Categorieën
Advies

Advies 2026-14

Zie zaak 2026-13

naar aanleiding van het verzoek van:

1. [Verzoeker]

over het aanvankelijk oordeel van

2. het College van Bestuur van de Universiteit Maastricht

Procesverloop

Op 17 juni 2025 heeft [Verzoeker] een klacht ingediend bij de Commissie Wetenschappelijke Integriteit (hierna: CWI) van de Universiteit Maastricht over een mogelijke schending van de wetenschappelijke integriteit door [Betrokkene 1] en
[Betrokkene 2].

Een gelijkluidende klacht heeft Verzoeker ingediend bij een andere universiteit waar Betrokkene 2 eerder aan verbonden was. Verder heeft Verzoeker een gelijkluidende klacht ingediend tegen een derde wetenschapper die aan een andere universiteit is verbonden.

De Colleges van Bestuur van deze drie universiteiten hebben besloten om een gezamenlijke CWI in te stellen voor de behandeling van deze klachten.

Op 13 oktober 2025 heeft de gezamenlijke CWI geadviseerd de klacht niet in behandeling te nemen.

Het College van Bestuur van Universiteit Maastricht (hierna: Bestuur) heeft dit advies opgevolgd en heeft op 12 november 2025 besloten om de klacht niet inhoudelijk in behandeling te nemen.

Verzoeker heeft het LOWI op 22 december 2025 om advies gevraagd over dit voorlopig oordeel van het Bestuur. Het verzoekschrift ziet ook op de voorlopige oordelen van de andere twee universiteiten. Zie voor de advisering in die zaken de nagenoeg gelijkluidende LOWI-adviezen 2026-13 en 2026-15.

Het LOWI heeft besloten het verzoek in behandeling te nemen.

Partijen zijn over en weer in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op elkaars ingediende stukken te reageren.

Na afloop van de schriftelijke ronde heeft het LOWI deze zaak in zijn vergadering van 27 mei 2026 besproken. Daarin is besloten dat het LOWI zich voldoende geïnformeerd acht om tot advisering over te gaan. Partijen zijn op de hoogte gesteld van deze beslissing om geen hoorzitting te houden.

Overwegingen

Inleiding

1. Deze zaak gaat over een rapport dat Betrokkene 1 en Betrokkene 2 samen met een derde wetenschapper hebben geschreven in opdracht van een gemeente.

2. Het rapport is niet recent. Op de datum dat Verzoeker zijn klacht indiende, was het rapport (op één dag na) tien jaar geleden verschenen.

3. Verzoeker is raadslid in de betreffende gemeente en zet zich binnen die lokale politieke context in voor een bepaald onderwerp. Het rapport van Betrokkene 1, Betrokkene 2 en een derde wetenschapper heeft relevantie voor dit onderwerp waarmee Verzoeker zich bezighoudt.

Klacht

4. Verzoeker is het op twee punten inhoudelijk niet eens met het rapport. In zijn klacht legt hij uit waarom. Verzoeker klaagt naast die inhoudelijke punten erover dat het rapport ten onrechte niet het bedrijf noemt waarvoor de deskundige werkt die in het kader van het onderzoek is geraadpleegd (maar wel de universitaire affiliatie van die deskundige noemt). Volgens Verzoeker is sprake van belangenverstrengeling, omdat de gemeente een grote klant is van het bedrijf in kwestie. Verzoeker klaagt ook dat sprake is geweest van poging tot beïnvloeding van het onderzoeksteam door gemeenteambtenaren.

CWI-advies en voorlopig oordeel

5. De CWI overweegt dat Verzoeker onredelijk lang heeft gewacht met het indienen van zijn klacht en adviseert het Bestuur (en de besturen van de andere universiteiten) om de klacht om die reden buiten behandeling te laten. Daarbij is relevant dat de klacht volgens de CWI in essentie gaat over de twee inhoudelijke punten uit het rapport waarmee Verzoeker het oneens is. Deze inhoudelijke punten hadden volgens de CWI al veel eerder bij Verzoeker bekend kunnen zijn en waren dat ook. De argumenten die Verzoeker heeft aangedragen waarom hij niet eerder een klacht heeft ingediend, overtuigen de CWI niet. Verzoeker heeft onder meer gewezen op zijn Woo-verzoek (Wet open overheid) en op de gefaseerde openbaarmaking van documenten die daarop volgde. Volgens de CWI valt het gelet op de inhoud van de klacht niet in te zien waarom de uitkomst van deze Woo-procedure van doorslaggevende betekenis is geweest voor de klacht van Verzoeker. De documenten die in het kader van de Woo-procedure aan Verzoeker ter beschikking zijn gesteld, vormen volgens de CWI hooguit een ondersteuning van de klacht.

6. Het Bestuur heeft het CWI-advies opgevolgd en de klacht buiten behandeling gelaten. Ten aanzien van Betrokkene 2 heeft het Bestuur hier als extra argument aan toegevoegd dat de klacht buiten behandeling moet blijven omdat Betrokkene 2 nog niet in dienst was bij de Universiteit Maastricht ten tijde van de bekendmaking van het onderzoeksrapport waarover Verzoeker klaagt.

Verzoek

7. Verzoeker weerspreekt dat hij onredelijk lang heeft gewacht met het indienen van zijn wetenschappelijke integriteitsklacht. Hiertoe voert hij onder meer aan dat zijn beeld van het onderzoeksrapport is verschoven van ‘onzorgvuldig onderzoek’ naar een rapport dat tot stand is gekomen in strijd met normen voor wetenschappelijke integriteit. Voor Verzoeker was hiertoe de informatie van groot belang waarmee hij tussen 14 juni 2024 en 10 april 2025 in het kader van zijn Woo-verzoek bekend was geworden en waarop hij niet veel later een wetenschappelijke integriteitsklacht heeft ingediend.

Beoordeling niet-ontvankelijkheid

8. Het LOWI onderschrijft het CWI-advies over de ontvankelijkheid van de klacht gedeeltelijk, maar niet volledig. Over de twee inhoudelijke punten uit het rapport waarover Verzoeker klaagt, is het LOWI met de CWI van oordeel dat deze klachtonderdelen na nagenoeg tien jaar niet meer inhoudelijk in behandeling genomen hoefden te worden om de redenen die de CWI in haar advies noemt. Voor wat betreft de klachtonderdelen over mogelijke belangenverstrengeling en poging tot beïnvloeding van wetenschappelijk onderzoek, ligt dit anders. Over deze klachtonderdelen heeft Verzoeker aangetoond dat hij daar pas recent bekend mee is geworden door de openbaarmaking van documenten in het kader van zijn Woo-verzoek. Ten aanzien van deze klachtonderdelen kan Verzoeker niet worden verweten dat hij onredelijk lang heeft gewacht met het indienen van zijn klacht over mogelijke schending van de wetenschappelijke integriteit. Naar het oordeel van het LOWI betreft het hier twee zelfstandige klachtonderdelen die zien op kwesties van wetenschappelijke integriteit en gaat het niet om louter steunbewijs ter onderbouwing van inhoudelijke kritiek van Verzoeker op het rapport, zoals het Bestuur heeft gesteld.

9. De klachtonderdelen over mogelijke belangenverstrengeling en beïnvloeding hadden naar het oordeel van het LOWI daarom ontvankelijk moeten worden verklaard en onderzocht moeten worden. Nu dat niet is gebeurd heeft het LOWI, in verband met de lange tijd die reeds is verstreken, besloten op grond van artikel 14, lid 2, van het Reglement LOWI 2022, zelf een onderzoek in te stellen. Hiertoe heeft het LOWI partijen verzocht om in hun schriftelijke reactie op het verzoekschrift specifiek in te gaan op de twee klachtonderdelen die volgens het LOWI inhoudelijk onderzocht hadden moeten worden.

Inhoudelijke beoordeling

Standpunt Bestuur

10. In reactie op het verzoekschrift houdt het Bestuur vast aan de volledige niet-ontvankelijkverklaring van de klacht. Ten aanzien van Betrokkene 2 wijst het Bestuur er nogmaals op dat deze wetenschapper ten tijde van het verschijnen van het onderzoeksrapport nog niet in dienst was bij de Universiteit Maastricht. Ten aanzien van Betrokkene 1 stelt het Bestuur zich inhoudelijk op het standpunt dat Verzoeker zijn betoog over mogelijke belangenverstrengeling en mogelijke beïnvloeding door gemeenteambtenaren onvoldoende heeft onderbouwd. Volgens het Bestuur bestond er voor de onderzoekers geen gerede aanleiding om opmerkingen te maken over mogelijke belangenverstrengeling van een van de bronnen van het onderzoeksteam. Verder valt volgens het Bestuur op grond van de door Verzoeker aangeleverde stukken niet vast te stellen of gemeenteambtenaren de intentie hadden om te proberen het onderzoeksteam te beïnvloeden en al helemaal niet of het bij een voornemen is gebleven of dat er daadwerkelijk beïnvloedingspogingen zijn geweest en of, als deze er al zouden zijn geweest, het onderzoeksteam zich dan daadwerkelijk heeft laten beïnvloeden. Ook wijst het Bestuur op een e-mail van één van de onderzoekers uit 2015 waarin deze richting de gemeente aangeeft dat de onderzoekers radiostilte willen en niet actief om allerlei input willen vragen.

Standpunt Betrokkenen

11. Betrokkenen stellen zich op het standpunt dat hun onafhankelijkheid in het onderzoek niet werd aangetast. Met de gemeente heeft afstemming plaatsgevonden over het formuleren van de opdracht, de planning en de haalbaarheid. Maar de analyses, aanbevelingen en conclusies werden niet inhoudelijk gestuurd, aldus Betrokkenen. Over de geraadpleegde deskundige stellen Betrokkenen dat het voldoende is dat deze persoon is genoemd en dat de nevenwerkzaamheden van deze persoon staan vermeld op de website van de universiteit waar de deskundige aan verbonden is. Over mogelijke beïnvloeding door gemeenteambtenaren stellen Betrokkenen dat Verzoeker niet preciseert hoe er beïnvloeding zou hebben plaatsgevonden en welke onderdelen van het rapport hierdoor zouden zijn geraakt.

Standpunt Verzoeker

12. Wat zijn betoog over belangenverstrengeling betreft, wijst Verzoeker op een offerte waaruit blijkt dat de ten behoeve van het onderzoek geraadpleegde deskundige is ingehuurd vanuit het bedrijf waarvoor hij werkzaam was. Volgens Verzoeker is sprake van belangenverstrengeling omdat het bedrijf regelmatig opdrachten voor de gemeente uitvoert. Volgens Verzoeker had de hoedanigheid waarin de deskundige werd ingehuurd vermeld moeten worden in het rapport en niet de universitaire affiliatie van de deskundige.

13. Over de mogelijke beïnvloeding door gemeenteambtenaren, wijst Verzoeker op de documenten die in het kader van zijn Woo-verzoek zijn vrijgegeven. Het gaat hierbij onder meer om notulen van een overleg waarin ten aanzien van communicatie met onder meer Betrokkenen en de andere wetenschapper wordt opgemerkt dat er een projectleider nodig is die politiek bewust is en ‘stevig kan optreden in het belang van de gemeente’. Verder gaat het om een e-mail aan de secretaris die Betrokkenen en de andere onderzoeker ondersteunt, waarbij collegestukken worden gedeeld en waarbij een vertrouwelijke bijlage wordt meegestuurd. Daarbij wordt opgemerkt dat de bijlage vertrouwelijk moet blijven en dat niet uit de bijlage kan worden geciteerd. Verzoeker wijst erop dat de onderzoekers deze bijlage aannemen, maar er geen melding van maken. Volgens Verzoeker blijkt hieruit de beïnvloeding.

Oordeel LOWI

14. Ten aanzien van de klacht over Betrokkene 2 onderschrijft het LOWI het voorlopig oordeel van het Bestuur dat deze klacht volledig niet-ontvankelijk verklaard moet worden, omdat Betrokkene 2 ten tijde van het onderzoek waarover Verzoeker klaagt nog niet in dienst was van de Universiteit Maastricht. Ten aanzien van de klacht over Betrokkene 1 overweegt het LOWI als volgt.

15. De kritiek van Verzoeker over de wijze waarop de deskundige door de gemeente (opdrachtgever van het onderzoek) is ingehuurd, kan niet aan Betrokkene 1 en de andere beklaagde wetenschappers worden toegeschreven. Het LOWI acht het goed mogelijk dat de onderzoekers niet op de hoogte waren van het feit dat de deskundige niet via de universiteit maar via het commerciële bedrijf werd ingehuurd. Het verwijt van belangenverstrengeling dat Verzoeker in het verlengde hiervan maakt (gesteld dat Verzoeker daarin kan worden gevolgd) zou in dat geval vooral de deskundige zelf betreffen en niet Betrokkene 1 en de andere twee onderzoekers tegen wie de klacht is gericht. Gelet op het voorgaande acht het LOWI dit klachtonderdeel ongegrond.

16. Wat betreft de mogelijke beïnvloeding door gemeenteambtenaren, overweegt het LOWI dat dit vermoeden onvoldoende wordt gedragen door de bewijsstukken die Verzoeker heeft aangeleverd. Het LOWI heeft daartoe de door Verzoeker aangeleverde stukken bestudeerd, waaronder de in overweging 13 genoemde notulen en e-mail. Uit de aard en inhoud van deze stukken is naar het oordeel van het LOWI onvoldoende aannemelijk geworden dat de onderzoekers door gemeenteambtenaren zijn beïnvloed of dat dit op zo’n wijze is geprobeerd dat de onderzoekers hier vanuit een oogpunt van wetenschappelijke integriteit melding van hadden moeten maken in het onderzoeksrapport. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

17. Het LOWI verwacht niet dat een hoorzitting veel meer helderheid kan geven over het feitencomplex met betrekking tot de twee ontvankelijke klachtonderdelen, dan nu op basis van een schriftelijke uitwisseling van standpunten is verkregen. Partijen zouden dan immers moeten verklaren over hun herinneringen aan gebeurtenissen van meer dan tien jaar geleden. Daarom is besloten om af te zien van een hoorzitting in deze zaak.

Conclusie

18. De klacht tegen Betrokkene 2 is terecht geheel niet-ontvankelijk verklaard. De klacht tegen Betrokkene 1 is ten onrechte in zijn geheel niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek is in zoverre gegrond. De klachtonderdelen die inhoudelijk beoordeeld hadden moeten worden, heeft het LOWI alsnog beoordeeld. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.

19. Het LOWI zal het Bestuur adviseren de klacht over Betrokkene 2 definitief niet-ontvankelijk te verklaren. Daarnaast zal het LOWI adviseren de klacht over Betrokkene 1 voor wat betreft de twee inhoudelijke punten uit het onderzoeksrapport waarmee Verzoeker het oneens is niet-ontvankelijk te verklaren, en voor wat betreft de klachtonderdelen over mogelijke belangenverstrengeling en beïnvloeding die het LOWI nader heeft onderzocht, ongegrond te verklaren.

ADVIES

Het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit:

I.  verklaart het verzoek gedeeltelijk gegrond;

II. adviseert het College van Bestuur om de klacht tegen Betrokkene 2 in zijn geheel niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht tegen Betrokkene 1
a. niet-ontvankelijk te verklaren voor wat betreft de twee inhoudelijke punten uit het onderzoeksrapport waarmee Verzoeker het oneens is, en
b. ongegrond te verklaren voor wat betreft de klachtonderdelen over mogelijke belangenverstrengeling en beïnvloeding.

Aldus vastgesteld op 11 augustus 2026 door mr. E.J. Daalder, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Zweistra, ambtelijk secretaris.