naar aanleiding van het verzoek van:
1. [Verzoeker]
over het oordeel van
2. Het College van Bestuur van de Vrije Universiteit Amsterdam
Procesverloop
Op 7 maart 2025 heeft Verzoeker zich tot het meldpunt integriteit van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (hierna: NWO) gericht met een klacht.
Op 14 april 2025 heeft NWO deze klacht ter behandeling doorgestuurd aan de CWI van de Vrije Universiteit Amsterdam (hierna: VU).
NWO heeft ook met ZonMW, de financier van het onderzoek waarover Verzoeker klaagt, contact gehad. Hieruit blijkt dat Verzoeker eerder, op 26 december 2024, bij ZonMW een klacht heeft ingediend over dit onderzoek.
Op 22 april 2025 heeft de CWI van de VU Verzoeker in de gelegenheid gesteld om zijn klacht over schending van de wetenschappelijke integriteit nader toe te lichten. Voor zover Verzoeker melding maakt van ernstige misdrijven, heeft de CWI Verzoeker gewezen op de mogelijkheid om aangifte te doen bij de politie.
Verzoeker heeft zijn klacht op 6 mei 2025 aangevuld.
De penvoerder van het onderzoek […], die uit hoofde van zijn penvoerderschap als beklaagde is aangemerkt, heeft op 16 juni 2025 gereageerd op de klacht.
De CWI heeft het College van Bestuur van de VU (hierna: het Bestuur) op 6 oktober 2025 geadviseerd de klacht ongegrond te verklaren. Verzoeker is in de maanden daarvoor in de gelegenheid gesteld om een conceptversie van het advies op feitelijke onjuistheden te controleren en heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.
Het Bestuur heeft de klacht in een beslissing van 10 november 2025 ongegrond verklaard en daarmee het CWI-advies opgevolgd.
Op 21 december 2025 heeft Verzoeker zich tot het LOWI gericht met een verzoek om advisering.
Het LOWI heeft op 7 januari 2026 nadere stukken bij Verzoeker opgevraagd. Verzoeker heeft deze stukken dezelfde dag aan het LOWI toegestuurd.
Het LOWI heeft het verzoek in zijn vergadering van 28 januari 2026 besproken en heeft daarin besloten direct tot advisering over te gaan omdat op grond van het verzoek en de door het LOWI opgevraagde stukken al duidelijk is dat het verzoek ongegrond is. Hieronder licht het LOWI dit verder toe.
Overwegingen
Inleiding
1. Verzoeker heeft in 2014 een [medisch] onderzoek ondergaan […].
2. De klacht van Verzoeker gaat over een medisch-wetenschappelijk onderzoek uit diezelfde periode. Dit wetenschappelijk onderzoek bestond onder meer uit een klinische studie naar de implementatie van een bepaald type […] test. […]
3. Betrokkene was penvoerder van het wetenschappelijk onderzoek en verbonden aan het Amsterdam UMC (destijds VUmc), één van de centra die meedeed aan het multicenter onderzoek.
Klacht
4. Verzoeker klaagt dat hij zonder het te weten en tegen zijn wil heeft meegedaan aan het medisch-wetenschappelijk onderzoek waarbij heimelijk een [apparaat] op hem is getest […]. Hij stelt dat dit onder [een vals] voorwendsel […] is gebeurd […] op 27 augustus 2014. Verzoeker noemt de [medisch specialisten] en huisarts bij naam en noemt ook een ex-partner die bij deze gestelde heimelijke [ingreep] een rol zouden hebben gespeeld. Verzoeker is naar eigen zeggen ten onrechte geïnformeerd [over een bepaald feit] en zou een vals [medisch] verslag hebben gekregen. Verzoeker stelt hier pas recent achter te zijn gekomen. In zijn verduidelijking van de klacht van 6 mei 2025 stelt Verzoeker dat met deze gang van zaken [een bepaalde wet], de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO) en verschillende Europese verordeningen zijn geschonden. Ook zou norm 26 uit de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018 zijn geschonden. Deze norm luidt kort gezegd dat rekening moet worden gehouden met belangen van (proef)personen waarbij in ieder geval alle wettelijke voorschriften en gedragscodes in acht worden genomen.
Standpunt penvoerder
5. De penvoerder van het onderzoek stelt bij de CWI dat de klacht
niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, omdat de klacht niet tegen hem is gericht en omdat niet duidelijk is wat de vermeende schending van de wetenschappelijke integriteit is. De penvoerder wijst erop dat locatie [waar Verzoeker een medisch onderzoek heeft ondergaan] voor wat betreft het wetenschappelijk onderzoek onder de [verantwoordelijkheid] van Maastricht UMC+ viel en niet onder [die] van het Amsterdam UMC (toen: VUmc) waar hij aan verbonden was en is. Het is voor de penvoerder onbekend of Verzoeker daadwerkelijk aan het medisch-wetenschappelijk onderzoek heeft deelgenomen. De penvoerder wijst er ook op dat niet moet worden onderschat wat de impact is van een klacht over schending van de wetenschappelijke integriteit.
Voorlopig oordeel en CWI-advies
6. Het Bestuur heeft de klacht ontvankelijk maar ongegrond verklaard. Volgens het Bestuur kan de penvoerder de wetenschappelijke integriteit niet hebben geschonden in het kader van het medisch-wetenschappelijk onderzoek in de regio Eindhoven waaraan Verzoeker stelt te hebben deelgenomen, omdat die regio onder verantwoordelijkheid van het Maastricht UMC+ viel. Het Bestuur volgt met dit voorlopige oordeel het CWI-advies.
Verzoek
7. Verzoeker betwist de onpartijdigheid en rechtmatigheid van de procedure bij de CWI en wijst op de conceptversie van het CWI-advies die hij in augustus kreeg toegestuurd. Verzoeker stelt dat in dat concept zonder enige toetsing werd gesteld dat de hoofdauteur niet verantwoordelijk was voor de inbreuk die tegen Verzoeker was gepleegd. Verzoeker stelt ook dat de informatiepositie van de CWI niet op orde was. Zo beschikte de CWI niet over alle stukken die Verzoeker bij NWO had ingediend. Verzoeker meent dat de procedure is gebruikt om de zaak te verdoezelen en dat de CWI ten onrechte niet alle onderzoeksgegevens heeft ingezien en onderzocht terwijl zij daartoe wel de bevoegdheid heeft. In de opmerkingen van Verzoeker bij het concept CWI-advies zoals dat in augustus 2025 met hem was gedeeld schrijft hij: ‘Waarom heeft de CWI niet om het [medisch] rapport gevraagd van de klager en de scan […]? Deze rapporten tonen de [ingreep] die wordt uitgevoerd en de naam van de licentiehouder van het onderzoek die het heeft voorbereid.’
Oordeel LOWI
8. Betrokkene is penvoerder van het onderzoek. Op hem rust daarom een bijzondere verantwoordelijkheid voor het onderzoek. Gelet op deze positie acht het LOWI het correct dat Betrokkene als beklaagde is aangemerkt in een wetenschappelijke integriteitsklacht over het onderzoek waarin geen specifieke namen van wetenschappers worden genoemd die aan het onderzoek hebben deelgenomen. Bij een inhoudelijke behandeling dient de klacht evenwel uitsluitend in het kader van die verantwoordelijkheid van Betrokkene als penvoerder te worden beoordeeld.
9. Over de klacht oordeelt het LOWI als volgt.
10. Het LOWI is het met de penvoerder eens dat de klacht geen duidelijke omschrijving bevat van de veronderstelde schending van de wetenschappelijke integriteit. Ook nadat de CWI hierom heeft verzocht, geeft Verzoeker geen duidelijke omschrijving.
11. Verzoeker heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij heeft deelgenomen aan de wetenschappelijke studie waarover hij klaagt. Volledigheidshalve heeft het LOWI bij Verzoeker het [medisch] rapport en de […] beelden opgevraagd waarnaar hij in zijn opmerkingen op het concept CWI-advies heeft verwezen. Uit deze stukken blijkt niet van een connectie tussen het [medische] onderzoek dat Verzoeker heeft ondergaan en de medisch-wetenschappelijke studie waarover hij klaagt.
12. Gelet op het voorgaande is het LOWI van oordeel dat de klacht van Verzoeker niet inhoudelijk in behandeling genomen had hoeven te worden. Artikel 5.5, onder b, van de Klachtenregeling Wetenschappelijke Integriteit Vrije Universiteit Amsterdam 2022 bepaalt immers dat een klacht uitsluitend in behandeling wordt genomen als deze een duidelijke omschrijving bevat van de veronderstelde schending van de wetenschappelijke integriteit en is voorzien van de daarop betrekking hebbende stukken.
13. Het verzoek is om deze reden al ongegrond. Het LOWI zal het Bestuur adviseren de klacht niet-ontvankelijk te verklaren in het definitieve oordeel.
ADVIES
Het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit:
I. verklaart het verzoek kennelijk ongegrond;
II. adviseert het College van Bestuur van de VU om de klacht in het definitieve oordeel niet-ontvankelijk te verklaren.
Aldus vastgesteld op 9 februari 2026 door mr. E.J. Daalder, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Zweistra, ambtelijk secretaris.