naar aanleiding van het verzoek van:
1. [Verzoeker]
over het uitblijven van een aanvankelijk oordeel van
2. het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit Groningen
Procesverloop
Op 5 februari 2024 heeft Verzoeker een klacht ingediend bij het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit Groningen (hierna: het Bestuur) over een mogelijke schending van wetenschappelijke integriteit door [Betrokkene 1], [Betrokkene 2] (hierna: Betrokkenen) en twee wetenschappers die aan een andere universiteit zijn verbonden.
Op 6 februari 2024 heeft het Bestuur de ontvangst van de klacht bevestigd en aan Verzoeker gemeld dat de klacht voor verdere behandeling aan de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van de universiteit (hierna: CWI) wordt gestuurd.
Op 23 februari 2024 heeft Verzoeker een ontvangstbevestiging van de CWI gekregen.
Op 23 april 2024 heeft Verzoeker het LOWI (met de CWI meegenomen in de cc) gemaild, omdat hij na de ontvangstbevestiging(en) vanuit de universiteit niets meer had vernomen.
Op 24 april 2024 heeft de secretaris van de CWI in een e-mail aan het LOWI gereageerd op dit bericht van Verzoeker. De secretaris geeft daarin aan dat er inmiddels een gezamenlijke CWI is ingesteld met de universiteit waaraan de twee andere wetenschappers zijn verbonden waartegen de klacht mede is gericht. De bestuurlijke afstemming en besluitvorming hierover hebben meer tijd gekost dan verwacht en hiervoor biedt de secretaris Verzoeker excuses aan.
Op 2 mei 2024 heeft het LOWI aan Verzoeker laten weten dat zijn bericht van 23 april 2024 in goede orde werd ontvangen en dat het LOWI de reactie daarop van de CWI-secretaris heeft gelezen. Het LOWI heeft daarbij aangegeven dat het erop vertrouwt dat de CWI Verzoekers zaak nu voortvarend zal behandelen en dat Verzoeker zich tot het LOWI kan wenden met een adviesverzoek zodra het Bestuur een voorlopig oordeel heeft gegeven en Verzoeker het met de inhoud daarvan niet eens is.
Op 17 februari 2026 richt Verzoeker zich opnieuw tot het LOWI omdat er nog steeds geen voorlopig oordeel over zijn klacht is vastgesteld. Daarbij verzoekt hij het LOWI om zijn klacht in behandeling te nemen nu de Rijksuniversiteit Groningen dit structureel heeft nagelaten.
Prof. mr. H.E. Bröring en prof. dr. J.G. van Erp hebben zich in deze zaak verschoond.
Op 19 februari 2026 heeft het LOWI het verzoek in behandeling genomen en het Bestuur in de gelegenheid gesteld om te reageren.
Omdat bleek dat het Bestuur Betrokkenen nog niet op de hoogte had gesteld van de klacht, en het LOWI hen niet wilde overvallen, heeft het LOWI het Bestuur de tijd gegeven om Betrokkenen eerst zelf op de hoogte te stellen van de klacht en de LOWI-procedure. Betrokkenen zijn op 4 maart 2026 door hun universiteit op de hoogte gesteld.
Vervolgens heeft het LOWI Betrokkenen op 5 maart 2026 geïnformeerd over het ontvangen verzoek en uitgenodigd om deel te nemen aan de procedure.
Op 19 maart 2026 hebben zowel het Bestuur als Betrokkenen op het verzoek gereageerd.
Het LOWI heeft het verzoek en de reacties daarop in zijn vergadering van 25 maart 2026 besproken. In die vergadering heeft het LOWI besloten dat het zich op basis van deze stukken voldoende geïnformeerd acht om tot advisering aan het Bestuur over te gaan.
Hieronder wordt dit verder toegelicht en volgt het advies.
Overwegingen
Inleiding
1. Verzoeker klaagt over onderzoek dat Betrokkenen en twee andere wetenschappers in opdracht van de overheid hebben uitgevoerd.
2. Over ditzelfde onderzoek heeft Verzoeker, voordat hij een wetenschappelijke integriteitsklacht indiende, een verzoek om openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob-verzoek) ingediend bij het Bestuur. Dit was in 2022. De hierop volgende bezwaar- en beroepsprocedure is medio 2025 afgehandeld.
3. De door Verzoeker op 5 februari 2024 ingediende wetenschappelijke integriteitsklacht is nog niet afgehandeld.
Ontvankelijkheid verzoek
4. Het LOWI is bevoegd om als tweede instantie (na de CWI) advies uit te brengen aan het Bestuur over wetenschappelijke integriteitsklachten. Hiervoor is in de regel nodig dat het Bestuur eerst en op basis van het CWI-advies een voorlopig oordeel over de klacht heeft gegeven.
5. In het Reglement LOWI 2022 (zie definitiebepalingen) is geregeld dat onder een (voorlopig) oordeel mede wordt verstaan het niet tijdig vaststellen van een oordeel. Hiermee wordt toegang tot het LOWI verleend voor die gevallen waarin een voorlopig oordeel van een bestuur uitblijft.
6. Het LOWI stelt vast dat nog altijd geen beslissing is genomen over Verzoekers wetenschappelijke integriteitsklacht van 5 februari 2024. Gelet hierop is het LOWI bevoegd om van het verzoek kennis te nemen en is het verzoek in behandeling genomen.
Verzoek
7. Verzoeker betoogt dat een beslissing van het Bestuur structureel uitblijft. Volgens hem is geen sprake meer van vertraging, maar van feitelijke niet-behandeling van zijn klacht. Dit is volgens Verzoeker op zichzelf beschouwd een integriteitsschending, omdat het de werking van de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018 (hierna: gedragscode) frustreert. Ook vormt dit volgens Verzoeker een probleem voor effectieve rechtsbescherming, ondergraaft dit het vertrouwen in het integriteitssysteem en creëert dit institutionele straffeloosheid. Het niet-behandelen van zijn klacht is volgens Verzoeker in strijd met de zorgplichten uit de gedragscode en in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker zet de kern van zijn klacht inhoudelijk uiteen en vraagt het LOWI kort gezegd om zijn klacht rechtstreeks zelf te behandelen.
Standpunt Bestuur en Betrokkenen
8. Het Bestuur wil Verzoeker en Betrokkenen niet de mogelijkheid ontnemen van een procedure in twee instanties. Het Bestuur heeft navraag bij de CWI gedaan. Hieruit blijkt dat de CWI Verzoeker op 26 februari 2026 heeft gevraagd om zijn klacht van 5 februari 2024 te concretiseren, hetgeen Verzoeker op 18 maart 2026 heeft gedaan. Het Bestuur gaat ervan uit dat de CWI de afhandeling van de klacht nu voortvarend ter hand zal nemen. Het Bestuur merkt daarbij ook op dat Verzoeker eerder Wob-verzoeken bij de universiteit heeft ingediend waarvan één Wob-verzoek over het onderzoeksrapport dat ook in deze wetenschappelijke integriteitsprocedure centraal staat. Het Bestuur wijst op de uitspraak van de bestuursrechter in die Wob-procedure. Volgens het Bestuur zal de omstandigheid dat Verzoeker geen onbekende is van de universiteit, een onbevooroordeelde blik van het Bestuur op zijn klacht niet in de weg staan. Het Bestuur biedt Verzoeker tot slot excuses aan voor het niet eerder oppakken van zijn klacht van 5 februari 2024 en zegt erop toe te zullen zien dat zijn klacht onbevooroordeeld en met spoed zal worden afgewikkeld.
9. Betrokkenen wijzen het LOWI erop dat zij pas zeer recent op de hoogte zijn gebracht van het bestaan van de wetenschappelijke integriteitsklacht tegen hen. Zij vragen het LOWI om geen gehoor te geven aan Verzoekers wens om de onderliggende klacht zelf te behandelen. Betrokkenen geven er de voorkeur aan dat de klacht (eerst) door de CWI wordt behandeld zoals gebruikelijk is.
Is de klachtbehandeling zorgvuldig geweest?
10. In artikelen 4.6 en 5.1 van de Klachtenregeling Wetenschappelijke Integriteit 2020 van de Rijksuniversiteit Groningen is een behandeltermijn opgenomen van maximaal 18 weken gerekend vanaf de datum waarop de klacht is ingediend (10 plus 4 weken voor een CWI-advies en 4 weken voor een daaropvolgende beslissing van het Bestuur). Voor Verzoeker betekent dit dat er uiterlijk 10 juni 2024 een voorlopig oordeel over zijn klacht had moeten worden vastgesteld. Dat is niet gebeurd. Ook niet na de e-mail van het LOWI van 2 mei 2024 dat het LOWI erop vertrouwde dat Verzoekers klacht nu voortvarend zou worden behandeld. Niet alleen is in deze zaak sprake van termijnoverschrijding, maar zoals Verzoeker terecht stelt is zijn klacht simpelweg niet behandeld. De CWI is het bestaan en de behandeling van de klacht volledig uit het oog verloren. Sinds mei 2024 lijkt er niets meer met de klacht te zijn gebeurd en Betrokkenen zijn niet op de hoogte gesteld van het bestaan van de klacht die tegen hen was ingediend (wel van de Wob-procedure).
11. Gelet op het voorgaande is het LOWI van oordeel dat de klacht niet met de vereiste zorgvuldigheid is behandeld. Zoals Verzoeker terecht heeft betoogd, ondermijnt deze gang van zaken de effectiviteit van de klachtenprocedure. Het LOWI acht deze gang van zaken bovendien onnodig belastend voor Verzoeker maar ook voor de wetenschappers tegen wie de klacht is gericht. Het is bekend (zie bijvoorbeeld p. 34-36 van het onderzoeksrapport
‘Het LOWI ervaren’ van Pro Facto van 25 mei 2023) dat een wetenschappelijke integriteitsprocedure heel ingrijpend kan zijn voor wetenschappers. Dat Betrokkenen zich door een onzorgvuldigheid van de universiteit na meer dan twee jaar nog tegen een wetenschappelijke integriteitsklacht moeten verweren is mede gelet daarop niet aanvaardbaar. Om dit soort situaties in de toekomst te voorkomen zal het LOWI het Bestuur adviseren om de implementatie van de klachtenprocedure te evalueren en maatregelen te treffen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat dit in de toekomst niet meer kan gebeuren.
12. Verzoeker heeft betoogd dat het feitelijk niet-behandelen van zijn klacht op zichzelf een integriteitsschending is en in strijd met de zorgplichten voor instellingsbesturen zoals die in de gedragscode zijn neergelegd. Het LOWI kan zich hier niet over uitlaten, omdat in de gedragscode is vastgesteld dat in de klachtenprocedure niet over zorgplichten kan worden geklaagd (zie nr. 4.1 op pagina 20 van de gedragscode).
13. Dit laat onverlet dat het vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid die bij de klachtbehandeling moet worden betracht (zie overweging 11), onaanvaardbaar is dat bijna twee jaar na ontvangst van de klacht nog altijd geen CWI-advies is uitgebracht en geen voorlopig oordeel is vastgesteld.
14. Gelet hierop is het verzoek gegrond.
Behandeling door de CWI
15. Het LOWI zal de klacht echter niet zelf behandelen zoals Verzoeker heeft gevraagd, maar zal de klachtbehandeling overlaten aan de gezamenlijke CWI die hiervoor is ingesteld en die de klacht, gelet op het verweerschrift van het Bestuur, nu daadwerkelijk in behandeling heeft. Reden voor het LOWI om de klachtbehandeling niet aan zich te houden is dat Betrokkenen en het Bestuur hebben aangegeven dit niet te willen. Wat ook meeweegt in dit besluit is dat het verzoek alleen is gericht tegen het uitblijven van een beslissing van (het College van Bestuur) van de Rijksuniversiteit Groningen, terwijl de onderliggende klacht mede is gericht tegen twee wetenschappers van een andere universiteit.
16. Het Bestuur heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat het erop zal toezien dat de klacht met spoed wordt afgewikkeld. Het LOWI zal het Bestuur adviseren om dit inderdaad te doen. Nu de CWI de klacht vanaf 26 februari 2026 kennelijk weer heeft opgepakt, acht het LOWI het redelijk dat er uiterlijk 10 weken later (7 mei 2026), eventueel met verlenging van vier weken (4 juni 2026), een CWI-advies aan het Bestuur wordt uitgebracht waarna het Bestuur zo snel mogelijk maar uiterlijk vier weken later een voorlopig oordeel moet kunnen hebben vastgesteld. Als op 2 juli 2026 nog steeds geen voorlopig oordeel is vastgesteld, zal het LOWI opnieuw bezien of het een eigen onderzoek naar de klacht instelt.
ADVIES
Het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit:
I. verklaart het verzoek gegrond;
II. adviseert het Bestuur:
erop toe te zien dat de klacht zo spoedig mogelijk wordt behandeld en daarbij de in overweging 16 genoemde data in acht te nemen;
b. de implementatie van de klachtenprocedure te evalueren en maatregelen te treffen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het in de toekomst niet meer kan gebeuren dat een wetenschappelijke integriteitsklacht niet wordt behandeld terwijl dit wel had gemoeten.
Aldus vastgesteld op 20 april 2026 door mr. E.J. Daalder, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Zweistra, ambtelijk secretaris.