naar aanleiding van het verzoek van:
1. [Verzoekers]
over het aanvankelijk oordeel van
2. de Directeur-Generaal van het RIVM
Procesverloop
Verzoekers hebben op 28 september 2023 een klacht ingediend bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM) over een mogelijke schending van de wetenschappelijke integriteit.
Over de interne behandeling van die klacht bij het RIVM heeft het LOWI in advies 2024-10 geoordeeld dat dit niet met de vereiste zorgvuldigheid was gebeurd. Het LOWI heeft de Directeur-Generaal (hierna: DG) van het RIVM in dat advies daarom geadviseerd de betreffende klachtenregeling te herzien en het onderzoek naar de klacht te heropenen.
De DG heeft dit advies opgevolgd.
Met het oog op een zorgvuldige behandeling van de klacht, heeft de secretaris van de nieuw ingerichte Commissie Wetenschappelijke Integriteit (hierna: CWI) van het RIVM Verzoekers gevraagd hun klacht opnieuw, indien gewenst met aanvullingen, toe te sturen.
Verzoekers hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en hebben hun klacht op 19 maart 2025 aangevuld en opnieuw ingediend. De klacht is gericht tegen de auteurs van de RIVM-publicaties waarop de klacht ziet (hierna: Betrokkenen).
De CWI heeft na behandeling van de klacht geconcludeerd dat sprake is van twee lichte tekortkomingen, maar dat deze niet kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van schending van de wetenschappelijke integriteit. De CWI heeft daarbij enkele aanbevelingen gedaan aan de DG.
Op 17 december 2025 heeft de DG in overeenstemming met de CWI geconcludeerd dat sprake is van enkele lichte tekortkomingen en heeft hij de klacht deels gegrond verklaard.
Verzoekers hebben het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (hierna: LOWI) op 26 januari 2026 verzocht advies uit te brengen over dit voorlopige oordeel van de DG.
Het LOWI heeft op 4 februari 2026 besloten het verzoek in behandeling te nemen.
Het LOWI heeft de DG en Betrokkenen in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Van die mogelijkheid hebben zij beide gebruik gemaakt.
Verzoekers hebben op de ingediende verweerschriften gereageerd.
De DG heeft een laatste reactie ingediend. Betrokkenen hebben dat niet gedaan.
Het LOWI heeft deze zaak in zijn vergadering van 22 april 2026 besproken en heeft besloten dat het zich voldoende geïnformeerd acht en dat het de zaak op de stukken zal behandelen.
Partijen zijn van dit besluit om geen hoorzitting te houden op de hoogte gebracht.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze zaak gaat om verschillende publicaties van het RIVM en in het bijzonder om een factsheet. Deze publicaties gaan over gezondheid in relatie tot een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling.
2. Betrokkenen zijn werkzaam bij het RIVM en co-auteur van de publicaties waar de klacht betrekking op heeft. Verzoekers zijn burgers met een medische expertise.
3. Deze zaak is het vervolg op LOWI-advies 2024-10 waarin het LOWI oordeelde dat de oorspronkelijke klacht van Verzoekers uit 2023 niet met de vereiste zorgvuldigheid was behandeld. Nadat de interne klachtenprocedure bij het RIVM is herzien, hebben Verzoekers hun klacht aangevuld en opnieuw ter behandeling toegestuurd aan de CWI van het RIVM. In dit LOWI-advies buigt het LOWI zich aan de hand van het verzoekschrift over de behandeling van deze opnieuw ingediende klacht die heeft geresulteerd in het voorlopige oordeel van de DG van het RIVM dat sprake is van enkele lichte tekortkomingen maar niet van schending van de wetenschappelijke integriteit.
Klacht
4. Verzoekers klagen over een figuur in de factsheet die het verband weergeeft tussen geluid enerzijds en ervaren hinder anderzijds. Volgens Verzoekers wordt in de factsheet, ook in de herziene versies daarvan, niet duidelijk gecommuniceerd over de twijfels en onzekerheden rondom het verband dat deze figuur weergeeft. Volgens Verzoekers is de figuur onjuist omdat zij is opgebouwd uit verschillende achtergrondstudies die niet zijn te combineren tot één enkele curve en omdat onzekerheidsmarges in de figuur ontbreken. Verder is de figuur verouderd en wordt deze inmiddels ontkracht door wetenschappelijke onderzoeken die sindsdien zijn verricht. Het RIVM is hiermee bekend en kiest daarom volgens Verzoekers met publicatie van deze figuur ervoor om het publiek onvolledig en verkeerd in te lichten.
5. Verzoekers klagen verder over de passage in de factsheet waarin wordt gesteld dat een grotere ruimtelijke ontwikkeling niet meer hinder veroorzaakt dan een kleinere ruimtelijke ontwikkeling doet. De bron waarop deze stelling is gebaseerd is volgens Verzoekers onvoldoende controleerbaar en onvoldoende wetenschappelijk solide.
6. Verder klagen Verzoekers dat de factsheet en twee andere RIVM-rapporten niet duidelijk maken dat een WHO-advies dat richtlijnen voor geluid formuleert een voorlopig karakter heeft.
CWI-advies
7. De CWI concludeert na behandeling van de klacht dat sprake is van twee lichte tekortkomingen, maar dat geen sprake is van schending van de wetenschappelijke integriteit.
8. De eerste lichte tekortkoming betreft het onvoldoende duidelijk vermelden van de aard van de figuur waarover Verzoekers klagen. In de factsheet wordt onvoldoende duidelijk gemaakt dat het in de figuur alleen gaat over de kennisbasis waarop het Nederlandse beleid is gebaseerd, en niet om de volledige stand van de wetenschap. Hierdoor kan verwarring ontstaan bij lezers over de aard en status van de gepresenteerde informatie, aldus de CWI. Volgens de CWI moet in de factsheet een veel duidelijkere scheiding worden gemaakt tussen kennisbasis van beleid enerzijds en actuele wetenschappelijke kennis anderzijds. Door het ontbreken hiervan is norm 53 (wees eerlijk in publieke communicatie en helder over beperkingen) in samenhang gelezen met normen 34, 37, 38 en 39 (over zorgvuldige bronvermelding, helderheid over resultaten en onzekerheden en benoemen van alternatieve inzichten) onvoldoende nageleefd. De CWI adviseert de DG om de factsheet niet langer in deze vorm te handhaven, maar deze ofwel fundamenteel te herzien en te herstructureren ofwel tijdelijk offline te halen of in te trekken en pas na inpassing van nieuw onderzoek en een grondige herstructurering opnieuw te publiceren.
9. De tweede lichte tekortkoming betreft het onvoldoende transparant en controleerbaar vermelden van de bronnen die in de factsheet zijn gebruikt ter onderbouwing van de feitelijke uitspraak dat grotere ruimtelijke ontwikkelingen niet meer hinder veroorzaken dan kleinere ruimtelijke ontwikkelingen. Het verschil in hinder wordt in de factsheet weliswaar niet als absoluut feit gepresenteerd, maar toch hadden de status, de beperkingen, de onzekerheden en de onderbouwing van deze uitspraak volgens de CWI explicieter moeten worden toegelicht, zodat de lezers beter zicht hadden gekregen op de validiteit en betrouwbaarheid van de gepresenteerde informatie. In de eerste versie van de factsheet werd deze passage onderbouwd met een mondelinge mededeling en in een latere versie van de factsheet met een niet-peer-reviewde congresbijdrage van dezelfde auteur. Deze bronnen zijn voor een gemiddelde lezer niet of moeilijk te raadplegen of te verifiëren, aldus de CWI, en de wetenschappelijke validiteit daarvan is wellicht te beperkt. De communicatie over de status en betekenis van de gebruikte bronnen en de conclusies die daaruit worden getrokken, is onvoldoende helder en transparant. De betreffende tekst moet volgens de CWI worden herzien waarbij inmiddels kan worden verwezen naar een recent peer-reviewd artikel. De CWI noemt het noodzakelijk dat in toekomstige factsheets wetenschappelijke onzekerheden en beperkingen expliciet worden benoemd, zeker wanneer de onderbouwing van een bewering berust op een (te) smalle of nog niet gevalideerde basis. En indien gebruik wordt gemaakt van een mondelinge bron moet daar uiterst terughoudend mee worden omgegaan en dient de status daarvan expliciet te worden vermeld. Indien wordt verwezen naar een congresbijdrage of andere niet-peer-reviewde bron, moet deze bron niet alleen traceerbaar zijn maar dient ook duidelijk te worden gemaakt welke beperkingen aan de onderbouwing kleven, aldus de CWI.
10. Over het derde klachtonderdeel overweegt de CWI dat de voorlopigheid van een WHO-advies wel voldoende wordt benoemd, maar dat een korte toelichting op het ‘waarom’ van die voorlopigheid niet had misstaan. Dit leidt voor de CWI echter niet tot de conclusie dat normen uit de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit 2018 (hierna: gedragscode) zijn geschonden.
Voorlopig oordeel en reactie van Verzoekers daarop
11. De DG volgt het advies van de CWI en verklaart de klacht deels gegrond. Het voorlopig oordeel van de DG is dat sprake is van enkele lichte tekortkomingen.
Verzoek
12. Verzoekers betogen dat de hernieuwde behandeling niet heeft geleid tot een wezenlijke inhoudelijke heroverweging van hun klacht. Hiertoe voeren zij aan dat er net als tijdens de vorige klachtbehandeling vanuit wordt gegaan dat de publicaties primair moeten worden gelezen als weergave van beleidsmatige onderbouwing en niet als publieke wetenschappelijke communicatie waarop norm 53 van de gedragscode van toepassing is. Verzoekers zijn het verder niet eens met de kwalificatie ‘lichte tekortkoming’ en kunnen deze niet rijmen met de kritiek van de CWI die uitmondt in de conclusie dat de factsheet in huidige vorm niet kan worden gehandhaafd. Verzoekers noemen dit een interne spanning in het CWI-advies en betogen dat de DG deze spanning ten onrechte niet zelfstandig heeft gewogen maar heeft overgenomen in het voorlopig oordeel. Het LOWI begrijpt het verzoek op dit punt zo dat Verzoekers vinden dat het onvoldoende naleven van normen uit de gedragscode zwaarder had moeten worden gekwalificeerd, namelijk als schending van de wetenschappelijke integriteit (of als bedenkelijk gedrag). Tot slot betogen Verzoekers dat de procedure weliswaar is verbeterd maar dat opnieuw onvoldoende hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden, omdat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren op het verslag van de hoorzitting waarin Betrokkenen zijn gehoord en waarbij Verzoekers niet aanwezig waren. Verzoekers vragen het LOWI om te beoordelen of met de hernieuwde klachtbehandeling voldoende uitvoering is gegeven aan LOWI-advies 2024-10, waarin werd geoordeeld dat de klacht destijds niet met de vereiste zorgvuldigheid was behandeld en waarbij gebrek aan hoor en wederhoor een rol speelde.
Verweerschrift DG
13. De DG stelt kort samengevat dat Verzoekers het CWI-advies verkeerd hebben gelezen voor zover zij opmerken dat de CWI de publicaties primair leest als weergave van beleidsmatige onderbouwing. Dit geldt wel voor de figuur waarover Verzoekers hebben geklaagd, maar niet voor de hele publicatie. De DG stelt verder dat hij zich ervan heeft vergewist dat de klachtbehandeling door de CWI zorgvuldig is geweest en dat, gelet op de concrete omstandigheden van dit geval, voldoende hoor en wederhoor is toegepast.
Verweerschrift Betrokkenen
14. Ook Betrokkenen stellen dat Verzoekers het CWI-advies anders (lees: onjuist) interpreteren en zien in het verzoek geen nieuwe inhoudelijke argumenten om op te reageren. Betrokkenen verwijzen daarom naar hun eerdere schriftelijke reactie op de klacht en benadrukken dat het RIVM het ministerie heeft geadviseerd om opnieuw naar de relatie tussen geluid en ervaren hinder te laten kijken en dat het RIVM inmiddels ook opdracht heeft gekregen om dat te doen.
Reactie Verzoekers
15. In reactie op het verweerschrift van de DG verduidelijken Verzoekers de kern van hun verzoek aan het LOWI. In hun reactie staat onder meer: “Het punt dat wij aan het LOWI voorleggen betreft de spanning tussen enerzijds de vaststelling van de CWI over de wijze waarop de betreffende publicaties wetenschappelijke kennis presenteren en anderzijds de uiteindelijke kwalificatie van deze bevindingen als lichte tekortkomingen zonder integriteitsconsequenties.” Het LOWI begrijpt het verzoek, mede gelet op deze verduidelijking, zo dat Verzoekers in de kern betogen dat: 1) de gewraakte figuur niet de kennisbasis van het Nederlandse beleid weergeeft maar de stand van zaken van wetenschappelijke kennis, en 2) dat de figuur een schending van de wetenschappelijke integriteit oplevert, mede gelet op de andere tekortkoming in de factsheet waarmee wetenschappelijke kennis volgens de CWI onvoldoende controleerbaar en valide wordt onderbouwd. Verzoekers hebben daarnaast 3) het procedurele bezwaar aangevoerd dat onvoldoende hoor en wederhoor zou zijn toegepast tijdens de hernieuwde behandeling van de klacht.
Laatste reactie DG
16. In zijn laatste reactie verduidelijkt de DG waarom in dit geval voldoende hoor en wederhoor is toegepast, ook al zijn Verzoekers inderdaad niet in de gelegenheid gesteld om op het verslag van de hoorzitting te reageren waarop Betrokkenen zijn gehoord en waarbij Verzoekers niet aanwezig waren. Verder licht de DG nader toe waarom hij de conclusies uit het CWI-advies juist acht.
Oordeel LOWI
Procedureel
17. In beginsel vereist het uitgangspunt van hoor en wederhoor dat partijen weten wat er op de hoorzitting is aangevoerd en dat zij kunnen reageren op elkaars standpunten (zie ook LOWI-advies 2021-16). Daarbij geldt ook dat de meest voor de hand liggende en aangewezen manier voor partijen om op elkaars standpunt te reageren, is om partijen in elkaars aanwezigheid te horen. Als daar zwaarwegende redenen voor zijn, zoals in deze zaak volgens de CWI kennelijk het geval was, kunnen partijen buiten elkaars aanwezigheid worden gehoord. In zo’n geval kan de CWI alsnog recht doen aan het beginsel van hoor en wederhoor door partijen de mogelijkheid te bieden om te reageren op het verslag van de hoorzitting waarbij zij afwezig waren. Dat is in deze zaak niet gebeurd.
18. Het beginsel van hoor en wederhoor is echter niet absoluut en gebreken hierin kunnen in een latere fase waarin volledige heroverweging kan plaatsvinden (zoals nu bij het LOWI) worden gerepareerd. Verzoekers hebben immers nu bij het LOWI alsnog kunnen reageren op het verslag van de hoorzitting van Betrokkenen waarbij zij afwezig waren. In dit geval is het LOWI van oordeel dat er geen procedureel gebrek is om te repareren, omdat het gelet op de concrete omstandigheden van het geval goed te volgen is waarom de CWI Verzoekers niet in de gelegenheid heeft gesteld om nog te reageren op het verslag van de hoorzitting van Betrokkenen.
19. Die concrete omstandigheden zijn als volgt. Door de procedurele voorgeschiedenis van deze zaak en de stukken die tijdens die vorige procedure tot en met het LOWI reeds zijn uitgewisseld, waren partijen tot op zekere hoogte al bekend met elkaars standpunten. Ook met de hernieuwde behandeling van de klacht heeft schriftelijke uitwisseling van standpunten tussen partijen plaatsgevonden. Betrokkenen hebben gereageerd op de aangevulde klacht en Verzoekers hebben deze schriftelijke reactie ontvangen en daarop tijdens hun hoorzitting kunnen reageren. Verder is het verslag van de hoorzitting van Verzoekers op hun eigen verzoek niet met Betrokkenen gedeeld voorafgaand aan de hoorzitting van Betrokkenen, zodat Betrokkenen alleen bij monde van de CWI tijdens hun eigen hoorzitting kennis hebben kunnen nemen van wat er op de hoorzitting met Verzoekers is gezegd. Nu op de hoorzitting van Betrokkenen geen wezenlijk nieuwe standpunten naar voren zijn gebracht, kan het LOWI de keuze van de CWI volgen dat het vanuit het oogpunt van hoor en wederhoor niet nodig was om partijen verder te laten reageren op de verslagen van de hoorzittingen waarbij zij afwezig waren. Deze beslissing maakt naar het oordeel van het LOWI niet dat de klachtenprocedure niet zorgvuldig is geweest, ook niet in het licht van het eerdere LOWI-advies 2024-10.
Inhoudelijk
20. De inhoudelijke discussie bij het LOWI spitst zich toe op de figuur waarover Verzoekers hebben geklaagd en op de kwalificatie van het onvoldoende naleven van normen uit de gedragscode.
21. Wat de figuur betreft, stelt de CWI vast dat norm 53 in samenhang met normen 34, 37, 38 en 39 van de gedragscode onvoldoende is nageleefd. De CWI volgt daarbij echter niet de redenering van Verzoekers dat de figuur wetenschappelijke kennis oneerlijk weergeeft, maar volgt de redenering van Betrokkenen dat de figuur de kennisbasis weergeeft waarop het Nederlands beleid is gebaseerd. Het niet-naleven van de hierboven genoemde normen koppelt de CWI vervolgens aan de onvoldoende duidelijke manier waarop in de factsheet de weergave van actuele wetenschappelijke kennis wordt gescheiden van de weergave van de (niet actuele) kennisbasis van het Nederlandse beleid. Het LOWI volgt Verzoekers niet in hun betoog dat de CWI hiermee geen zelfstandige heroverweging van de klacht zou hebben gemaakt. Dat het RIVM in de vorige (onzorgvuldige) klachtenprocedure ook constateerde dat de figuur de kennisbasis van beleid weergeeft en niet de actuele stand van wetenschappelijk onderzoek, maakt op zichzelf genomen nog niet dat deze constatering bij de hernieuwde behandeling van de klacht niet zou kunnen worden herhaald. Bovendien verbindt de CWI een andere conclusie aan deze constatering, namelijk dat normen uit de gedragscode onvoldoende zijn nageleefd en dat Verzoekers’ klacht in zoverre gegrond is, terwijl in de vorige klachtenprocedure de klacht om deze reden buiten behandeling werd gesteld. Ook inhoudelijk onderschrijft het LOWI het oordeel van de CWI dat de figuur, mede gelet op de plaatsing daarvan onder het kopje ‘beleid’, de kennisbasis van beleid weergeeft en niet de actuele stand van wetenschappelijk onderzoek, maar dat dit onderscheid onvoldoende duidelijk wordt gecommuniceerd in de factsheet.
22. Verzoekers kunnen zich verder niet vinden in de kwalificatie van de normschendingen als ‘lichte tekortkoming’. Het LOWI volgt Verzoekers hierin niet. In een aparte bijlage bij het CWI-advies heeft de CWI uitvoerig gemotiveerd hoe het tot de kwalificatie ‘lichte tekortkoming’ is gekomen. Om te bepalen welke kwalificatie op haar plaats was voor het onvoldoende naleven van normen uit de gedragscode is daarbij, zoals het hoort, gebruik gemaakt van de wegingscriteria uit paragraaf 5.2 van de gedragscode. In hetgeen Verzoekers hebben aangevoerd ziet het LOWI onvoldoende aanleiding om anders te oordelen over de weging die de CWI heeft gemaakt en ook uitvoerig heeft gemotiveerd.
Conclusie
23. Gelet op het voorgaande acht het LOWI het verzoek ongegrond. Het LOWI zal de DG adviseren om het voorlopig oordeel ongewijzigd vast te stellen en definitief te oordelen dat sprake is van twee lichte tekortkomingen maar niet van schending van de wetenschappelijke integriteit.
ADVIES
Het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit:
I. verklaart het verzoek ongegrond;
II. adviseert de DG om het voorlopig oordeel ongewijzigd vast te stellen en definitief te oordelen dat sprake is van twee lichte tekortkomingen maar niet van schending van de wetenschappelijke integriteit.
Aldus vastgesteld op 25 juni 2026 door mr. E.J. Daalder, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Zweistra, ambtelijk secretaris.