a matter of scientific integrity” niet kan accepteren en tevens stelt zij voorwaarden aan de reactie van Klager: “If you insist on denying your culpability in using other people’s work as your own, I will proceed to take this to the appropiate levels at … and the university for the necessary actions”.

– Klager reageert per mail op … 2011 aan …, …, …, en …, met cc aan andere participanten, met onder andere een verzoek aan de twee leidinggevenden van …, … en …, om te bemiddelen in het dan gerezen geschil, en gaat hij in op de wijze van formuleren van de acknowledgement: “had I known that … was the sole author of the memo I would have certainly made sure to acknowledge her work by name”.

Uit dit begin van het conflict maakt het LOWI op dat … er op aandringt dat Klager schuld bekent en dat als hij volhoudt dat hem geen blaam treft, zij dan stappen zal ondernemen. Daarna volgen nog enkele emails, waarbij het opvalt dat de communicatie tussen Klager en … niet meer rechtstreeks per email of met cc gaat, maar uitsluitend nog via de mediators die inmiddels hun rol als mediators hebben aanvaard.

Op … 2011 legt …, als bemiddelaar, aan … de vraag voor hoe het probleem met de publicatie van Klager kan worden opgelost. Op … geeft … in haar email antwoord aan … en noemt de handelwijze van Klager een “extreme ethical breach of academic integrity”; zij geeft als oplossing de voorwaarde dat het artikel in … wordt ingetrokken, met vermelding dat het is ingetrokken; en voorts dat Klager geen artikelen meer publiceert, gebaseerd op het werk van …, zonder raadpleging en instemming van alle …leden.

Hieruit constateert het LOWI dat in deze email … uitgaat van gezamenlijke werk, waarvoor bij publicatie van alle leden toestemming moet worden verkregen; voorts dat er een soort onderhandeling ontstaan is, via de bemiddelaars, over de gewenste oplossing van het geschil.

Op … 2011 daaropvolgend reageert Klager in een email aan … en … met het voorstel de acknowledgement aan te passen, met verwijzing naar de met naam te vermelden … en …; hij constateert tegenover … dat de stellingnamen van de betrokkenen, … enerzijds en Klager anderzijds, diametraal tegenover elkaar staan, en vraagt … zelf een voorstel te doen ter oplossing.

Op … 2011 neemt Klager per email contact op met … en met een hoogleraar, …; aan beiden legt hij het conflict voor en legt hij de situatie uit en vraagt hen wat het beste is te doen. Na een telefoongesprek met een lid van de editorial Board van … stuurt Klager op … aan … een email met het voorstel om – na kalm beraad – aan … aan te bieden co-auteur te worden van het artikel.

Dat leek op dat moment voor …, Klager en de editor van … een goede oplossing voor het geschil. Op diezelfde dag bericht … Klager dat hij deze oplossing wel wil beproeven:
“Then let’s do it this way. I let you know the result of my conversations with … and depending on the result you can proceed in the way (Mr. X) proposes” . Hij zal contact over dit voorstel opnemen met (…) …. Op … 2011 bevestigt Klager aan … dat … op korte termijn – “these days”- … met dit voorstel zal benaderen. Klager verwacht dat binnen enkele weken de zaak zal zijn opgelost.

Uit deze emailwisseling met de leiding van het … en na het advies van de editor van … maakt het LOWI op dat op dat moment bij de leidinggevende/ bemiddelaar de opvatting aanwezig was dat in deze zaak sprake was van ontkenning van co-auteurschap van een substantiële bijdrage van een van de studenten uit …; dat derhalve ook in de opvatting van deze leidinggevende sprake was van joint work en dat vervolgens een redelijke, voor beide partijen aanvaardbare, oplossing in deze richting gezocht moest worden.

Daarop probeert … via …, zijn assistent, contact te leggen met …, hetgeen mislukt. … vertrekt voor …maanden naar …, … voor een periode naar … en beide bemiddelaars doen verder geen enkele poging meer om iets aan dit nog lopende, nog niet afgehandelde geschil te doen. Er wordt ook niets meer van hen vernomen over dit geschil, tot … 2012, respectievelijk … 2012, als de klacht van … over gepleegd plagiaat van Klager behandeld wordt door de CWI.

Op … 2011 vraagt Klager terloops in een internetconversatie met … hoe het staat met de kwestie van het betwiste artikel in …. … belooft dat hij met … contact op zal nemen, maar dat contact vindt wederom niet plaats. Ook van … wordt na … 2011 niets vernomen tot aan haar klacht bij de CWI op … 2012.

7.2.4 Conclusie ten aanzien van het aanbod tot co-auteurschap en bemiddeling door de leiding van …

Uit de gedetailleerde feiten uit deze episode van het conflict komt het LOWI tot de conclusie dat, midden in de mediation en onderhandeling tussen de beide opponenten, … en Klager, over de te vinden oplossing voor het geschil, de bemiddelende activiteiten van de bemiddelaars zonder opgave van redenen en zonder de conflicterende partijen hierover te informeren, plotseling beëindigd worden.

Hierdoor kan niemand, CWI, Bestuur noch LOWI ooit te weten komen hoe het conflict zou zijn afgelopen indien het voorstel van Klager tot co-auteurschap op dat moment, … 2011, zou hebben bereikt. … heeft later in de CWI procedure verklaard dat een aanbod tot co-auteurschap door haar nimmer zou zijn aanvaard (email … 2012 aan CWI: “for reasons of professional integrity that offer would not have made a difference to me. I would prefer not to be associated with someone who lacks such academic honesty”).

Dit laat naar het oordeel van het LOWI echter in het midden de mogelijkheid dat Klager, nadat hij zou hebben vernomen dat het aanbod tot co-auteurschap van … niet aanvaard zou worden en geen enkele oplossing met … bespreekbaar noch bereikbaar was, zelf zou hebben besloten zijn artikel alsnog bij … in te trekken en daarmee een procedure wegens schending wegens plagiaat zou hebben kunnen vermijden. In de email van … 2011 had … immers de voorwaarde gesteld dat zij pas zou “stappen zou ondernemen” indien Klager zou persisteren in zijn houding van onschuld.

Het LOWI is van oordeel dat het moment van abrupt afbreken van de bemiddeling cruciaal is voor de kwalificatie van de handelwijze van Klager. Immers door de abrupte, niet gemotiveerde en niet aan partijen bekend gemaakte beëindiging van elke vorm van bemiddeling en poging het conflict in eigen kring van … op te lossen, is aan Klager een reële mogelijkheid en keus ontnomen om alsnog een voor hem persoonlijk schadelijke klacht wegens plagiaat te ontlopen. Het LOWI houdt de leiding van …, die ruimschoots in gebreke is gebleven bij het primair oplossen van een in eigen kring gerezen conflict over auteurschap, hiervoor verantwoordelijk.

De verantwoordelijkheid voor dit verzuim in het nemen van noodzakelijke verantwoordelijkheid wordt door beide mediators bovendien op elkaar afgeschoven: in een email van … op … 2012 aan Klager, nadat de klacht van …, door de CWI in behandeling was genomen, en Klager aan … gevraagd heeft om het conflict voor de CWI uit te leggen, schrijft deze: “I believe … is in a much better position to write this brief, as he was the mediator between you and …, and he is now in …”. Op dezelfde vraag van Klager aan … antwoordt deze per email op … 2012: “ During the month of … I was in …. All decisions have been taken without consulting me. I have heard that a complaint has been filed about the article of last year. This is all I know, I havn’t taken any initiative in that respect, because the whole thing was on the table of … and not anymore of my concern. He had to solve the issue with you and the students and he obviously did not”. (dossier CWI)

Anders dan het CWI oordeelde kunnen de activiteiten van de bemiddelaars/leidinggevende aan de …, naar het oordeel van het LOWI niet beschreven worden als “te weinig actief”. Dat doet geen recht aan de feiten, is veel te zwak uitgedrukt en legt daarmee de consequenties van de niet genomen verantwoordelijkheid te eenzijdig bij Klager, terwijl de verantwoordelijkheid voor de oplossing van een conflict bij beide partijen ligt en in dit speciale geval vooral bij de leidinggevenden van … zowel in hun positie als leidinggevenden als in hun rol als bemiddelaars.

De klacht van Klager over het tekortschieten van de bemiddelaars bij het vinden van een oplossing van het gerezen conflict is naar het oordeel van het LOWI daarom gegrond.

Uit deze hier beschreven feiten komt tevens naar voren dat de handelwijze van Klager niet uitsluitend te beoordelen valt als een evident en onbetwistbaar geval van plagiaat. Uit deze feiten wordt namelijk voldoende duidelijk dat zowel de leiding van … als de editor van … het alsnog en achteraf erkennen van het co-auteurschap van … als een reële mogelijkheid zagen. Daarmee kan het conflict over de publicatie ook als onenigheid over auteurschap worden gezien.

Het CWI heeft in haar oordeel deze mogelijkheid niet onderzocht. Dit klemt te meer nu de klacht van … van … 2012 zelf spreekt van “while claiming sole authorships rights”(klachtbrief…), hetgeen niet uitsluitend een beschuldiging van plagiaat inhoudt, maar minstens evenzeer kan worden gelezen als een beschuldiging dat andere auteurs niet zijn genoemd.

Het CWI had naar het oordeel van het LOWI op grond van dit klachtonderdeel …nader onderzoek moeten doen naar de mogelijkheid dat de vereiste zorgvuldigheid door Klager was geschonden op andere gronden dan op grond van artikel 1.3 van de Code (plagiaat), namelijk op grond van artikel 1.4 (ontkenning van co-auteurschap). De argumentatie dat in dit geval sprake is van plagiaat is nu in het advies van de CWI te summier gebleven (zie onder Conclusie, CWI –advies…).

7.3 Schending van vertrouwelijkheid in de CWI-procedure

… noemt als een van haar motieven om een klacht wegens plagiaat in te dienen dat zij vernomen had dat Klager aanbevolen was als kandidaat voor een positie bij de universiteit van … (klachtbrief …). Wetende dat een loutere klacht wegens plagiaat reeds veel schade kan berokkenen aan betrokkenen, die van plagiaat beschuldigd worden, zou een kritischer houding bij de CWI over deze zware beschuldiging van plagiaat op zijn plaats zijn geweest, vooral nu deze aanklacht op zich zelf reeds en de facto ernstige schade heeft toegebracht aan Klager, nog voordat enig begin van onderzoek door de CWI naar de klacht was begonnen.

De klacht werd ingediend op … 2012, één jaar nadat het conflict zich had afgespeeld en er sindsdien door alle betrokkenen niets aan een oplossing was gedaan. Op … 2012 ontvangt Klager een emailbericht van het Hoofd … (…), …, dat het aanbod om een tijdelijke positie van lecturer …, beginnende op … tot …, wordt ingetrokken op grond van het feit dat een klacht wegens plagiaat jegens hem is ingediend bij de CWI (zie dossier CWI…).

Het LOWI vraagt zich af hoe het mogelijk is dat een klacht, die op … 2012 is ingediend bij de CWI en die krachtens de Klachtenregeling … onder strikte geheimhouding van alle betrokkenen (artikel …en artikel….) moet worden behandeld binnen één dag niet alleen bekend kon zijn bij een niet bij de CWI-procedure betrokken bestuurslid van …, maar onmiddellijk geleid heeft – zonder enig nader onderzoek – tot rechtspositionele maatregelen door het Hoofd van …. In dit verband vraagt het LOWI zich tevens af hoe het aan … bekend kon zijn dat Klager kandidaat was voor deze positie, nu ook benoemingsprocedures aan strikte vertrouwelijkheid zijn onderworpen (het LOWI is zich ervan bewust dat het niet bevoegd is te oordelen over arbeidsrechtelijke kwesties, maar is wel bevoegd schending van vertrouwelijkheid in procedures over wetenschappelijke integriteit te signaleren).

Klager heeft deze voor hem onverwachte en nadeel brengende consequentie van de klacht door … in de CWI-procedure aan de orde gesteld. Naar zijn mening deed de bekendheid van … met zijn kandidatuur voor een tijdelijke benoeming in relatie tot de tegen hem ingebrachte klacht wegens plagiaat, leidend tot de onmiddellijke intrekking van het aanbod, in ieder geval ernstig afbreuk aan de zuivere intentie van degene die de klacht, meer dan een jaar na het gerezen conflict, wegens plagiaat heeft aangebracht.

De CWI heeft in haar advies aan het Bestuur aan deze verweren geen aandacht besteed noch aan de opvallende schending van de vertrouwelijkheid van de ingediende klacht wegens plagiaat (het LOWI gaat er hierbij niet van uit dat de schending van vertrouwelijkheid afkomstig is uit de CWI zelf, omdat deze commissie één dag na de indiening van de klacht nog niet eens was samengesteld of bijeengekomen).

Naar het oordeel van het LOWI had de CWI wel aandacht moeten schenken aan deze verweren en daarbij alerter moeten zijn om de klacht niet automatisch en uitsluitend in het frame van plagiaat te bezien en te beoordelen, mede vanwege de schadelijke gevolgen die de loutere beschuldiging reeds gehad heeft, voordat het onderzoek door CWI was aangevangen.

Nu de verplichte geheimhouding in de behandeling van de klacht van … aan … – door wie dan ook – evident is geschonden, zoals valt op te maken uit de email van … van … 2012, zal het LOWI in zijn advies aan het Bestuur adviseren aan met deze, niet eerder aan het Bestuur gemelde omstandigheid, rekening te houden. Algemene beginselen van tuchtrecht vereisen dat rekening wordt gehouden met een verlichting van sancties, indien in de procedure zelf ernstige fouten zijn gemaakt door de instantie die de sancties oplegt.

8. Het oordeel van het LOWI

Op basis van het in paragraaf 7.1 gegeven beoordelingskader, dat een uitwerking geeft van het in hoofdstuk 1 van De Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening geformuleerde beginsel van Zorgvuldigheid en op basis van de hierboven in paragrafen 7.2 en 7.3 gegeven overwegingen, komt het LOWI tot het volgende oordeel.

8.1 Schending van wetenschappelijke integriteit

De handelwijze van Klager bij de publicatie van het omstreden artikel in …, in … 2011, is in strijd geweest met de zorgvuldigheid, die door de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening 2004/2012 wordt vereist, nu hij geen recht heeft gedaan aan de substantiële bijdrage van …, student van …, aan zijn artikel en hij wist dat deze bijdrage niet van hem zelf afkomstig was. De anonieme acknowledgement in een voetnoot bij zijn artikel is hiertoe onvoldoende. Deze onzorgvuldigheid houdt een schending in van wetenschappelijke integriteit.

Het LOWI bevestigt hiermee het oordeel van de CWI voor zover het betreft het handelen in strijd met de zorgvuldigheid.
De klacht van Klager dat geen sprake is van schending van wetenschappelijke integriteit is ongegrond.

8.2 Kwalificatie van de schending van wetenschappelijke integriteit

Anders dan de CWI oordeelt het LOWI dat niet buiten alle twijfel (beyond any reasonable doubt) kan worden vastgesteld dat de handelwijze van Klager zonder meer kan worden gekwalificeerd als evident plagiaat (artikel 1.3 van de Gedragscode) nu het in dit geval joint work betrof, waarbij door Klager de erkenning van (mede)auteurschap van … in de publicatie is achterwege gelaten (artikel 1.4 van de Gedragscode).

Na publicatie van het gewraakte artikel in … en nadat het conflict over het artikel is ontstaan heeft Klager via de bemiddelaars de mogelijkheid van co-auteurschap aangeboden, hierin ondersteund door de leiding van … en de editor van …. Naar het oordeel van het LOWI is door de CWI onvoldoende de mogelijkheid onder ogen gezien en niet nader onderzocht of het in strijd handelen met de vereiste zorgvuldigheid op andere gronden dan plagiaat kon worden vastgesteld. Door de CWI is niet nader onderzocht of het klachtonderdeel onder …in de klacht van … 2012, die Klager ervan beschuldigt de memo van … gebruikt te hebben als uitgangspunt van zijn artikel “while claiming sole authorship” (cursivering LOWI) betrekking kan hebben op niet-erkenning van co-auteurschap.

Bovendien ontbraken in … van te voren opgestelde regels en van te voren gemaakte duidelijke afspraken over wetenschappelijke publicaties, die uit het gezamenlijke werk van … konden voortkomen. Dit valt … te verwijten, maar rechtvaardigt de handelwijze van Klager uiteraard niet.

De klacht van Klager dat geen sprake is van schending van wetenschappelijke integriteit wegens plagiaat is gedeeltelijk gegrond in die zin, dat in het licht van de onderzochte feiten en omstandigheden zijn handelwijze is te kwalificeren als niet-erkenning van auteurschap, hetgeen op grond van artikel 1.4 van de Gedragscode wel degelijk een schending van wetenschappelijke integriteit inhoudt. De handelwijze van Klager is echter niet buiten alle twijfel te kwalificeren als plagiaat in de zin van artikel 1.3 van de Gedragscode.

8.3 De bemiddeling door de leiding van …

De CWI stelt in haar advies aan het Bestuur dat het “wenselijk ware geweest als de mediators zich actiever hadden ingezet om in deze kwestie tot een oplossing te komen”. Ter zitting gevraagd waarom de consequenties van deze wenselijkheid door de CWI niet nader zijn onderzocht, werd door de gemachtigde/vertegenwoordigster van de CWI geantwoord, dat het geheel tot de verantwoordelijkheid van Klager behoorde om niet “stil te zitten” en dat hij zelf tot actie had kunnen en moeten overgaan om duidelijkheid in de stand van zaken te verkrijgen.

Naar het oordeel van het LOWI wordt hierbij te eenzijdig de verantwoordelijkheid voor de oplossing van het gerezen conflict uitsluitend en te eenzijdig gelegd bij één van de betrokken partijen. Op grond van artikel 1.5 van de Gedragscode heeft de leiding van een onderzoeksgroep of onderzoekinstituut mede de verantwoordelijkheid om conflicten over auteurschap in eigen kring adequaat en snel te behandelen; een verantwoordelijkheid die in dit geval versterkt is doordat de twee leidinggevenden een rol als bemiddelaars in het conflict hadden aanvaard.

Een bemiddeling behoeft niet noodzakelijk tot een oplossing te leiden, maar indien een oplossing voor een gerezen conflict onmogelijk blijkt, dient dit negatieve resultaat wel aan betrokkenen te worden meegedeeld, opdat deze zich opnieuw op hun positie kunnen bezinnen.

Op grond van de hierboven in paragraaf 8.2.3 beschreven feiten en omstandigheden is het LOWI van oordeel dat de leidinggevenden aan … zowel in hun rol als leidinggevenden, vertegenwoordigers van de Instelling, alsook in hun rol als bemiddelaars ernstig te kort zijn geschoten in het uitoefenen van hun verantwoordelijkheid, die zij hebben om conflicten omtrent auteurschap van wetenschappelijke publicaties in eerste instantie, snel en adequaat, in eigen kring te pogen op te lossen.

De abrupte beëindiging van hun bemiddeling, zonder opgave van redenen en zonder bekendmaking aan de conflicterende partijen, heeft zonder twijfel schade toegebracht aan Klager. Nadat de bemiddelaars én de editor van … wel de redelijkheid van een co-auteurschap hebben onderkend en erkend, hebben de bemiddelaars de mogelijkheid tot herstel van auteurschap door een correctie achteraf in … te publiceren, nooit meer verder onderzocht. Een dergelijk herstel van auteurschap na een gewraakte publicatie is mogelijk en geschiedt regelmatig in wetenschappelijke tijdschriften (vergelijk het advies van LOWI aan het Bestuur … en het definitieve besluit van het Bestuur in de zaak LOWI 2009/7).

Klager is door de onverwachte beëindiging van de bemiddeling de mogelijkheid ontnomen om, indien de bemiddeling tot geen enkel positief resultaat had geleid en … onder geen voorwaarde tot co-auteurschap bereid zou zijn geweest (waar zij ook nimmer toe kan worden verplicht), in elk geval de keus te hebben gehad om zijn betwiste artikel alsnog vrijwillig in te trekken en zodoende een voor hem belastende, en maatschappelijk en wetenschappelijk schadelijke beschuldiging wegens schending van wetenschappelijke integriteit, te voorkomen.

De klacht van Klager dat de mediators verzaakt hebben in een vroeg stadium adequaat op te treden is gegrond.

8.4 Schending van vertrouwelijkheid van de CWI-procedure

Dat de loutere beschuldiging van plagiaat voor Klager de facto reeds schadelijke gevolgen heeft gehad blijkt afdoende uit de feiten zoals weergegeven in paragraaf 7.3. De klacht wegens plagiaat door Klager werd op … 2012 ingediend bij de CWI, een jaar nadat door alle betrokkenen, ook niet door …, ook maar iets was ondernomen aan de oplossing van het nog steeds hangende conflict. Reeds één dag later, op … 2012, ontving Klager van het Hoofd van het Departement …, …, de mededeling dat een aanbod om een tijdelijke positie als lecturer aan de … te bekleden van … tot … , wordt ingetrokken wegens een bij de CWI aangebrachte beschuldiging van plagiaat, nog voordat er enig begin gemaakt was met een onderzoek naar deze klacht.

De klachtbrief van … 2012 jegens Klager bevatte (onder …) een motivering van Klaagster …, die inhield dat zij wilde voorkomen dat Klager zou worden aangesteld aan …. Het LOWI vraagt zich ten eerste af hoe … op de hoogte heeft kunnen zijn van de kandidatuur van Klager, nu benoemingprocedures in het algemeen eveneens onder strikte vertrouwelijkheid plaatsvinden, en ten tweede hoe het Hoofd … reeds één dag na de inzending van de klacht bij de CWI op de hoogte heeft kunnen zijn van de inhoud van deze klacht, nu alle betrokkenen, onder wie de aangever van de klacht, gehouden zijn aan de vertrouwelijkheid, die door de “Klachtenregeling bescherming Wetenschappelijke Integriteit …” geëist wordt.

Klager heeft zich bij de CWI over deze gang van zaken niet alleen beklaagd, maar tevens aan de CWI voorgelegd welke consequenties deze gang van zaken zou kunnen hebben voor de beoordeling van de klacht. De CWI is op dit verweer niet ingegaan. Dezelfde feiten zijn in de klachtprocedure bij het LOWI nogmaals door Klager naar voren gebracht, ten bewijze welke schadelijke gevolgen een, naar de mening van Klager, te lichtvaardige beschuldiging van plagiaat kan hebben.

Het LOWI is met het oog op deze feiten van oordeel dat de CWI kritischer de zware beschuldiging van plagiaat, die grote gevolgen heeft voor elke wetenschappelijke carrière, had moeten onderzoeken en zich in het onderzoek had moeten vergewissen of andere motieven dan uitsluitend van bescherming van wetenschappelijke integriteit een rol hebben kunnen spelen.

Naar algemene beginselen van tuchtrecht dienen ernstige tekortkomingen in tucht- of klachtrechtelijke procedures, die worden gevoerd door Instellingen, als verzachtende omstandigheden te worden aangemerkt bij het opleggen van sancties en het nemen van maatregelen. Naar het oordeel van het LOWI is de schending van de geheimhoudingsplicht, waarvan in casu sprake is – van wie de schending dan ook afkomstig is – een dergelijke omstandigheid.

9. Het advies van het LOWI

Het LOWI adviseert het Bestuur

9.1. Om het oordeel van de CWI dat de handelwijze van Klager is strijd is geweest met de zorgvuldigheid die in de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening 2004/2012 wordt vereist en dat deze handelwijze een schending van wetenschappelijke integriteit inhoudt, te bevestigen met verandering en aanvulling van de gronden, waarop dit oordeel berust, zoals onder 7 vermeld.

9.2 Om het oordeel en het advies van de CWI, dat sprake is van schending van wetenschappelijke integriteit wegens het plegen van plagiaat (artikel 1.3 van de Gedragscode) in heroverweging te nemen en opnieuw te beoordelen of de schending van wetenschappelijke integriteit in dit specifieke geval preciezer gekwalificeerd kan worden als niet-erkenning van co-auteurschap (artikel 1.4 van de Gedragscode). Voor beide kwalificaties zijn redenen te geven, maar het LOWI adviseert het Bestuur bij een heroverweging rekening te houden met de volgende drie overwegingen, die het LOWI op grond van de beoordeling van feiten en omstandigheden eerder in dit advies heeft toegelicht:

a) dat sprake was van joint work in de opzet en uitvoering van …, waarbij in dit programma, zoals de CWI ook opmerkt, te voren geen regels zijn opgesteld noch duidelijke afspraken zijn gemaakt over hoe te handelen bij het publiceren van wetenschappelijke publicaties voortkomend uit het werk in … en ….

b) bij de heroverweging zwaar te laten wegen dat de leiding van …, zowel in hun rol als leidinggevenden, vertegenwoordigers van de Instelling, als in hun rol als bemiddelaars in het gerezen conflict over de erkenning van de substantiële bijdragen van de student(en) op ernstige wijze hun verantwoordelijkheid hebben verwaarloosd om er voor te zorgen dat gerezen conflicten over (co)auteurschap in eerste instantie snel en adequaat in eigen kring bevredigend worden opgelost of dat althans een serieuze poging daartoe gedaan wordt. In deze bemiddelingspoging is de oplossing van een co-auteurschap door de bemiddelaars onderkend, als redelijk erkend, maar nimmer onderzocht en beproefd. De bemiddelingspoging is onaangekondigd, onverwacht en abrupt, zonder opgave van redenen en zonder de conflicterende partijen daarvan op de hoogte te stellen, afgebroken. Na deze beëindiging hebben de leidinggevenden niet meer gedaan noch van zich laten horen.

c) dat door deze handelwijze van de leidinggevenden van … de gevolgen van de niet op gang gebrachte conflictoplossing te eenzijdig op Klager zijn neergekomen; dat door de lakse handelwijze van de leidinggevenden aan Klager de gelegenheid is ontnomen om – indien zou zijn gebleken dat geen enkele oplossing of compromis in het conflict te bereiken was – alsnog en tijdig te beslissen om zijn gewraakte artikel bij … in te trekken en zodoende een voor hem belastende beschuldiging van plagiaat te voorkomen.

9.3 Bij het nemen van maatregelen jegens Klager, op grond van algemene beginselen van tuchtrecht, rekening te houden met de tekortkomingen die in de door de Instelling gevoerde procedure bij de behandeling van de klacht jegens Klager zijn opgetreden, in het bijzonder de voor Klager zeer schadelijke schending – door wie dan ook – van de in de eigen Klachtregeling … vereiste geheimhouding, in een opvallende periode van één dag na het aanbrengen van de klacht. Het LOWI adviseert het Bestuur de consequenties van deze schending van vertrouwelijkheid en het daarop gebaseerde besluit van een van de officiële vertegenwoordigers van …, in zijn definitieve beoordeling te willen betrekken, nu de CWI in haar advies op deze feiten en op het op dit punt gevoerde verweer door Klager, niet is ingegaan.

9.4 Nu Klager niet meer werkzaam is bij … en arbeidsrechtelijke maatregelen, zoals een schriftelijke berisping, niet mogelijk zijn adviseert het LOWI om in het definitieve besluit aan Klager duidelijk kenbaar te maken dat zijn handelwijze bij de publicatie van het betwiste artikel een schending van wetenschappelijke integriteit heeft opgeleverd, maar daarbij tevens aan te geven op welke grond deze schending heeft plaatsgevonden en welk artikel van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening 2004/2012 daarbij is geschonden. Duidelijkheid over deze grond is van
belang voor de wetenschappelijke positie en loopbaan van Klager, nu hij de facto reeds nadeel heeft ondervonden van een, naar het oordeel van het LOWI, te snelle beoordeling van de beschuldiging van plagiaat door een van de vertegenwoordigers van … (in de email over het besluit van … 2012).

9.5 Voorts de door de CWI reeds geadviseerde maatregelen over te nemen, te weten

a) te bewerkstelligen dat het artikel in zijn geheel bij … wordt ingetrokken, nu door … geen toestemming wordt gegeven om de auteursaanduiding van het artikel alsnog te corrigeren, zoals te doen gebruikelijk is in gevallen van niet-erkenning van auteurschap (zie een eerder advies van het LOWI aan het Bestuur). Of in dat geval het artikel van Klager in gewijzigde vorm, met weglating van de gewraakte passages, kan worden gepubliceerd is niet ter beoordeling van het LOWI, maar behoort tot het beleid van de redactie van ….
b) bij … er op aan te dringen dat duidelijke regels en afspraken worden gemaakt voor de wetenschappelijke publicaties die voortvloeien uit het gezamenlijk uitgevoerde onderzoek in het kader van …, opdat langdurig slepende conflicten zoals in de onderhavige zaak in de toekomst kunnen worden voorkomen.

Namens het LOWI,

Prof. dr. mr. C.J.M. Schuyt, Voorzitter

Mr. dr. E.G. van Arkel, Secretaris

Indien Klager van mening is dat de behandeling door het LOWI niet naar behoren is geschied, kan Klager zich, na het nemen van het definitieve besluit van het Bestuur, op grond van de Algemene Wet Bestuursrecht richten tot de Nationale Ombudsman.

 

Print Friendly, PDF & Email