naar aanleiding van het verzoek van:
1. [Verzoeker]
over het aanvankelijke oordeel van
2. het College van Bestuur van de Radboud Universiteit
Procesverloop
Op 11 december 2024 heeft Verzoeker een klacht ingediend bij de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van de Radboud Universiteit (hierna: CWI) over een mogelijke schending van wetenschappelijke integriteit door [Betrokkene 1], [Betrokkene 2] en [Betrokkene 3] (hierna: Betrokkenen). Op 16 december 2024 heeft Verzoeker zijn klacht aangevuld.
De CWI heeft het College van Bestuur van de Radboud Universiteit (hierna: het Bestuur) op 20 augustus 2025 geadviseerd de klacht ongegrond te verklaren.
Op 3 september 2025 heeft het Bestuur dit advies overgenomen en de klacht ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (hierna: LOWI) op 22 september 2025 verzocht advies uit te brengen over dit voorlopige oordeel van het Bestuur.
Het LOWI heeft besloten het verzoek in behandeling te nemen.
Het Bestuur en Betrokkenen hebben een verweerschrift ingediend.
Verzoeker heeft op deze verweerschriften gereageerd.
Zowel het Bestuur als Betrokkenen hebben een laatste reactie ingediend.
Het LOWI heeft hierna besloten dat het zich voldoende geïnformeerd acht en dat het de zaak op de stukken zal behandelen.
Partijen zijn van dit besluit om geen hoorzitting te houden op de hoogte gebracht.
Overwegingen
Inleiding
1. Verzoeker was werkzaam bij het Radboud UMC. Daar verrichtte hij ondersteunende IT-werkzaamheden binnen een onderzoeksgroep. Ten tijde van het indienen van de klacht was Verzoeker nog in dienst. Inmiddels is zijn contract niet verlengd en daarmee is zijn dienstverband beëindigd. Verzoeker heeft zijn klacht gericht tegen de projectleider, tegen zijn leidinggevende en tegen het afdelingshoofd.
Verkorte weergave
2. In het CWI-advies wordt de klacht van Verzoeker samengevat in vijf klachtonderdelen. In dit advies volstaat het LOWI met de weergave van het tweede klachtonderdeel. Gelet op het verzoekschrift waarin onder meer staat dat repliceerbaarheid vanaf dag één van de klacht centraal stond, meent het LOWI dat hiermee de kern van de klacht wordt weergegeven en dat dit voor een goed begrip van het verdere LOWI-advies voldoende is.
Klacht
3. Verzoeker klaagt over een gebrek aan transparantie en verifieerbaarheid rondom het onderzoek binnen de afdeling waar hij werkt. Op de afdeling is men voornemens replicatiestudies te doen. Toch is Verzoeker ontevreden, omdat wordt gefocust op een artikel van iemand die al met pensioen is. Vanuit Verzoekers perspectief “is hier een schijnbeweging gaande waarbij een blik op eigen werk wordt ontweken.” Om het patroon dat hij ziet van onzorgvuldige omgang met data aan te tonen heeft Verzoeker concrete bezwaren geformuleerd tegen drie artikelen en een dataset. Over de dataset klaagt hij dat onvoldoende precisie wordt betracht bij het registreren van een bepaald feit, omdat alleen een jaartal in plaats van een volledige datum wordt gebruikt. Over de drie artikelen (waarvan de projectleider en het afdelingshoofd co-auteur zijn) luidt de klacht als volgt. In artikel 1 is de populatie volgens Verzoeker niet op een voldoende precieze manier bepaald. Verzoeker vermoedt dat onzuivere motieven hierbij een rol hebben gespeeld om een zo groot mogelijke populatie te hanteren. Over artikel 2 stelt Verzoeker dat tabellen incorrecte waarden bevatten, variërend van typefouten tot percentages die met een onduidelijk N-totaal zijn berekend. In artikel 3 staat dat de in het onderzoek gehanteerde code op verzoek beschikbaar is, maar dat is volgens Verzoeker incorrect omdat de code dan wel syntax ontbreekt.
Standpunt Betrokkenen
4. De wetenschappers tegen wie de klacht is gericht, hebben zich bij de CWI op het standpunt gesteld dat zij voldoen aan wetenschappelijke integriteitsstandaarden en dat de klacht volledig is terug te voeren op de ontstane arbeidssituatie en het functioneren van Verzoeker.
CWI-advies
5. De CWI concludeert dat de discussie over populatiegrootte in artikel 1 een verschil van wetenschappelijk inzicht betreft. Verder bevat dit artikel in een van de tabellen een typefout in de N-waarde (N=7 in plaats van N=17). De ervaring van de CWI-leden is dat dit soort zaken met enige regelmaat voorkomen in wetenschappelijk onderzoek. Volgens de CWI is niet gebleken van het bewust vermelden van een onjuiste N-waarde en gaat het niet om een verschil dat de strekking van het artikel zou veranderen.
6. Over artikel 2 stelt de CWI dat een onduidelijk N-totaal op zichzelf nog niet maakt dat sprake is van incorrecte waarden. De CWI constateert dat Verzoeker de data zelf niet kon narekenen omdat hij geen toegang had tot bronbestanden. De CWI heeft codes en outputtabellen opgevraagd om te controleren of de gegevens in de drie artikelen waarover wordt geklaagd reproduceerbaar zijn en in zoverre wordt voldaan aan de normen in paragrafen 3.3 (uitvoering) en 3.4 (verslaglegging) van de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018. Uit deze informatie blijkt volgens de CWI dat de code en de uitkomsten van analyses die ten grondslag lagen aan de drie artikelen beschikbaar waren en dat Betrokkenen zich op dit punt hebben gedragen zoals van hen op basis van de gedragscode mag worden verwacht.
Voorlopig oordeel
7. Het Bestuur volgt de bevindingen van de CWI en verklaart de klacht ongegrond.
Verzoek
8. Verzoeker betoogt kort samengevat dat de klachtbehandeling oneerlijk is verlopen. Verzoeker ziet de CWI als onderdeel van de organisatie (zijn werkgever) die zich tegen hem heeft gekeerd. Hij stelt dat arbeid en wetenschap onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en dat een wetenschappelijk kritische houding leidt tot de sloop van een loopbaan. Het LOWI interpreteert dit zo dat Verzoeker stelt dat het arbeidsconflict niet de oorzaak, maar het gevolg is van zijn zorgen over de wetenschappelijke integriteit in de onderzoeksgroep. Verzoeker voert over de oneerlijke klachtbehandeling meer concreet aan dat de CWI de klachtenprocedure opzettelijk heeft vertraagd om de HR-afdeling en het afdelingshoofd ruimte te geven Verzoeker op non-actief te stellen en te houden en richting een einde van het dienstverband toe te werken. Verzoeker verwijt de CWI dat deze pas in een laat stadium aanvullende informatie heeft opgevraagd, die informatie vervolgens opzichtig verkeerd heeft geïnterpreteerd, dat de hoorzitting laat werd ingepland en dat de CWI een adviestermijn had gemist zonder hierover te communiceren. Verder betoogt Verzoeker dat sprake is van belangenverstrengeling bij één van de CWI-leden vanwege diens (neven)functie bij [een bepaalde organisatie]. Verzoeker hekelt tot slot het feit dat hij alleen op feitelijke onjuistheden in het CWI-advies mocht reageren. Volgens hem is dat een door de CWI zelfverzonnen restrictie. Hij is het ook niet eens met de wijze waarop de secretaris van de CWI met zijn commentaar op het CWI-advies is omgesprongen.
Verweerschriften
9. Zowel het Bestuur als Betrokkenen stellen dat het LOWI de behandeling van deze zaak zou moeten stoppen omdat het verzoek onvoldoende is onderbouwd. De advocaat van Betrokkenen stelt dat Verzoeker geen belang heeft bij een advies van het LOWI, omdat de procedurele kritiek die Verzoeker heeft geuit niet doorwerkt in de inhoud van het CWI-advies. Het Bestuur weerspreekt daarnaast de procedurele kritiek van Verzoeker. Dit gedeelte van het verweerschrift van het Bestuur wordt niet hier weergegeven, maar bij de inhoudelijke beoordeling van het verzoek, in overweging 16.
Reactie Verzoeker
10. Verzoeker reageert dat hij niet over rechtsbijstand beschikt en dat eventuele inefficiënties aan zijn kant onder meer door onervarenheid komen. Verder geeft hij aan niet langer toegang te hebben tot bestanden vanwege het aflopen van zijn dienstverband en dat dit de onderbouwing van zijn standpunt bemoeilijkt. Verzoeker kan niet sluitend bewijzen dat codes/syntaxen niet tijdig beschikbaar waren, maar op basis van zijn ervaring op de afdeling blijft het voor hem duidelijk dat “er af en toe wat syntax werd opgeslagen, maar niet standaard bruikbaar voor replicaties”.
11. Wat betreft de gebreken die Verzoeker ziet in de gevolgde CWI-procedure, vult Verzoeker aan dat de secretaris hem vergat te informeren over het aan Betrokkenen verleende uitstel om een schriftelijke reactie in te dienen. Ook vult hij aan dat de CWI weigerde zijn stuk van 7 april 2025 toe te voegen aan het dossier. Verzoeker voegt dat stuk alsnog toe aan het LOWI-dossier en geeft aan dat hierin feitelijke onjuistheden in de standpunten van Betrokkenen worden weersproken. Omdat het stuk door de CWI werd geweigerd, zijn die onjuistheden helaas ook in het CWI-advies terechtgekomen, aldus Verzoeker.
12. Tot slot erkent Verzoeker dat het niet terecht is om bij het LOWI de mogelijke belangenverstrengeling van een CWI-lid ter discussie te stellen, omdat het betreffende commissielid aan het begin van de hoorzitting zijn nevenfunctie benoemde en aangaf dat hij zelf vond dat er geen sprake was van belangenverstrengeling. Verzoeker merkt op dat hij toen ook al iets had kunnen zeggen.
Laatste reacties
13. In zijn laatste reactie stelt het Bestuur zich op het standpunt dat in deze fase bij het LOWI geen nieuwe klachtonderdelen in behandeling genomen kunnen worden en dat dit ook geldt voor nieuwe stukken die Verzoeker bij het LOWI heeft ingediend. Verzoekers opmerking dat het niet terecht is om de vermeende belangenverstrengeling van het CWI-lid ter discussie te stellen, vat het Bestuur op als een intrekking van dit punt. Verder herhaalt het Bestuur dat een groot deel van Verzoekers standpunten betrekking heeft op het arbeidsconflict dat buiten de LOWI-beoordeling dient te blijven en dat het verzoek geen gronden bevat zodat het kennelijk ongegrond moet worden verklaard.
14. Betrokkenen stellen zich bij monde van hun advocaat op het standpunt dat de reactie van Verzoeker, ook als deze welwillend wordt gelezen, grotendeels onnavolgbaar is. Betrokkenen verwijzen naar hun verweerschrift en stellen dat voor nieuwe stukken in deze fase van de procedure geen plaats is.
Oordeel LOWI
Samenvatting oordeel LOWI
15. De kern van Verzoekers betoog is dat de CWI-procedure oneerlijk is verlopen. Het LOWI heeft alle door Verzoeker aangevoerde argumenten beoordeeld en ziet daarin geen reden om te concluderen dat de procedure bij de CWI en het Bestuur oneerlijk of onzorgvuldig is verlopen. Hieronder wordt dit verder toegelicht.
Vertraging
16. Verzoeker stelt dat de CWI de procedure bewust heeft vertraagd. Hiervan is naar het oordeel van het LOWI niet gebleken. Voor de langere duur van de procedure zijn bovendien redelijke verklaringen gegeven. Zo heeft het Bestuur in zijn stukken aan het LOWI toegelicht dat Verzoeker op de ochtend van de hoorzitting nog een stuk wilde toevoegen aan het CWI-dossier. Om deze reden was na de hoorzitting een extra schriftelijke ronde nodig om Verzoekers wens te kunnen honoreren en tegelijkertijd aan het vereiste van hoor en wederhoor te kunnen voldoen. Dat de CWI na deze schriftelijke uitwisseling besloot om databronnen en syntaxen op te vragen, acht het LOWI begrijpelijk en zorgvuldig, welke zorgvuldigheid ook in Verzoekers belang was. Van het vervolgens verkeerd interpreteren van de ontvangen bestanden, zoals Verzoeker stelt, is niet gebleken. Verzoeker heeft dit ook niet nader onderbouwd zodat het LOWI hier verder aan voorbij gaat. Dat aan een partij desgevraagd uitstel wordt verleend voor een bepaalde schriftelijke reactie is op zichzelf genomen niet oneerlijk. Verder biedt artikel 4, lid 8, van de Regeling Wetenschappelijke Integriteit 2022 van de Radboud Universiteit aan de CWI de mogelijkheid om haar adviestermijn te verlengen zoals zij heeft gedaan. De secretaris van de CWI had Verzoeker over beide punten (het verleende uitstel aan Betrokkenen en het verlengen van de adviestermijn) moeten inlichten. Dat dit werd vergeten is ongelukkig, maar dit maakt de procedure in haar gehele verloop bezien naar het oordeel van het LOWI niet oneerlijk of onzorgvuldig.
Stuk van 7 april 2025
17. Verzoeker mocht zijn stuk van 7 april 2025 niet meer inbrengen bij de CWI. Dit is naar het oordeel van het LOWI begrijpelijk en redelijk. De CWI had partijen immers al uitgebreid mondeling gehoord en er had al een schriftelijke uitwisseling van standpunten plaatsgevonden. Bovendien heeft Verzoeker dit stuk nu alsnog bij het LOWI ingebracht. Het LOWI volgt het Bestuur en Betrokkenen niet in hun standpunt dat Verzoeker dit stuk niet zou mogen inbrengen in de LOWI-procedure. De inhoud van het stuk geldt niet als een ongeoorloofde uitbreiding van Verzoekers oorspronkelijke klacht waarvoor in deze fase van de procedure geen ruimte meer is.
Handelen secretaris
18. Naar het oordeel van het LOWI is het niet onzorgvuldig maar juist transparant dat de secretaris Verzoekers reactie op het rapport van bevindingen van de CWI in haar geheel heeft meegestuurd aan het Bestuur. Ook in de overige communicatie van de secretaris aan het Bestuur ziet het LOWI, anders dan Verzoeker, vanuit het oogpunt van een zorgvuldige klachtbehandeling geen tekortkomingen.
Nevenfunctie CWI-lid
19. Het LOWI volgt Verzoeker evenmin in zijn betoog dat sprake is van belangenverstrengeling bij de CWI gelet op een nevenfunctie van één van de CWI-leden [bij een bepaalde organisatie]. Niet valt in te zien waarom deze expertise die – zoals het Bestuur terecht heeft opgemerkt – juist relevant was voor de behandeling van de klacht, aanleiding geeft voor een objectief gerechtvaardigde vrees bij Verzoeker dat de CWI vooringenomen zou zijn. Verzoekers klacht ging immers over de Betrokkenen, die onder meer met [data van die bepaalde organisatie] werken, maar niet over [die organisatie] zelf. De nevenfunctie van het CWI-lid houdt onvoldoende direct verband met partijen of met de inhoud van de klacht voor een gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid van de CWI.
Tot slot
20. In deze zaak is Verzoekers wetenschappelijke integriteitsklacht verweven met het arbeidsconflict dat tot het einde van zijn dienstverband heeft geleid, hetgeen ook tot uitdrukking komt in de van Verzoeker afkomstige stukken. Zoals partijen weten, is het LOWI niet bevoegd om te oordelen over arbeidsconflicten. Het LOWI heeft dat in dit advies daarom niet gedaan.
21. Zowel het Bestuur als Betrokkenen hebben zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat het LOWI het verzoek niet in behandeling zou moeten nemen omdat het verzoek kennelijk ongegrond is wegens een gebrek aan gronden en/of gebrek aan belang. Het LOWI onderschrijft dat standpunt niet. Hoewel het verzoek onvoldoende aanknopingspunten bevat voor het LOWI om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de procedure en de juistheid van het voorlopig oordeel (het door Verzoeker alsnog ingediende stuk van 7 april 2025 maakt dit niet anders), bevatte het verzoek wel degelijk argumenten die het LOWI op hun eigen merites diende te beoordelen. Mede hierom heeft het LOWI Verzoekers reactie dat hij de nevenfunctie van een CWI-lid al eerder had kunnen adresseren niet opgevat als intrekking van dat argument.
Conclusie
22. Verzoekers argumenten brengen het LOWI niet tot een ander oordeel over de klacht dan het op het CWI-advies gebaseerde voorlopig oordeel van het Bestuur. Het verzoek is ongegrond. Het LOWI zal het Bestuur adviseren om Verzoekers klacht definitief ongegrond te verklaren.
ADVIES
Het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit:
I. Verklaart het verzoek ongegrond;
II. Adviseert de klacht definitief ongegrond te verklaren.
Aldus vastgesteld op 23 februari 2026 door mr. E.J. Daalder, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Zweistra, ambtelijk secretaris.