Categorieën
Advies

Advies 2019-08

Advies van het LOWI van 26 februari 2019 (2019-08) ten aanzien van het verzoek van …, bij het LOWI ingediend op 18 januari 2018 betreffende het voorlopige besluit van het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam van 8 december 2017, inzake een klacht van 27 juni 2017 wegens vermoede schending van wetenschappelijke integriteit door … .

1. Het verzoek

Op 18 januari 2018 heeft … (verder: Verzoeker) via zijn gemachtigde, …, aan het LOWI verzocht om een advies te geven aan het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam (verder: het Bestuur) over het voorlopige besluit van het Bestuur van 8 december 2017 (verder: besluit). Het Bestuur is tot dit besluit gekomen naar aanleiding van een klacht van Verzoeker, ingediend bij het Bestuur op 27 juni 2017 (verder: klacht).

De klacht is gericht tegen … (verder: Belanghebbende, X).

De klacht tegen Belanghebbende hangt samen met twee andere klachten die door Verzoeker zijn ingediend en die zijn gericht tegen … (verder: Y) en … (verder: promovendus). Daarnaast is er een klacht tegen Verzoeker ingediend, door onder meer Belanghebbende en Y, die respectievelijk de leidinggevende en promotor van de promovendus zijn. In totaal zijn vier samenhangende klachten ingediend bij het Bestuur. Dit heeft geresulteerd in vier besluiten, alle gedateerd 8 december 2017.

Verzoeker heeft ten aanzien van alle besluiten een verzoek ingediend bij het LOWI. De bezwaren tegen deze besluiten en de daaraan ten grondslag liggende adviezen van de Commissie Wetenschappelijke Integriteit (verder: CWI) zijn verwoord in één verzoekschrift. De meer procedurele bezwaren zijn ten aanzien van alle besluiten hetzelfde. De meer inhoudelijke bezwaren verschillen per besluit. Het LOWI doet het Bestuur vier afzonderlijke adviezen toekomen.

De klacht

Verzoeker heeft het LOWI gevraagd om zijn oorspronkelijke klacht integraal opnieuw te beoordelen. Voor zover hier relevant luidt de klacht, samengevat, als volgt.

Klachtonderdeel 1 is dat Belanghebbende, zonder dat Verzoeker daarmee akkoord was, een aanvraag bij de Medisch Ethische Toetsingscommissie (verder: METC) van het Academisch Medisch Centrum (verder: AMC) die Verzoeker had voorbereid, heeft aangepast of laten aanpassen en deze aanvraag (verder ook: METC 2015-2) op 4 augustus 2016 namens Verzoeker heeft ondertekend en laten indienen bij de METC.

Klachtonderdeel 2 is dat Belanghebbende, zonder dat Verzoeker daarmee akkoord was, namens Verzoeker een algemeen beoordelings- en registratieformulier (verder: ABR-formulier) voor de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (verder: CCMO) heeft opgesteld of laten opstellen met Verzoeker als verantwoordelijke arts voor onderzoekshandelingen bij proefpersonen en dit formulier op 4 augustus 2016 namens Verzoeker heeft ondertekend en laten indienen bij de CCMO.

Klachtonderdeel 3 is dat Belanghebbende Verzoeker onder druk heeft gezet om een onderzoeksprotocol op zijn eigen naam in te dienen bij de METC, zonder Verzoeker te voorzien van de daarin gemaakte aanpassingen.

Verzoeker heeft de drie klachtonderdelen, samengevat, als volgt nader toegelicht.

Verzoeker is een internationaal erkende autoriteit op het gebied van … (verder: A) en …, heeft meerdere promovendi begeleid en is de (enige) onderzoeksleider op dit terrein. Hij was vanaf 15 oktober 2015 copromotor van de promovendus en heeft zijn copromotorschap opgezegd op 23 mei 2016. Belanghebbende heeft geen rol in het A-onderzoek.

Op 15 juli 2016, tijdens zijn vakantie, ontving Verzoeker een e-mail van de promovendus. De promovendus meldde dat hij wilde dat het A-protocol, waaraan hij met Belanghebbende had gewerkt, op 25 juli 2016 werd ingediend bij de METC. Het gaat om een eerste onderzoek naar de werkzaamheid van een medicijn bij mensen. Het was echter niet de bedoeling dat de promovendus en Belanghebbende het protocol zouden aanpassen of indienen, Verzoeker wilde dit zelf doen.

Op 17 juli 2016 stuurde de promovendus een tweede e-mail hierover. Aan deze e-mail waren documenten toegevoegd, maar niet een volledig dossier. Verzoeker had geen indiening buiten hem om verwacht, onder meer omdat er nog wijzigingen moesten worden doorgevoerd en Verzoeker als hoofdonderzoeker de indiening op eigen naam zou ondertekenen. Op 25 juli 2016 stuurde Y een e-mail aan Verzoeker, waaruit bleek dat het de bedoeling was dat de promovendus het protocol op 8 augustus 2016 zou indienen en dat Verzoeker onder meer nog een inhoudelijke beoordeling moest doen. Verzoeker had echter zijn copromotorschap opgezegd en wilde niet meer samenwerken met de promovendus. Verzoeker mailde op 29 juli 2016 dat hij meer tijd nodig had voor zijn besluit.

Op 4 augustus 2016 heeft Belanghebbende buiten Verzoeker om de aanvraag ingediend. Hij heeft deze aanvraag per order namens Verzoeker getekend. Het ABR-formulier is opgesteld door de promovendus en Belanghebbende. Ook dit formulier heeft Belanghebbende op 4 augustus 2016 per order namens Verzoeker getekend. Verzoeker heeft de METC-aanvraag op 10 augustus 2016 ingetrokken.

Tijdens een gesprek op 17 augustus 2016 in aanwezigheid van de Vertrouwenspersoon Wetenschappelijke Integriteit UvA (verder: Vertrouwenspersoon) heeft Belanghebbende Verzoeker onder druk gezet om in te stemmen met de indiening van het protocol bij de METC. In een mailwisseling hierover heeft Belanghebbende duidelijk gemaakt dat de indiening van het A-protocol ook zonder akkoord van Verzoeker zou worden doorgezet. Dit was de aanleiding voor Verzoeker om op 19 september 2016 zijn samenwerking met de Afdeling … van het AMC (verder ook: onderafdeling) op te zeggen.

Het advies van de CWI

De CWI heeft op 4 december 2017 advies uitgebracht over de klacht.

In het advies is aangegeven dat de klacht samenhangt met drie andere klachten, is een weergave van de relevant geachte feiten opgenomen en zijn de standpunten van Verzoeker en Belanghebbende samengevat.

De CWI heeft de door Verzoeker gewraakte gedragingen van Belanghebbende getoetst aan de uitwerkingen 1.2 (respect voor mensen die betrokken zijn bij wetenschappelijk onderzoek), 1.3 (correcte bronvermelding), 1.4 (auteurschap), 1.7 (zorgvuldigheid in relaties tussen wetenschapsbeoefenaren onderling) 1.9 (objectiviteit), 4.1 (onpartijdigheid) en 4.2 (waarheidsvinding) van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening.

Ten aanzien van klachtonderdelen 1 en 2 heeft de CWI als volgt (overwegingen 5.5 tot en met 5.9) overwogen.

De CWI stelt voorop dat het A-onderzoek, waarvan het ingediende protocol deel uitmaakt, formeel is ingebed binnen de hiërarchische organisatiestructuren van het AMC en wordt uitgevoerd door een onderzoeksgroep. Het betreft onderzoek waaraan ook anderen bijdragen. Promovendi verrichten zoveel mogelijk in samenwerking overlappend onderzoek naar A, in een zogenaamde ‘dakpanconstructie’. Dit houdt mede in dat het onderzoek ook zonder Verzoeker kan worden gecontinueerd binnen het AMC en dat promovendi die dat onderzoek als onderdeel van het promotietraject hebben dit onderzoek moeten kunnen voortzetten. Niet alleen het belang van Verzoeker, maar ook dat van anderen is betrokken bij het A-onderzoek.

Belanghebbende heeft het protocol bij de METC-aanvraag ondertekend en daarbij vermeld dat hij dit in opdracht van Verzoeker deed, zonder dat deze daar wetenschap van had. Belanghebbende heeft hiermee op zichzelf genomen onjuist gehandeld, maar dit brengt niet per definitie met zich mee dat Belanghebbende daarmee de wetenschappelijke integriteit heeft geschonden. De feiten en omstandigheden, alsmede de rol van Verzoeker zijn van belang.

Verzoeker heeft op 23 mei 2016 eenzijdig en zonder vooroverleg met de andere betrokkenen, onder wie Belanghebbende, zijn copromotorschap met onmiddellijke ingang beëindigd. Dit had rigoureuze gevolgen voor het promotietraject en voor het A-onderzoek. Gelet op de belangen van de promovendus en van ieder die was betrokken bij het A-onderzoek, was het van groot belang dat dit onderzoek zou kunnen worden voortgezet. De CWI heeft er begrip voor dat de leiding van de onderafdeling zich door Verzoekers abrupte opzegging als copromotor en vervolgens de opzegging van zijn positie bij de onderafdeling voor een groot probleem gesteld zag. Onder deze prangende omstandigheden heeft Belanghebbende als hoofd van de onderafdeling besloten de aanvraag in te dienen namens Verzoeker, terwijl deze daar geen weet van had, maar wel Verzoeker diezelfde dag daarvan op de hoogte gebracht. Hoewel deze handeling op zich onjuist is, was de intentie om in het belang van de promovendus en het onderzoek te handelen. Belanghebbende heeft gehandeld in de geest van de afspraken van hem met Verzoeker, die zijn gemaakt in het gesprek van 17 augustus 2016 in het bijzijn van de Vertrouwenspersoon.

Ook is van belang dat Verzoeker niet heeft betwist dat hem vaker is verzocht om deel te nemen aan overleggen en om feedback en goedkeuring te geven op stukken ter voorbereiding van de METC-aanvraag en dat hij hieraan niet zijn medewerking heeft verleend. Evenmin heeft Verzoeker betwist dat de inhoud van de op zijn naam ingediende aanvragen hem op 15 en 17 juli 2016 zijn toegezonden en dat die bij de aanvraag op 4 augustus 2016 niet is gewijzigd.

Tevens dient in aanmerking te worden genomen dat Verzoeker het protocol op 10 augustus 2016 heeft ingetrokken en dat op 24 oktober 2016 door Y een METC-aanvraag is ingediend met een aangepaste versie van het protocol. Hieruit blijkt dat het handelen van Belanghebbende een fout betreft die nadien corrigeerbaar was en die niet heeft geleid tot onomkeerbare gevolgen.

Ten aanzien van klachtonderdeel 3 heeft de CWI (overweging 5.10) als volgt overwogen.

Er zijn geen aanknopingspunten te vinden dat Belanghebbende Verzoeker onder druk zou hebben gezet om een onderzoeksprotocol op zijn eigen naam in te dienen bij de METC, zonder hem te voorzien van de daarin gemaakte aanpassingen.

De CWI heeft geconcludeerd dat Belanghebbende de wetenschappelijke integriteit niet heeft geschonden en heeft het Bestuur geadviseerd om de klacht ongegrond te verklaren.

Het besluit

In het besluit heeft het Bestuur conform dit advies van de CWI de klacht ongegrond verklaard.

Het verzoek

Verzoeker is het niet eens met het besluit van het Bestuur en heeft het LOWI verzocht hierover een advies te geven. Het standpunt van Verzoeker is verkort weergegeven in onderdeel 3.

2. De procedure

Op 1 maart 2018 zijn Verzoeker, het Bestuur en Belanghebbende ervan op de hoogte gesteld dat het LOWI heeft besloten het verzoek in behandeling te nemen. Het Bestuur en Belanghebbende zijn in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 28 maart 2018 een verweerschrift in te dienen.

Het Bestuur heeft op 26 maart 2018 gevraagd om uitstel tot en met 25 april 2018.

Het verweerschrift van Belanghebbende is op 3 april 2018 bij het LOWI ingediend. Het betreft een gezamenlijk stuk van Belanghebbende, Y, Z en de promovendus (hierna verder samen: Belanghebbenden). Het verweerschrift van het Bestuur is ingediend op 25 april 2018.

Het LOWI heeft op 30 april 2018 aan Verzoeker gevraagd om uiterlijk 14 mei 2018 te reageren op de verweerschriften van Bestuur en Belanghebbenden. Ook het Bestuur en Belanghebbenden is de gelegenheid geboden om uiterlijk op 14 mei 2018 te reageren op elkaars verweerschriften.

Het Bestuur heeft op 30 april 2018 gevraagd om uitstel tot 31 mei 2018.

Op 22 mei 2018 hebben Belanghebbenden laten weten het verweerschrift van het Bestuur volledig te onderschrijven en gewezen op het belang van een spoedig advies. Op 28 mei 2018 heeft het Bestuur laten weten geen aanleiding te zien om te reageren op het verweerschrift van Belanghebbenden. Op 31 mei 2018 heeft Verzoeker op de verweerschriften gereageerd. Dit stuk van Verzoeker is op 5 juni 2018 door het LOWI aan het Bestuur en aan Belanghebbenden gezonden. Zij zijn in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 19 juni 2018 te reageren. Het Bestuur heeft op 18 juni 2018 gereageerd en Belanghebbenden op 19 juni 2018.

Prof. dr. J.W.M. van der Meer heeft zich verschoond. In zijn vergadering van 20 juni 2018 heeft het LOWI besloten een hoorzitting te houden. Op 27 juni 2018 zijn partijen uitgenodigd voor deze hoorzitting om hun standpunt mondeling toe te lichten. Vanwege vele verhinderdata heeft de hoorzitting plaatsgevonden op 13 november 2018. Verzoeker met zijn gemachtigde was aanwezig. Namens het Bestuur waren …, …, …, en … aanwezig. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Betrokkenen zijn gewezen op de geheimhoudingsplicht, hebben hun standpunt nader toegelicht en vragen van het LOWI beantwoord. Een verslag van de hoorzitting is aan dit advies gehecht.

3. Standpunten van partijen

3.1 Het standpunt van Verzoeker

Het standpunt van Verzoeker zoals verwoord in zijn verzoekschrift luidt, samengevat, als volgt.

3.1.1 Procedurele bezwaren (tegen alle besluiten)

Verzoeker heeft zes overwegend procedurele bezwaren aangevoerd (onderdeel I verzoekschrift), gericht tegen alle besluiten.

De samenstelling van de CWI

Na ontvangst van de CWI-adviezen is Verzoeker gebleken dat er een afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen het plaatsvervangend CWI-lid … (verder: D) en Belanghebbende. D is adviseur van het bedrijf E van Belanghebbende. Als dit was gemeld, was Verzoeker niet akkoord gegaan met de betrokkenheid van D. Verzoeker ziet het risico dat zijn wetenschappelijke werk commercieel vermarkt wordt door bijvoorbeeld E als een mogelijke oorzaak van het geschil. D was de enige medicus in de CWI en zijn bijdrage zal daarom doorslaggevend zijn geweest. Zonder dat dit ter besluitvorming aan de CWI voorlag, heeft de CWI geoordeeld dat het onderzoekswerk van Verzoeker toebehoort aan het AMC. Tijdens de hoorzitting over de klacht van Verzoeker tegen Y, bleek dat D negatief stond tegenover de klacht van Verzoeker. Uit een vraag van D bleek dat hij het onbegrijpelijk vond dat Verzoeker zich had teruggetrokken als copromotor. D had kennelijk tijdens deze zitting zijn oordeel al klaar. Precies dit punt is een dragende overweging geworden bij de advisering door de CWI.

De Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb), fair trial

De CWI heeft niet alle informatie die zij van Belanghebbenden kreeg aan Verzoeker doorgegeven. De CWI stuurde de klacht tegen Verzoeker eerst drie weken na indiening daarvan door aan Verzoeker en pas nadat Verzoeker zélf had gemeld dat hij had gehoord dat er een klacht was ingediend. Ook weigerde de CWI om correspondentie van Belanghebbenden (over de ontvankelijkheid van de klacht over de promovendus) door te sturen aan Verzoeker. Het is in strijd met de beginselen van fair trial en met artikel 9:2 juncto 8:39 van de Awb dat de CWI haar ontvankelijkheidsoordeel mede heeft gebaseerd op berichten van Belanghebbenden waarvan Verzoeker geen kennis mocht nemen.

De behandeling van de ontvankelijkheidsverweren

Aan de ontvankelijkheid van de klacht van Verzoeker tegen de promovendus heeft de CWI een afzonderlijke hoorzitting gewijd, maar het ontvankelijkheidsverweer van Verzoeker ten aanzien van de klacht tegen hem is zonder motivering verworpen. De CWI heeft hierover geen uitleg gegeven in de adviezen.

De verslagen van de hoorzittingen

Tijdens de hoorzitting over de klacht van Verzoeker tegen de promovendus, gaf de voorzitter een onjuiste interpretatie van de Klachtenregeling Wetenschappelijke Integriteit Universiteit van Amsterdam (verder: Klachtenregeling) door te zeggen dat de CWI niet bevoegd was om opdracht te geven om inzage in documenten te verschaffen. In het verslag is echter opgenomen dat de voorzitter zei dat de CWI bevoegd was om dat soort opdrachten niet te geven wanneer dit niet nodig was. Tijdens de hoorzitting over de klacht van Verzoeker tegen Belanghebbende heeft deze tweemaal verwezen naar dr. Mengele, hetgeen echter in het verslag niet is opgenomen. In het verslag van deze hoorzitting ontbreekt ook een woedende uitroep van Belanghebbende en het verzoek van Verzoeker aan de voorzitter om hem te beschermen tegen deze intimidatie.

De aspecten die onder de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (verder: WMO) vallen

De CWI heeft bij de behandeling van de klacht van Verzoeker tegen de promovendus de overtredingen van de WMO waarbij ook aspecten van wetenschappelijke integriteit een rol spelen, onbesproken gelaten. Namens Verzoeker is er in dit verband op gewezen dat de aan de CWI voorgelegde vraag gaat over schending van de wetenschappelijke integriteit, maar de CWI heeft overwogen dat vaststelling van een schending van de WMO buiten haar taakstelling valt. Verzoeker klaagde echter over schending van wetenschappelijke integriteit op een onderzoeksterrein dat ook door de WMO wordt gereguleerd. De CWI had dit kunnen beoordelen zonder te hoeven vaststellen of sprake was van een schending van de WMO.

Het ontslag van Verzoeker

Verzoeker, die zich kwetsbaar voelde, heeft in zijn klachten steeds een beroep gedaan op artikel 13 van de Klachtenregeling. Die bepaling zou Verzoeker bescherming moeten bieden tegen nadeel wegens het indienen van een klacht. Verzoeker is echter ontslagen omdat hij bij de CWI klachten had ingediend.

De Raad van Bestuur van het AMC heeft Verzoeker op 25 maart 2017 laten weten dat de gastvrijheidsverlening zou worden voortgezet tot besloten zou zijn wat de gevolgen waren van het oordeel van de CWI. Op 10 augustus 2017 heeft Verzoeker ook een klokkenluidersmelding gedaan, met een beroep op bescherming tegen nadeel. Op 29 augustus 2017 heeft de Raad van Bestuur van het AMC laten weten zijn toezegging niet gestand te doen. De gastvrijheidsverlening is op 1 oktober 2017 beëindigd omdat Verzoeker heeft geklaagd bij de CWI.

3.1.2 Inhoudelijke bezwaren (tegen het besluit over de klacht over Belanghebbende)

Verzoeker heeft een overzicht gegeven van volgens hem relevante feiten (onderdeel II verzoekschrift) en zijn inhoudelijke bezwaren tegen het besluit over de klacht over Belanghebbende verwoord (onderdeel III.D verzoekschrift).

De CWI heeft ten onrechte overwogen (overweging 5.5) dat het A-onderzoek ook zonder instemming en betrokkenheid van Verzoeker kan worden gecontinueerd. Verzoeker heeft nooit gesteld dat zijn onderzoek niet verder zou gaan binnen het AMC, maar alleen dat de promovendus daar niet langer bij betrokken zou zijn. Verzoeker heeft expliciet aangegeven dat hij verder zou gaan met zijn A-werk. Y heeft toegegeven dat de promovendus kan promoveren zonder verder te gaan met het A-onderzoek van Verzoeker.

De ‘dakpanconstructie’ wordt niet meer gebruikt, in ieder geval niet binnen het werkverband van Verzoeker, en kan bovendien niet de hoofdonderzoeker buitenspel zetten. Verzoeker is de hoofdonderzoeker, is wereldwijd leider op dit vakgebied, is medeoprichter van …, heeft ruim 40 wetenschappelijke publicaties op dit terrein en is internationale autoriteit op het gebied van A en … . Verzoeker heeft de onderzoeksprotocollen geschreven en de promovendus had alleen een ondersteunende uitvoerende rol. Het gevolg van het oordeel van de CWI zou zijn dat Verzoeker op zijn eigen vakgebied met lege handen staat, omdat hij geen beurzen meer kan aanvragen voor first-in-class onderzoek wanneer de promovendus daarmee verder zou gaan.

Verzoeker wil binnen het AMC verder gaan met zijn A-onderzoek, maar zonder de promovendus. De vraag is niet of het onderzoek binnen of buiten het AMC wordt voortgezet. De vraag is of het onderzoek zonder de promovendus, of zonder Verzoeker wordt voortgezet. De CWI kiest zonder uitleg voor het belang van de promovendus en de onderafdeling.

Verder heeft de CWI ten onrechte overwogen (overweging 5.6) dat Belanghebbende op zichzelf genomen onjuist heeft gehandeld, maar toch niet de wetenschappelijke integriteit heeft geschonden. De CWI heeft deze onjuiste handeling met de mantel der liefde bedekt.

De CWI heeft ten onrechte overwogen (overweging 5.7) dat Belanghebbende heeft gehandeld in de geest van de afspraken met Verzoeker van 17 augustus 2016. Je kunt niet handelen in de geest van een gesprek dat nog niet heeft plaatsgevonden. Het verslag van het gesprek is eenzijdig en onvolledig.

In overweging 5.8 gaat de CWI niet uit van de juiste feiten. Verzoeker heeft op 15 juli 2016 contact gezocht met Belanghebbende over de e-mail van 15 juli 2016 van de promovendus, maar Belanghebbende was niet aanwezig. Op 29 juli 2016 heeft Verzoeker aan Y gemeld meer tijd nodig te hebben. Vervolgens werd de voor 8 augustus 2016 aangekondigde aanvraag vervroegd gedaan op 4 augustus 2016.

Tot slot heeft de CWI ten onrechte geoordeeld dat de fout van Belanghebbende is rechtgezet door de intrekking van de aanvraag (overweging 5.9). Dat een handeling niet tot onomkeerbare gevolgen heeft geleid, is geen criterium voor de vraag of de wetenschappelijke integriteit is geschonden. Nergens is neergelegd dat alleen sprake kan zijn van schending van de wetenschappelijke integriteit bij definitieve schade.

Verder heeft Verzoeker in onderdeel III.D van het verzoekschrift het volgende naar voren gebracht.

Bij de CWI heeft Verzoeker aangevoerd dat de te gebruiken medicatie niet was vervaardigd volgens Good Manufacturing Practice (verder: GMP). In de hoorzitting bij de CWI ontkende Belanghebbende dat de medicatie niet aan de wettelijke eisen voldeed en meldde hij dat een apotheker in … de stof voor hem had vervaardigd onder GMP-condities. Volgens Verzoeker is dit onjuist. Verzoeker heeft gewezen op het protocol en het medicatiedossier die door Belanghebbende in augustus 2016 en door Y in oktober 2016 bij de METC zijn ingediend.

In paragraaf 5.3.1 (Manufacturing and testing) van het protocol staat vermeld dat de stof is vervaardigd door het bedrijf G. Dat bedrijf is geen GMP-faciliteit. Wanneer medicijnen op mensen worden getest, is GMP-vervaardiging vereist en niet alleen GMP-capsulering. De stof die aan de apotheker is aangeboden, kan niet hebben voldaan aan de eisen: volgens opgave van de fabrikant is de stof niet vervaardigd volgens GMP en volgens het medicatiedossier waren er dingen mis met de stof. De houdbaarheid was verstreken, de testen voor zuiverheid en … waren jaren geleden gedaan en de certificaten van de controlerende instanties waren vervallen. Het laboratorium van de apotheker heeft voorgesteld om nieuwe testen te doen. Verzoeker stelt dat deze tests al in juni 2016 zijn gedaan door de promovendus, waarbij deze zichzelf opgaf als contactpersoon. De uitslag dat het … gehalte hoger was dan de EU-norm is volgens Verzoeker niet aan de METC getoond. Volgens Verzoeker was er een risico dat een trial zou worden uitgevoerd met een middel dat niet GMP was vervaardigd. Belanghebbende heeft dit willen verhullen door bij de CWI te verklaren dat het middel volgens GMP-eisen was gemaakt bij de apotheker. Verzoeker heeft dit aan de CWI voorgelegd, maar de CWI heeft Belanghebbende niet gevraagd om een en ander te bewijzen.

3.1.3 Afsluitende opmerkingen van Verzoeker

Verzoeker heeft nog een aantal afsluitende opmerkingen gemaakt (onderdeel IV verzoekschrift).

De samenwerking met de promovendus is niet optimaal verlopen en de communicatie over de beëindiging ervan had achteraf gezien beter gekund. De kern van het geschil is dat de promovendus en de onderafdeling het onderzoek van Verzoeker zonder Verzoeker willen uitvoeren.

De kernvraag is van wie het A-onderzoekswerk is en wie het recht heeft om dit uit te voeren. De adviezen van de CWI zouden ertoe leiden dat het AMC zonder Verzoeker verder mag gaan met het wetenschappelijke werkveld dat Verzoeker, onbezoldigd, heeft opgebouwd. Verzoeker heeft ervoor gekozen om de proefpersonen te beschermen. Dat dit heeft geleid tot zijn ontslag is onterecht, en dat de CWI partij heeft gekozen voor het AMC en de onderafdeling is eveneens onterecht.

3.2 Het standpunt van het Bestuur

Het standpunt van het Bestuur zoals verwoord in het verweerschrift luidt, samengevat, als volgt.

Algemeen heeft het Bestuur opgemerkt dat de CWI kennis heeft genomen van alle door partijen overgelegde stukken en van de mondelinge toelichting. Dat de CWI aan de verstrekte informatie een ander gewicht heeft toegekend dan Verzoeker voorstaat, maakt dit niet anders. Voor zover nodig heeft de CWI om nadere informatie verzocht. Benadrukt zij dat de CWI zich terecht heeft beperkt tot haar taakstelling, namelijk het uitbrengen van advies na het onderzoeken van klachten over een (vermoeden van) schending van wetenschappelijke integriteit.

3.2.1 Ten aanzien van de procedurele bezwaren (tegen alle besluiten)

Dit deel van het verweer luidt, samengevat, als volgt.

De samenstelling van de CWI

Verzoeker heeft eerder in de klachtprocedure aangegeven dat één van de vaste leden van de CWI betrokken is bij zowel Verzoeker als Y. Partijen zijn vervolgens bericht dat dit lid heeft besloten zich te verschonen. Later zijn partijen geïnformeerd dat D als plaatsvervangend lid zitting nam in de CWI. Geen van de partijen heeft bezwaar gemaakt.

De door Verzoeker gestelde afhankelijkheidsrelatie is er niet. D kent Belanghebbende niet en heeft hem voor het eerst ter hoorzitting gezien. D is in 2016 en 2017 tweemaal bij een adviesvergadering van E geweest. Van enige betrokkenheid van Belanghebbende bij E heeft D geen kennis gehad. Zelfs als waar zou zijn dat Belanghebbende een oprichter zou zijn van E, dan is dit niet relevant omdat D dat niet wist. Ook de vraag van D ter zitting kan niet leiden tot een gerechtvaardigd vermoeden van belangenverstrengeling. Deze vraag moet worden geplaatst in de context van de voorafgaande mededeling van Verzoeker dat het niet nodig was om afspraken te maken over het onderzoek toen hij zich had teruggetrokken, omdat alle stukken waaraan hij met de promovendus zou werken al waren voltooid en gepubliceerd.

De Awb, fair trial

De CWI heeft de klacht over Verzoeker, met het verzoek om zijn verweer, pas willen doorsturen na de beoordeling van de ontvankelijkheid van de klacht. De CWI heeft alle inhoudelijke stukken doorgezonden, alleen ex parte stukken niet. Het is niet nodig om dit type stukken tussen partijen te wisselen. Verzoeker is niet in zijn processuele belangen geschaad. Verschillende stukken waarom de gemachtigde heeft gevraagd zijn aan hem doorgezonden, behalve een e-mail over verhinderdata. In de Klachtenregeling is bepaald dat titel 9.1 van de Awb van overeenkomstige toepassing is. Dat geldt niet voor artikel 8:39 van de Awb dat ziet op de procedure bij de bestuursrechter.

De behandeling van de ontvankelijkheidsverweren

Het is aan de CWI hoe zij de ontvankelijkheid beoordeelt. De klachten van Verzoeker tegen Y en Belanghebbende zijn op dezelfde manier behandeld als de klacht tegen Verzoeker. De melding aan Verzoeker dat de klacht tegen hem ontvankelijk was, is overigens van een toelichtende zin voorzien. Alleen over de ontvankelijkheid van de klacht van Verzoeker tegen de promovendus is, anders dan gewoonlijk, een hoorzitting gehouden. De reden hiervoor is dat deze klacht is ingediend na de eerdere klachten tegen Y en tegen Verzoeker, zodat de CWI moest beoordelen in hoeverre de klacht tegen de promovendus materieel op hetzelfde betrekking had als deze eerdere klachten. Er is geen sprake van een ongerechtvaardigd verschil in de behandeling van de ontvankelijkheid van de klachten.

De verslagen van de hoorzittingen

Het verslag van een hoorzitting is een zakelijke, geen woordelijke weergave van het gezegde. Voor zover Verzoeker gebruik heeft gemaakt van een bandopname tijdens de hoorzitting, is dat mede gelet op de geheimhoudingsplicht ontoelaatbaar. Naar aanleiding van het verslag wordt geklaagd dat de CWI niet is ingegaan op het verzoek om documenten op te vragen. De CWI toetst de klacht zoals door Klager onderbouwd, waarna het onderzoek bestaat in het horen van partijen. De CWI is niet het forum voor vorderingen tot het overleggen van informatie.

De aspecten die onder de WMO vallen

De taak van de CWI is omschreven in artikel 7 van de Klachtenregeling. De CWI heeft de handelwijze van betrokkenen onderzocht tegen de achtergrond van principes van goed wetenschappelijk onderzoek, zoals uitgewerkt in de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening en de ALLEA-Code. De CWI heeft beoordeeld of in een concreet geval bepaalde normen van de Gedragscode zijn geschonden en of tevens een schending van de wetenschappelijke integriteit heeft plaatsgevonden.

Het beoordelen of sprake is van een schending van de WMO, hoort niet tot de taak van de CWI. Nu Verzoeker niet heeft aangetoond dat de wel bevoegde instantie een oordeel heeft gegeven, past de CWI terughoudendheid bij het toepassen van het normenkader van de WMO.

Overigens heeft Verzoeker de stukken die zien op zijn stelling over de WMO kort voor de hoorzitting ingebracht, met de bevestiging dat dit geen uitbreiding van de klacht betrof maar een nadere feitelijke onderbouwing. Pas na de hoorzitting hebben partijen hun stelling dienaangaande nader onderbouwd. De CWI heeft de door Verzoeker overgelegde stukken wel, met de genoemde terughoudendheid, beoordeeld.

Het ontslag van Verzoeker

Dit onderdeel van het verzoekschrift ziet op de rechtspositie van Verzoeker en gaat niet over het besluit. Het Bestuur is niet betrokken bij de onderlinge verhouding tussen Verzoeker en het AMC en verwijst naar het verweer van Belanghebbenden.

3.2.2 Ten aanzien van de inhoudelijke bezwaren (tegen het besluit over de klacht over Belanghebbende)

Dit deel van het verweer luidt, samengevat, als volgt.

Met de zinsnede ‘Beklaagde heeft tevens gehandeld in de geest van hetgeen met klager is afgesproken in het gesprek op 17 augustus 2016 in het bijzijn van de Vertrouwenspersoon’ heeft de CWI tot uitdrukking willen brengen dat het handelen van Belanghebbende (de indiening van de aanvraag) blijkens het verslag van het gesprek is bekrachtigd door Verzoeker, althans dat Belanghebbenden aan zijn aanvankelijke aanvaarding van het verslag het vertrouwen mochten ontlenen dat dit het geval was. Dat door Verzoeker tijdens de hoorzitting bij de CWI de inhoud van het verslag ter discussie is gesteld, doet daaraan niet af. Verzoeker heeft het verslag zelf, zonder de inhoud ter discussie te stellen, als bijlage bij zijn klaagschrift tegen Y opgenomen.

Naar aanleiding van het standpunt van Verzoeker dat de CWI is uitgegaan van feitelijke onjuistheden heeft het Bestuur verwezen naar het feitenoverzicht door de CWI. Hierin komt naar voren dat Verzoeker niet inhoudelijk heeft gereageerd op verzoeken om feedback en goedkeuring.

Naar aanleiding van het standpunt van Verzoeker dat de CWI een onjuist criterium heeft gehanteerd heeft het Bestuur opgemerkt dat in de preambule van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening naar voren komt dat het afwijken van een gedragsregel niet per definitie een schending van de wetenschappelijke integriteit hoeft in te houden.

Dat heeft ook het LOWI eerder overwogen (LOWI-advies 2018-01). Er kan dus sprake zijn van (verwijtbaar) onzorgvuldig handelen zonder dat dit resulteert in een schending van de wetenschappelijke integriteit. Dat is hier aan de orde.

De CWI heeft overwogen dat het op zichzelf genomen onjuiste handelen van Belanghebbende niet per definitie met zich brengt dat hij daarmee de wetenschappelijke integriteit heeft geschonden. De CWI heeft overwogen dat de feiten en omstandigheden en de rol van Verzoeker van belang zijn en dit nader uiteengezet.

Naar aanleiding van hetgeen Verzoeker heeft aangevoerd over de GMP-eisen, heeft het Bestuur opgemerkt dat het beoordelen of sprake is van schending van de WMO niet binnen de taakstelling van de CWI valt. Daarvoor dient Verzoeker zich tot de daartoe bevoegde instantie te wenden. Het Bestuur heeft verwezen naar zijn eerdere verweer over aspecten die onder de WMO vallen.

Het Bestuur stelt zich op het standpunt dat de CWI zorgvuldige, evenwichtige en heldere adviezen heeft uitgebracht die de besluiten kunnen dragen.

3.3 Het standpunt van Belanghebbenden

Belanghebbenden hebben via hun gemachtigde, …, een gezamenlijk standpunt verwoord en nadere stukken aangeleverd. In het verweerschrift is onderscheid gemaakt in procedurele en inhoudelijke aspecten. Het verweerschrift luidt, samengevat, als volgt.

Inleidend is opgemerkt dat de vier klachten verband houden met drie studies (METC 2015-1, METC 2015-2 en METC 2016-3) en twee publicaties (de …-paper en de update C) die beoogd waren om onderdeel uit te maken van het promotietraject van de promovendus. Verzoeker heeft zich op 23 mei 2016 eenzijdig en zonder overleg teruggetrokken als copromotor. Daarna hebben Y en Z (als promotoren) en Belanghebbende (die ook deel uitmaakte van het onderzoeksteam) de dagelijkse begeleiding op zich genomen. Zij hebben vergeefs geprobeerd om Verzoeker (op afstand) inhoudelijk betrokken te houden.

Verzoeker is van mening dat de studies van hem zijn en niet zonder zijn expertise kunnen worden voortgezet. Hij heeft bij verschillende instanties vergeefs zijn beklag gedaan. Het optreden van Verzoeker heeft ertoe geleid dat METC 2015-2 is ingetrokken en de andere twee studies on hold staan. Het gevolg is dat de studies en mogelijk ook de publicaties geen deel meer kunnen uitmaken van de promotie.

3.3.1 Ten aanzien van de procedurele bezwaren (tegen alle besluiten)

Dit deel van het verweer luidt, samengevat, als volgt.

De samenstelling van de CWI

De stelling van Verzoeker dat D adviseur is van het bedrijf E van Belanghebbende, is onjuist. Belanghebbende heeft nooit enige functie bekleed binnen dit bedrijf, laat staan dat hij eigenaar is. Belanghebbende is in 2007 en 2008 lid geweest van de Raad van Commissarissen van het bedrijf F. De aandeelhoudersvergadering heeft dit bedrijf in 2012 ontbonden en E opgericht. Dit levert geen afhankelijkheidsrelatie op tussen Belanghebbende en D. Zij waren ook niet tegelijkertijd aan F of E verbonden. F had geen aan de specialiteit van D gerelateerde activiteiten en E pas in 2016 voor het eerst.

De vraag van D tijdens de hoorzitting, of het dan misschien niet nog meer onbegrijpelijk was van Verzoeker om zich terug te trekken als copromotor, was een logisch vervolg op zijn bevestiging dat hij het naar zijn zin had bij het AMC en dat alle stukken waaraan hij met de promovendus zou werken al voltooid waren. D moet uit hoofde van zijn aanstelling worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich concrete omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat hij vooringenomenheid koestert, althans dat de daarvoor bestaande vrees bij Verzoeker objectief gerechtvaardigd is. De vraag van D tijdens de hoorzitting is geen zwaarwegende aanwijzing.

De Awb, fair trial

Alleen titel 9.1 van de Awb is van toepassing op de procedures bij de CWI en het LOWI. Op grond hiervan is er geen verplichting voor de CWI om stukken en correspondentie (uitgezonderd het klaagschrift) door te sturen. Verder valt niet in te zien hoe Verzoeker benadeeld zou zijn. Dat hij de klacht tegen hem na drie weken heeft ontvangen, heeft niets afgedaan aan de termijn die hij kreeg om te reageren. De correspondentie van Belanghebbenden over de ontvankelijkheid van de klacht tegen de promovendus is niet doorgestuurd, maar het onderwerp is ter zitting aan de orde geweest en Verzoeker heeft kunnen reageren op het standpunt van Belanghebbenden. Overigens heeft de CWI in het voordeel van Verzoeker geoordeeld door zijn klacht ontvankelijk te verklaren.

De behandeling van de ontvankelijkheidsverweren

De CWI heeft een relatief grote procedurele vrijheid en heeft onder meer de ruimte om ontvankelijkheidsverweren verschillend te behandelen, indien nodig. Er was geen nader feitenonderzoek nodig voor de beoordeling van het standpunt van Verzoeker over de ontvankelijkheid van de klacht jegens hem. Een extra zitting had niet tot een ander juridisch oordeel over de uitleg van artikel 13 van de Klachtenregeling geleid. Bovendien is schriftelijk hoor en wederhoor toegepast.

De verslagen van de hoorzittingen

Het is gebruikelijk dat een verslag van een hoorzitting een zakelijk verslag is. Het verslag hoeft geen letterlijke weergave van het gezegde te zijn. De door Verzoeker aangehaalde onjuistheden betreffen uitingen die irrelevant zijn. Niet valt in te zien waarom hij hiervan nadeel zou ondervinden. De vergissing die de voorzitter maakte over de bevoegdheid van de CWI, werd gecorrigeerd door een ander lid en het juiste uitgangspunt is vervolgens opgenomen in het verslag. Belanghebbende heeft op normale toon ter zitting aangegeven hoe onheus hij zich bejegend voelt door Verzoeker en wat dat met hem doet. Dat is van ondergeschikt belang voor de beoordeling door de CWI.

De aspecten die onder de WMO vallen

Vaststelling van een schending van de WMO valt buiten de taakstelling van de CWI. Ten aanzien van onderzoekshandelingen die volgens Verzoeker in strijd zijn met de WMO kan alleen worden beoordeeld of deze in strijd zijn met de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening. Die beoordeling heeft de CWI gedaan. Bij de beoordeling heeft de CWI betrokken: alle overgelegde berichten aan en van de METC, alle overgelegde communicatie tussen Verzoeker en Belanghebbenden aangaande de studies, de overgelegde stukken met betrekking tot de werving en het includeren van proefpersonen voor METC 2015-1 en de argumenten van Verzoeker alsmede het verweer van de promovendus. Dat niet alle overgelegde stukken expliciet zijn besproken, betekent niet dat ze niet zijn betrokken in het advies. De CWI achtte het niet noodzakelijk om lab-uitdraaien of andere onderzoeksgegevens in haar onderzoek te betrekken, het behoort niet tot de taakstelling van de CWI om tot in detail na te gaan of sprake is van een mogelijke schending van de WMO.

Het ontslag van Verzoeker

De arbeidsrechtelijke positie van Verzoeker is niet relevant voor de beoordeling door het LOWI. Verzoeker geeft ook een verkeerde voorstelling van zaken. De gastvrijheidsaanstelling was voor bepaalde tijd en liep af op 1 april 2017. Een aanstelling voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege, niet door actief ontslag. Op 2 februari 2017 heeft Verzoeker een klacht ingediend tegen Y. De gastvrijheidsaanstelling van Verzoeker is op 25 maart 2017 met een half jaar verlengd. Deze gastvrijheidsaanstelling is van rechtswege geëindigd op 30 september 2017. Uit niets blijkt dat zijn aanstelling niet zou zijn verlengd omdat Verzoeker klachten had ingediend. Verlenging van een gastvrijheidsaanstelling is geen vaststaand gegeven. Verzoeker vergeet dat er ook een klacht tegen hem was ingediend, hij zelf zijn positie als copromotor van de promovendus en zijn positie bij de onderafdeling had opgezegd, hij niet wilde meewerken aan intern onderzoek, er geen resultaat was behaald in een mediationtraject en dat door het versturen van talloze sommatiebrieven verdere samenwerking binnen het AMC allesbehalve vanzelfsprekend was geworden.

3.3.2 Ten aanzien van de inhoudelijke bezwaren (tegen het besluit over de klacht over Belanghebbende)

Op grond van artikel 8 van het Reglement LOWI is het de taak van het LOWI om te toetsen of een besluit zorgvuldig tot stand is gekomen. Slechts als sprake is van dusdanige formele of inhoudelijke gebreken dat een hernieuwde behandeling noodzakelijk is, kan het LOWI zelf nader onderzoek instellen. Er zijn geen gronden voor een hernieuwde integrale behandeling van de klachten. Mocht het LOWI onverhoopt anders oordelen, dan willen Belanghebbenden graag in de gelegenheid worden gesteld om een en ander nader inhoudelijk toe te lichten.

Volgens Belanghebbenden vestigt Verzoeker steeds nadrukkelijker de aandacht op mogelijke gezondheidsrisico’s voor proefpersonen en op belangenverstrengeling. Om die reden hebben Belanghebbenden dat wat zij daarover eerder bij de CWI hadden aangevoerd nu bij het LOWI als volgt aangevuld.

Gezondheidsrisico’s voor proefpersonen

Ten aanzien van METC 2015-1 en METC 2016-3 zijn de handelingen met proefpersonen beperkt tot het afnemen van bloed en het invullen van een vragenlijst. Hieraan kleven geen ernstige gezondheidsrisico’s en voor zover onderzoekshandelingen zijn verricht, zijn deze in overeenstemming met het protocol en met de WMO.

De verwijten van Verzoeker lijken zich toe te spitsen op METC 2015-2, waarbij steeds een iets hogere dosis B wordt toegediend aan proefpersonen. In het eerste onderzoeksprotocol was het uitgangspunt dat B een voedingssupplement is, maar de METC was van oordeel dat het gaat om een geneesmiddel. Een aanvullende eis van de METC was dat B volgens GMP werd gemaakt. B is besteld bij het bedrijf G en B zou daarna volgens GPM worden gemaakt door een van de meest vooraanstaande apotheken in Nederland.

Verzoeker doet of het aan de apotheek aangeboden B onvoldoende zuiver was vanwege … . Dit is gebaseerd op een analyse van een batch B die voor een eerdere trial met B was gebruikt. De promovendus heeft, met medeweten van Verzoeker, een sample uit die batch laten herkeuren om te bepalen of B ook kon worden gebruikt voor METC 2015-2. Nadat uit de testresultaten … bleek, heeft de promovendus (inmiddels onder begeleiding van Y en Belanghebbende) laten weten dat de stof opnieuw zou worden aangeschaft. De promovendus heeft Verzoeker bij e-mail op 9 september 2016 laten weten dat het nieuw bestelde B zou worden getest op zuiverheid. B bleek zuiver en de apotheek heeft bevestigd dat de productie van B zou worden gestart met een interne kwaliteitscontrole. Belanghebbenden hebben opvolging gegeven aan de procedure als beschreven in het METC-protocol.

Uiteindelijk zijn de betreffende B nooit gebruikt, omdat het protocol voor deze trial is ingetrokken door het hoofd van de afdeling … . De trial is ook geen deel meer van het promotietraject. De informatie die Y en Belanghebbende aan de CWI hebben verstrekt was juist, en er was geen sprake van gezondheidsrisico’s voor proefpersonen. De verwijten van Verzoeker zijn extra kwalijk omdat hij wist dat er een andere batch B zou worden gebruikt.

Belangenverstrengeling

Verzoeker meent dat hij de dupe is geworden van een cultuur van vriendjespolitiek. Dat is ongefundeerde stemmingmakerij. Belanghebbende heeft geen beurs toegekend aan de promovendus en heeft geen financiële belangen in E. Belanghebbende, Y en de afdeling hebben geen plannen om A-onderzoeksresultaten te commercialiseren. Belanghebbende en D hebben geen afhankelijkheidsrelatie. Er is geen sprake van een dubieuze vriendendienst van de apotheek aan Belanghebbende. Y heeft geen interesse in publicaties op het gebied van A. Het AMC heeft geen eigen belang in deze procedure en heeft geen partij gekozen voor Belanghebbenden. Verzoeker is niet ontslagen en zeker niet omdat hij bij de CWI klachten heeft ingediend. De CWI heeft geen partij gekozen voor het AMC door zich uit te laten over het continueren van onderzoek zonder de aanvankelijke hoofdonderzoeker. Belanghebbenden hadden geen ander doel dan het waarborgen van de promotie.

3.4 Reactie Verzoeker op het standpunt van het Bestuur en Belanghebbenden

Verzoeker heeft naar aanleiding van de verweerschriften, samengevat, als volgt gereageerd.

3.4.1 Reactie Verzoeker op het standpunt van het Bestuur

Aanvullende procedurele bezwaren

De CWI heeft de vertrouwelijkheid van de klachtprocedure geschonden doordat het Bestuur, dat daarin geen partij was, de beschikking heeft gekregen over vertrouwelijke correspondentie tussen partijen en CWI. Ook is de secretaris van de CWI tevens contactpersoon van het Bestuur in deze kwestie en heeft in die hoedanigheid toegang tot alle informatie die hij als secretaris van de CWI heeft ontvangen. Dit klemt omdat een aantal procedurele bezwaren is gericht op het handelen van de secretaris van de CWI.

Het verweerschrift van het Bestuur is in feite een verweerschrift van de CWI. Doordat het Bestuur zich vereenzelvigt met de CWI, wordt de indruk gewekt dat de CWI niet onafhankelijk heeft geoordeeld.

Inhoudelijke bezwaren (tegen het besluit over de klacht over Belanghebbende)

Het Bestuur heeft in zijn verweerschrift alleen het advies van de CWI herhaald.

3.4.2 Reactie Verzoeker op het standpunt van Belanghebbenden

De samenstelling van de CWI

Er is verwevenheid tussen het AMC en E. Een van de hoogleraren bij de onderafdeling is verbonden aan de grootste aandeelhouder van E, de onderafdeling doet door E betaald onderzoek naar door E ontwikkelde producten en het AMC is aandeelhouder. D, de enige medicus binnen de CWI, had vanwege zijn functie bij E moeten bedanken voor een positie als lid van de CWI. Het is niet uit te sluiten dat E een belang heeft bij de uitkomst van de procedure. Onderdeel van het geschil is of Verzoeker zeggenschap houdt over zijn onderzoek of dat hij dit kwijtraakt aan de onderafdeling.

Het ontslag van Verzoeker

Verzoeker heeft opnieuw uiteengezet dat hij van mening is dat zijn aanstelling bij het AMC is geëindigd omdat hij had geklaagd bij de CWI. De belangen van Verzoeker zijn niet meegewogen. Verzoeker kan niet verder met zijn eigen onderzoek, de gevolgen van het beëindigen van Verzoekers gastaanstelling zijn groot.

Verder heeft Verzoeker het volgende toegevoegd. De CWI heeft overwogen dat het A-onderzoek is ingebed in het AMC, maar dat is tegenovergesteld aan wat de Raad van Bestuur heeft gemeld in het geschil over de beëindiging van de aanstelling van Verzoeker. In een brief namens de Raad van Bestuur van 5 maart 2018 is onder meer vermeld dat het AMC nooit fondsen heeft gehad voor het onderzoek van Verzoeker, dat het onderzoek niet paste in een onderzoekslijn van het AMC en dat Verzoeker geen taak had in de onderafdeling of elders in het ziekenhuis. Door op dit punt buiten het debat van partijen en buiten de eigen bevoegdheid te treden, heeft de CWI onzorgvuldig gehandeld en blijk gegeven van vooringenomenheid.

Gezondheidsrisico’s voor proefpersonen

Twee stukken die Belanghebbenden nu aan het LOWI hebben overgelegd zijn geen deel van de aanvraag die Belanghebbende in augustus 2016 op naam van Verzoeker heeft gedaan of van de aanvraag die Y in oktober 2016 op eigen naam heeft gedaan. Dat kan ook niet, want deze twee stukken zijn van later datum (november 2016). De METC-aanvragen werden gedaan terwijl de laatst geteste batch van de toe te dienen stof … bevatte, zónder dat dit aan de METC werd gemeld. De METC-aanvragen zijn gedaan op een moment dat de nieuw aangeschafte batch B nog moest worden getest. Onder leiding van Verzoeker zou dit niet zijn gebeurd. De nieuw aangeschafte batch voldoet niet aan de eisen, omdat deze niet GMP is vervaardigd. Dit gebrek wordt niet verholpen doordat de apotheker de stof netjes in potjes heeft gedaan.

Belangenverstrengeling

Belanghebbende heeft het LOWI er niet over geïnformeerd dat hij wel degelijk zitting had in de commissie die de beurs heeft toegekend aan de promovendus.

De beoordeling door de CWI

Tot slot heeft Verzoeker aanvullend nog het volgende naar voren gebracht.

De CWI meet met twee maten door het beëindigen van het copromotorschap door Verzoeker streng te beoordelen, maar de klachten over het handelen van de promovendus terzijde te schuiven. Verder is een verstoorde relatie tussen een promovendus en een copromotor in de kern een arbeidsconflict. Na het verbreken van die relatie wordt de promotie voortgezet bij de promotor, eventueel met een nieuwe copromotor. Bezwaren tegen de beëindiging van het copromotorschap van Verzoeker hadden moeten worden voorgelegd aan het College van Promoties. Dat is niet gebeurd.

De CWI heeft het onderscheid tussen de zware verantwoordelijkheid van de promotor en de beperkte verantwoordelijkheid van de copromotor niet meegewogen. De CWI meet ook met twee maten door het handelen van Verzoeker streng te beoordelen, maar het handelen van Y en Belanghebbende te rechtvaardigen. Belanghebbende en Y hebben de wetenschappelijke integriteit geschonden door achter de rug van Verzoeker en zonder zijn toestemming zijn onderzoeksprotocol in te dienen.

3.5 Laatste reactie van het Bestuur en Belanghebbenden

Naar aanleiding van de laatste reactie van Verzoeker, zoals beschreven in 3.4, hebben het Bestuur en Belanghebbenden eveneens een laatste reactie gegeven. Die luidt, samengevat, als volgt.

3.5.1 Laatste reactie van het Bestuur

De samenstelling van de CWI

Om hem moverende redenen heeft Verzoeker ervoor gekozen om zich pas na het besluit van het Bestuur te beklagen over vermeende belangenverstrengeling van D. Verzoeker heeft zich daartoe beroepen op ten tijde van de klachtprocedure al kenbare gegevens. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft D desgevraagd gemeld dat hij Belanghebbende voor het eerst heeft gezien bij de hoorzitting.

Aanvullende procedurele bezwaren

De CWI heeft als primaire taak het onderzoeken van klachten en daarover advies uitbrengen aan het Bestuur. Het Bestuur heeft daarbij geen rol, maar blijft verantwoordelijk voor de uiteindelijke klachtafhandeling. Voordat het Bestuur zijn aanvankelijk oordeel vaststelt, moet het zelfstandig nagaan of het advies van de CWI daaraan ten grondslag kan worden gelegd. Daarvoor moet het Bestuur de beschikking hebben over de stukken. De ambtelijk secretaris van de CWI is vermeld als contactpersoon van het Bestuur omdat hij op de hoogte is. Een ongewenste vermenging van functies is niet aan de orde.

Het Bestuur heeft in zijn verweerschrift de adviezen van de CWI expliciet onderschreven omdat het van oordeel is dat deze zorgvuldig, evenwichtig en helder zijn.

3.5.2 Laatste reactie van Belanghebbenden

Belanghebbenden hebben aangevoerd dat sprake is van een patroon van eenzijdige en beschadigende handelingen door Verzoeker. Belanghebbenden worden bestookt met sommaties, klachten en procedures. Zonder dat een inhoudelijk oordeel is gegeven, hebben zij zich genoodzaakt gezien een aantal onderzoeken te staken. Er worden vergaande beschuldigingen geuit en Verzoeker dwaalt verder af van concrete klachten inzake wetenschappelijke integriteit.

Aanvullende procedurele bezwaren

Eventuele procedurele onzorgvuldigheden begaan door de CWI of het Bestuur zijn alleen relevant voor zover ze van invloed zijn geweest op de beoordeling van de klachten. Het uitgangspunt is dat de CWI uit hoofde van haar functie wordt vermoed onpartijdig te zijn. Verzoeker doet ongefundeerde aannames, gegrond op wantrouwen in plaats van op zwaarwegende aanwijzingen.

Belangenverstrengeling

Het AMC is geen partij in de procedure en eventuele banden tussen het AMC en E doen niet ter zake. Optreden door het AMC in het kader van de arbeidsrechtelijke status van Verzoeker kan Belanghebbenden niet worden aangerekend. Belanghebbende heeft geen onjuiste informatie verstrekt. Hij bevestigt dat hij D voor het eerst heeft gezien tijdens een van de hoorzittingen van de CWI. Het is niet relevant of Belanghebbende al dan niet aandeelhouder was of is van E. Het inhuren van een medisch inhoudelijke adviseur wordt niet op aandeelhoudersniveau besloten. Ook kan niet van de leden van de CWI worden verwacht dat zij zonder aanleiding uitputtend onderzoek doen naar de aandelenportefeuille van alle betrokkenen.

Gezondheidsrisico’s voor proefpersonen

De stelling dat niet aan de METC gemeld zou zijn dat een eerder gebruikte batch B … bevatte, is onjuist. Dat blijkt uit de ingediende protocollen. Ook is onjuist dat een en ander buiten zicht van Verzoeker werd gehouden. De promovendus heeft Verzoeker bij e-mail van 9 september 2016 geïnformeerd over de voortgang van de B trial. In de nieuw bestelde batch B zijn geen afwijkingen in de zuiverheidsanalyse aangetroffen. Toch blijft Verzoeker wijzen op mogelijke schade.

De beoordeling door de CWI

De CWI heeft de vorm en de context waarbinnen de handelingen plaatsvonden van belang geacht. Belanghebbende en Y zijn pas overgegaan tot het indienen van het onderzoeksprotocol nadat was geprobeerd om tot een samenwerking te komen met Verzoeker. Zij hebben niet hun eigen belang voorop gesteld, maar hun verantwoordelijkheid jegens de promovendus. Verzoeker echter heeft eenzijdig het copromotorschap opgezegd, opdracht gegeven tot het ontslag van de promovendus en onderzoek en publicaties geblokkeerd.

Hij heeft daarbij alleen zijn eigen belang voor ogen gehad. Anders dan Verzoeker stelt, is de CWI wel bevoegd om aan de hand van de principes uit de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening te oordelen over de verstoorde relatie tussen Verzoeker en de promovendus. Voor het College van Promoties is alleen een rol weggelegd bij een geschil tussen een promovendus en een (co)promotor. Verzoeker heeft deze route afgesloten door de opzegging van het copromotorschap.

4. Overwegingen van het LOWI

4.1 Algemeen

Na een ontvankelijk verzoek hiertoe, adviseert het LOWI het Bestuur van een bij het LOWI aangesloten instelling over een door het Bestuur vastgesteld (aanvankelijk) oordeel naar aanleiding van een klacht over een vermoede schending van wetenschappelijke integriteit.

Het LOWI baseert zijn oordeel over de vermoede schending van wetenschappelijke integriteit primair – doch niet uitsluitend – op de normen van wetenschappelijke integriteit die zijn af te leiden uit hetzij de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening 2004, laatstelijk herzien in 2014, hetzij de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit, in werking getreden op 1 oktober 2018 (VSNU). Zie voor het beoordelingskader verder www.lowi.nl.

Het oordeel dat een of meerdere normen van wetenschappelijke integriteit zijn geschonden, leidt niet per definitie ook tot het oordeel dat de wetenschappelijke integriteit is geschonden.

Het LOWI is niet bevoegd om te oordelen over strafrechtelijke, bestuursrechtelijke of civielrechtelijke kwesties noch over wetenschappelijke controversen. Bij het laatste is sprake van een interpretatieverschil c.q. een verschil van mening over een wetenschappelijk oordeel. Wetenschappelijke controversen dienen te worden bediscussieerd en beslecht in het daartoe geëigende forum.

4.2 Toepasselijke regelingen

De klacht over Verzoeker is door de CWI beoordeeld aan de hand van de Klachtenregeling en de uitwerkingen 1.2, 1.3, 1.4, 1.7, 1.9, 4.1 en 4.2 van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening.

Op 1 oktober 2018 is de nieuwe Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit in werking getreden. Deze Gedragscode vervangt de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening. Op grond van de overgangsbepalingen in paragraaf 1.5 van de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit is op de onderhavige casus nog de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening van toepassing.
Tot slot is van belang dat het verzoek aan het LOWI is ingediend op 18 januari 2018, zodat Reglement LOWI (oud) van toepassing is.

4.3 De toetsing en het onderzoek door het LOWI

Verzoeker heeft het LOWI gevraagd om de klacht integraal opnieuw te beoordelen. Bestuur en Belanghebbenden hebben aangevoerd dat hiervoor geen grond is. Na de hoorzittingen heeft het Bestuur het LOWI een brief gestuurd (14 november 2018) met vragen en opmerkingen over de taak van het LOWI.

Het LOWI heeft tot taak om in onafhankelijkheid en zonder inmenging van Besturen van aangesloten instellingen te adviseren over verzoeken betreffende (voorgenomen) besluiten inzake vermoede schendingen van wetenschappelijke integriteit.

De toetsing van en het onderzoek naar een voorgenomen besluit door het LOWI wordt, voor de hier aan de orde zijnde casus, geregeld in de artikelen 8.1 en 8.3 van het Reglement LOWI (oud). De nadere invulling die het LOWI in de afgelopen jaren heeft gegeven aan artikelen 8.1 en 8.3 van het Reglement LOWI (oud), is kenbaar uit de gepubliceerde adviezen van het LOWI. Deze nadere invulling is eveneens toegelicht in de openbare jaarverslagen van het LOWI, laatstelijk in het jaarverslag 2017. Partijen worden dan ook in staat geacht om adequaat te anticiperen op de toetsing en het onderzoek door het LOWI.

Kort samengevat krijgt de toetsing en het onderzoek door het LOWI als volgt gestalte.

Het LOWI-advies komt tot stand via de beoordeling van de bezwaren die Verzoeker heeft aangevoerd tegen het besluit van het Bestuur en het daaraan ten grondslag liggende advies van de CWI. Ten behoeve van de beoordeling van die bezwaren vraagt het LOWI het Bestuur en Belanghebbende(n) om een reactie. Idealiter bestaat die reactie uit een inhoudelijke respons op de bezwaren. Een herhaling van of verwijzing naar de reeds bekende (en met het besluit al overgenomen) CWI-overwegingen is niet nodig en kan in de regel ook niet dienen als een antwoord op de bezwaren tegen juist die CWI-overwegingen. Bij het (deels) ontbreken van een noodzakelijk geachte inhoudelijke respons, kan het LOWI deze alsnog vragen tijdens een eventuele hoorzitting. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer Verzoeker gemotiveerd heeft aangevoerd dat het onderzoek van de CWI onvolledig was.

Voor het opnieuw beoordelen van de oorspronkelijke klacht is (alleen) aanleiding wanneer het advies van de CWI niet voldoet aan de zorgvuldigheidseisen en het besluit van het Bestuur niet kan dragen.

Uit de gepubliceerde LOWI-adviezen blijkt welke zorgvuldigheidseisen worden gehanteerd. Het gaat uitdrukkelijk niet alleen over het naleven van procedurele waarborgen. Voor de vraag of het CWI-advies het besluit van het Bestuur kan dragen, is relevant of dit advies naar zijn totstandkoming zorgvuldig was en naar zijn inhoud inzichtelijk en concludent. Daarbij speelt onder meer een rol of het onderzoek volledig was, of de relevante argumenten inzake al dan niet schending van de wetenschappelijke integriteit blijken uit de motivering en of het advies voldoende steekhoudend en logisch sluitend is. Uiteindelijk gaat het er immers om dat is of wordt voldaan aan de eisen van een behoorlijke klachtbehandeling.

Als het advies van de CWI voldoet aan de zorgvuldigheidseisen, dan gaat het LOWI in beginsel uit van de juistheid van de feitelijke bevindingen van de CWI. Wel buigt het LOWI zich nog over de vraag of het uit die feiten dezelfde conclusies kan trekken als de CWI: verbindt het LOWI aan het handelen van de beklaagde wetenschapper (zoals dat is vastgesteld door de CWI) dezelfde kwalificatie als de CWI of ziet het LOWI reden voor een andere kwalificatie?

Als het advies van de CWI niet voldoet aan de zorgvuldigheidseisen, dan kan dit advies het besluit van het Bestuur niet dragen. Of er in dat geval nader onderzoek vereist is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Is er bijvoorbeeld sprake van een gebrekkige motivering of van een onvolledig onderzoek? In het geval van onvolledig onderzoek verricht het LOWI het nadere onderzoek zoveel mogelijk zelf. Soms kan dat niet of onvoldoende, bijvoorbeeld omdat het LOWI niet beschikt over de noodzakelijke onderzoeksbevoegdheden of -faciliteiten. Anders dan de CWI, is het LOWI bijvoorbeeld niet bevoegd om bij werknemers van de universiteit inzage te verlangen in documentatie en correspondentie. In dat geval zal het LOWI motiveren waarom het van oordeel is dat het CWI-advies het besluit van het Bestuur niet kan dragen en het Bestuur adviseren om de CWI te vragen om de zaak opnieuw in behandeling te nemen.

Hieronder volgt de beoordeling van de verschillende bezwaren van Verzoeker, door hem ingedeeld in procedurele en meer inhoudelijke bezwaren.

4.4 Procedurele bezwaren (tegen alle besluiten)

De procedurele bezwaren van Verzoeker zijn gericht tegen alle besluiten. De beoordeling door het LOWI van deze bezwaren wordt om die reden in elk afzonderlijk LOWI-advies herhaald. Daarbij wordt opgemerkt dat de relevantie (van de beoordeling) van de bezwaren niet voor elke besluit even groot is.

Het LOWI overweegt als volgt

De samenstelling van de CWI

Zoals ook eerder is uiteengezet (zie onder meer LOWI-advies 2018-02) is het uitgangspunt dat de leden van de CWI uit hoofde van hun functie worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een bijzondere omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de CWI vooringenomenheid koestert of dat de daarvoor bij een partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Alleen het subjectieve oordeel bij die partij is onvoldoende. Het is aan de betreffende partij om aannemelijk te maken dat zo’n bijzondere omstandigheid zich voordoet. Verondersteld mag worden dat de gemachtigde van Verzoeker als advocaat op de hoogte is van deze (strikte) criteria.

De door Verzoeker gestelde relatie tussen D en Belanghebbende via het bedrijf E levert geen zwaarwegende aanwijzing op. Er is niet gebleken dat D en Belanghebbende elkaar zelfs maar kenden of dat D op de hoogte was van enige (vroegere) betrokkenheid van Belanghebbende bij E. Uit de kritische vraag van D tijdens de hoorzitting kan geen vooringenomenheid worden afgeleid. Ook de bij Verzoeker bestaande vrees dat zijn wetenschappelijke werk commercieel wordt vermarkt, is geen zwaarwegende aanwijzing en Verzoekers suggestie, dat niet is uit te sluiten dat E een belang heeft bij de uitkomst van de procedure, mist feitelijke onderbouwing. Anders dan Verzoeker stelt, zijn de overwegingen van de CWI over de continuering van het A-onderzoek niet ongevraagd en ook niet onbevoegd tot stand gekomen. Immers, Verzoeker zelf heeft aangevoerd dat continuering van het onderzoek buiten hem om een schending van de wetenschappelijke integriteit oplevert. Verder hebben Belanghebbenden aan de CWI gevraagd om zich uit te laten over het hervatten van de studies door de promovendus. De in zijn laatste reactie door Verzoeker aangevoerde verwevenheid tussen het AMC en E is niet relevant voor de onpartijdigheid van de CWI van de UvA.

De Awb, fair trial

Artikel 8:39 van de Awb, over de procedure bij de bestuursrechter, is niet van toepassing op de klachtenprocedure. Titel 9.1 van de Awb verplicht niet tot het verstrekken van alle gewisselde correspondentie. Wel was de CWI, op grond van artikel 9:9 van de Awb, ertoe gehouden om Verzoeker een afschrift van het klaagschrift over hem (en de daarbij meegezonden stukken) toe te zenden. Aan deze verplichting heeft de CWI voldaan. Dat dit niet direct is gebeurd, maar na de beoordeling van de ontvankelijkheid van de klacht tegen Verzoeker, is niet in strijd met beginselen van fair trial en overigens in lijn met artikel 9 van de Klachtenregeling. Niet gebleken is dat Verzoeker hierdoor in zijn belangen is geschaad. Aangezien de klacht van Verzoeker over de promovendus ontvankelijk is verklaard en Verzoeker ter hoorzitting heeft kunnen reageren op het standpunt van Belanghebbenden ter zake, valt evenmin in te zien hoe hij in zijn belangen kan zijn geschaad door het niet toezenden van de correspondentie van Belanghebbenden hierover.

De behandeling van de ontvankelijkheidsverweren

De werkwijze van de CWI is op hoofdlijnen geregeld in de Awb en de Klachtenregeling, maar de nadere invulling ervan is verder overgelaten aan (de voorzitter van) de CWI. Dat is passend, gelet op de taakstelling van de CWI en artikel 9:14, tweede lid, van de Awb. Het is aan de CWI om te bepalen of de beoordeling van de ontvankelijkheid van een klacht op de stukken kan gebeuren dan wel dat een hoorzitting nodig is. In dit, uitzonderlijke, geval was sprake van meerdere samenhangende klachten. Na twee eerdere klachten (over Y en over Verzoeker), had de CWI nader onderzoek nodig om te kunnen beoordelen of de derde klacht (over de promovendus) materieel betrekking had op hetzelfde als die twee eerdere klachten. Dit kan, mede gelet op artikel 9, vierde lid, van de Klachtenregeling, niet worden gekwalificeerd als een ongelijke behandeling van Verzoeker. Verzoekers stelling dat zijn ontvankelijkheidsverweer zonder enige motivering is verworpen, is feitelijk onjuist. Ook op dit punt is niet gebleken dat Verzoeker in zijn belangen is geschaad.

De verslagen van de hoorzittingen

Verzoekers bezwaren tegen de verslaglegging kunnen evenmin doel treffen. Het is niet nodig om hetgeen is gezegd woordelijk weer te geven en het is evenmin nodig om al hetgeen is gezegd weer te geven. Het verslag van een hoorzitting is een zakelijke samenvatting. Onduidelijk is waarom het niet weergeven van de eventuele boosheid van Belanghebbende zou wijzen op een partijdige CWI. Hetzelfde geldt voor het niet weergeven van de (nadien gecorrigeerde) onjuiste interpretatie van de Klachtenregeling door de voorzitter van de CWI. Er is niet gebleken dat Verzoeker in zijn belangen is geschaad. De suggestie van het Bestuur en Belanghebbenden dat Verzoeker opnames heeft gemaakt tijdens de hoorzittingen, wordt verder voor kennisgeving aangenomen.

De aspecten die onder de WMO vallen

Dit bezwaar is vooral van belang voor de beoordeling van het verzoek met zaaknummer 2019-07, dat ziet op het besluit over de klacht over de promovendus. In die zaak 2019-07 gaat het LOWI in op de inhoudelijke argumenten die Verzoeker in dit verband heeft aangevoerd. Voor nu wordt het volgende opgemerkt.

Het is niet ongebruikelijk dat op één en dezelfde feitelijke gedraging meerdere regelingen van toepassing zijn. Het verrichten van medisch-wetenschappelijke onderzoekshandelingen op mensen valt onder de werking van de specifiek daarvoor geschreven WMO, maar kan daarnaast ook vallen onder de werking van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening. Uitwerking 1.2 van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening gaat expliciet over wetenschappelijk onderzoek met mensen. Daaronder valt ook medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen.

Duidelijk is dat het Bestuur (of de CWI dan wel het LOWI) niet is aangewezen als toezichthouder of handhaver van de WMO. Die taken zijn belegd bij onder meer de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de METC, de CCMO en het Openbaar Ministerie. Duidelijk is echter ook dat het Bestuur (CWI, LOWI) bevoegd en overigens ook gehouden is om een oordeel te geven over gestelde schendingen van de wetenschappelijke integriteit. De constatering dat een onderzoekshandeling binnen de kaders van de WMO valt, is op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat er geen ruimte is voor een beoordeling van deze handeling door het Bestuur (CWI, LOWI).

In overweging 5.9 in het advies naar aanleiding van de klacht over de promovendus (zaaknummer 2019-07) heeft de CWI gewezen op de gemotiveerde betwisting door de promovendus en daarbij opgemerkt dat vaststelling van een schending van de WMO buiten haar taakstelling valt. Het Bestuur heeft in zijn verweer naar voren gebracht dat het niet hoort tot de taak van de CWI om te beoordelen of sprake is van een schending van de WMO en dat de CWI terughoudendheid moet betrachten bij het toepassen van het normenkader van de WMO. Het LOWI kan deze uitleg niet volgen, omdat niet alleen is gevraagd aan de CWI om te constateren dat de WMO is geschonden of om het normenkader van de WMO toe te passen. Gevraagd is ook om (gestelde) medisch-wetenschappelijke onderzoekshandelingen op mensen te toetsen aan de principes van wetenschappelijke integriteit.

Uitwerking 1.2 van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening luidt, voor zover hier relevant, als volgt: “Iedere wetenschapsbeoefenaar toont respect voor mensen en dieren die betrokken zijn bij wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Onderzoek met mensen is principieel slechts mogelijk als zij informed consent hebben verleend, de risico’s gering zijn, en de privacy van de betrokkenen afdoende wordt beschermd. (…)”. Op de onderwerpen informed consent, risicobeheersing en bescherming van de privacy is ook de WMO van toepassing, zodat inderdaad overlap kan bestaan tussen beide regelingen.

Overigens is in de nieuwe Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit de mogelijkheid van overlap meer expliciet gemaakt. Zo is in paragraaf 1.4, onder nummer 14, vermeld: “Ook op sommige gebieden die grenzen aan of overlappen met dat van wetenschappelijke integriteit bestaan wettelijke voorschriften en gedragscodes voor onderzoekers. Zie de bijlage voor een beknopt overzicht. Als de onderzoeker zo’n wettelijk voorschrift of gedragscode niet naleeft, zal dat er soms toe leiden dat óók een norm uit hoofdstuk 3 van deze code niet is nageleefd. Dan is niet alleen sanctionering op grond van dat wettelijk voorschrift of die gedragscode mogelijk, maar ook een maatregel of sanctie als bedoeld in paragraaf 5.3 van deze code.” De bijlage waarnaar in nummer 14 wordt verwezen, vermeldt onder meer de WMO. Eveneens is, onder nummer 15, voorzien in een algemene voorrangsregel: “Indien toepassing van deze code tot strijd met een wettelijk voorschrift leidt, heeft toepassing van het wettelijk voorschrift voorrang boven toepassing van deze code.”

De CWI had de aan de promovendus verweten gedragingen, voor zover voldoende is gebleken dat ze daadwerkelijk zijn verricht, kunnen en moeten toetsen aan tenminste uitwerking 1.2 van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening. Uit de motivering van het CWI-advies over de aan de promovendus verweten gedragingen blijkt, hoewel uitwerking 1.2 van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening wel is genoemd in het toetsingskader, onvoldoende dat deze toetsing is gedaan. Hierop wordt in het LOWI-advies naar aanleiding van het verzoek met zaaknummer 2019-07 nader ingegaan.

Voor het LOWI-advies over het onderhavige besluit, dat betrekking heeft op aan Belanghebbende verweten gedragingen, geldt dat het voorgaande niet leidt tot een gegrondverklaring van het verzoek. Voor aan Belanghebbende verweten gedragingen in de sfeer van gezondheidsrisico’s voor proefpersonen, wordt verwezen naar onderdeel 4.5.

Het ontslag van Verzoeker

De gastvrijheidsverklaring van Verzoeker is gedurende lange tijd telkens voor een jaar verleend. In april 2017 is deze voor een periode van een half jaar verleend en na afloop van deze periode is geen nieuwe gastvrijheidsverklaring meer afgegeven.

Voor de toepasselijkheid van artikel 13 van de Klachtenregeling is niet van belang of deze gang van zaken al dan niet als ‘ontslag’ kan worden aangeduid. Artikel 13, voor zover hier relevant, luidt immers: “Het indienen van een klacht ingevolge deze regeling mag voor klager tot generlei nadeel, direct of indirect, leiden, tenzij klager niet te goeder trouw heeft gehandeld. (…)”.

Het niet opnieuw afgeven van een gastvrijheidsverklaring door de Raad van Bestuur van het AMC laat zich zonder meer als nadeel kwalificeren. Verzoeker kan immers geen gebruik meer maken van de onderzoeksfaciliteiten van het AMC. Daarnaast heeft Verzoeker ook als nadeel aangemerkt dat hij geen toegang meer heeft tot onderzoeksdata die van hem zouden zijn en die nog in het AMC zouden staan. Voor alle duidelijkheid wordt opgemerkt dat dit laatste gestelde nadeel een civielrechtelijke kwestie betreft, die buiten de kaders van de klachtprocedure valt en waarover het LOWI ook niet bevoegd is om te oordelen.

De vraag die hier voorligt is of het indienen van klachten door Verzoeker heeft geleid tot het nadeel dat hij geen gebruik meer kan maken van de onderzoeksfaciliteiten van het AMC. Hetgeen Verzoeker in dit verband heeft aangevoerd, is onvoldoende om die vraag bevestigend te beantwoorden. Redengevend is dat de klachten door Verzoeker niet geïsoleerd kunnen worden beschouwd. In de van belang zijnde periode hebben zich verschillende omstandigheden voorgedaan waaraan betekenis mag worden toegekend bij de beslissing of (opnieuw) gastvrijheid wordt verleend. Het genieten van gastvrijheid is minder een recht dan een gunst, bij de verlening waarvan ook niet alleen de belangen van de begunstigde zijn betrokken. Dat al vele jaren gastvrijheid is genoten, maakt dit niet anders. In casu kan betekenis worden toegekend aan de omstandigheid dat ook tegen Verzoeker een klacht was ingediend, dat Verzoeker zijn positie bij de onderafdeling had opgezegd, en dat de samenwerking met verschillende anderen ernstig verstoord is geraakt. Er is dan ook onvoldoende grond voor het oordeel dat het nadeel voor Verzoeker is veroorzaakt door (alleen) de door hem ingediende klachten. Het (niet gestand) doen van de aanvankelijke mededeling door de Raad van Bestuur dat het oordeel van de CWI zou worden afgewacht, maakt het voorgaande niet anders.

Wel geeft het LOWI het Bestuur in overweging om te bezien of de bescherming ex artikel 13 van de Klachtenregeling toereikend is. Het is van groot belang voor potentiële klagers dat duidelijk is tot wie zij zich kunnen richten met een beroep op deze beschermingsbepaling en wat zij dan redelijkerwijs mogen verwachten. De bepaling zelf is zeer ruim geformuleerd. De CWI heeft zich echter alleen gebogen over de vraag of de bepaling in de weg zou kunnen staan aan de ontvankelijkheid van de klacht tegen Verzoeker en het Bestuur heeft naar voren gebracht dat het niet is betrokken bij de onderlinge verhouding tussen het AMC en Verzoeker. Dat doet de vraag rijzen of artikel 13 van de Klachtenregeling niet meer bescherming belooft dan feitelijk wordt of kan worden geboden.

Aanvullende procedurele bezwaren

In zijn reactie naar aanleiding van het verweerschrift van het Bestuur heeft Verzoeker aanvullende procedurele bezwaren aangevoerd, inhoudende dat de CWI de vertrouwelijkheid in de klachtprocedure heeft geschonden en dat het Bestuur zich volledig vereenzelvigt met de CWI.

Het LOWI kan Verzoeker hierin niet volgen. Van een schending van de vertrouwelijkheid door de CWI is geen sprake. Het spreekt voor zich dat het Bestuur de beschikking heeft over het volledige dossier zoals dat aan de CWI is voorgelegd. Het Bestuur is immers op grond van artikel 3:9 van de Awb verplicht om zich ervan te vergewissen dat het onderzoek door de CWI op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Om te kunnen voldoen aan deze verplichting moet het Bestuur alle stukken kunnen inzien. Voor de duidelijkheid wordt Verzoeker erop gewezen dat de secretaris van de CWI en contactpersoon voor het Bestuur niet op eigen houtje handelt, maar in opdracht van de CWI en het Bestuur. Tot slot heeft het Bestuur inderdaad in zijn verweerschrift ten aanzien van de inhoudelijke bezwaren van Verzoeker voornamelijk herhaald wat de CWI eerder al had overwogen. Weliswaar is die reactie niet de ideale respons, maar er is geen grond om hieruit te concluderen dat de eerdere klachtbehandeling door de CWI onzorgvuldig zou zijn geweest.

Conclusie procedurele bezwaren

De procedurele bezwaren van Verzoeker tegen alle besluiten kunnen in de onderhavige zaak niet leiden tot het oordeel dat sprake is van een onzorgvuldige klachtbehandeling door de CWI.

4.5 Inhoudelijke bezwaren (tegen het besluit over de klacht over Belanghebbende)

De meer inhoudelijke bezwaren van Verzoeker zijn onderverdeeld naar de afzonderlijke besluiten. Verzoeker heeft de bezwaren verwoord als reactie op specifieke overwegingen van de CWI. Een aantal overwegingen komt herhaald terug in alle CWI-adviezen. De beoordeling door het LOWI van de bezwaren tegen die overwegingen wordt om die reden in elk afzonderlijk advies herhaald.

Klachtonderdelen 1 en 2

Ten eerste heeft Verzoeker het standpunt ingenomen dat de CWI ten onrechte heeft overwogen dat het A-onderzoek ook zonder betrokkenheid van Verzoeker kan worden gecontinueerd. Dit onderdeel van het CWI-advies heeft volgens Verzoeker tot gevolg dat hij het A-onderzoek, waaraan hij jarenlang heeft gewerkt, kwijtraakt aan anderen. Verzoeker heeft zijn vrees hiervoor meermalen onder woorden gebracht, bijvoorbeeld ook bij de afsluitende opmerkingen in het verzoekschrift. Dit is een belangrijk punt voor Verzoeker. Verzoekers bezwaren tegen de betreffende overwegingen van de CWI kunnen echter geen doel treffen. Het LOWI overweegt daartoe als volgt.

De beoordeling van de klacht over Verzoeker en van de klachten van Verzoeker heeft plaatsgevonden binnen de kaders van het promotietraject van de promovendus. Een ruimere reikwijdte heeft het CWI-advies niet. Anders dan Verzoeker kennelijk vreest, kan uit de overwegingen van de CWI niet worden afgeleid dat het A-werk van Verzoeker het eigendom zou zijn geworden van anderen of van de onderafdeling. Wel strekken de overwegingen van de CWI ertoe dat de promovendus zijn afgesproken deel van het A-onderzoek kon voortzetten en dat dit ook zonder Verzoeker kon gebeuren, die er inmiddels voldoende blijk van had gegeven daaraan geen of onvoldoende medewerking te verlenen. Mede gelet op wat hieronder verder wordt overwogen, kan het LOWI de CWI daarin volgen.

Door de rol van copromotor op zich te nemen is Verzoeker akkoord gegaan met de betrokkenheid van de promovendus bij het A-onderzoek. Zijn later aangevoerde bedenkingen maken dit niet anders. Verzoeker is de verplichting aangegaan zich in te spannen om het promotietraject tot een goed einde te brengen. Het opzeggen van het copromotorschap heeft Verzoeker niet volledig van die verplichting ontheven. In ieder geval had die opzegging niet als gevolg dat de promovendus zijn afgesproken en gefinancierde deel van het A-onderzoek niet langer mocht verrichten. Dit zou alleen anders kunnen zijn als er zwaarwegende redenen waren op grond waarvan de promovendus niet langer kon fungeren als uitvoerend onderzoeker van de A-protocollen. Daarvan is echter niet gebleken. In het advies over het verzoek met zaaknummer 2019-07 wordt hierop nader ingegaan. Kort samengevat heeft Verzoeker zijn stellingen over het functioneren van de promovendus voornamelijk onderbouwd met zijn eigen woorden. De juistheid van Verzoekers verwijten aan het adres van de promovendus, welke verwijten zijn betwist, is dan ook niet komen vast te staan.

Dat betekent dat de promovendus verder mocht met zijn afgesproken deel van het A-onderzoek. Dat was uitdrukkelijk de bedoeling van de promotoren en Belanghebbende, die dit ook consequent op deze manier met Verzoeker hebben besproken. Verzoeker op zijn beurt heeft sinds 23 mei 2016 wisselende boodschappen afgegeven. Enerzijds meldde Verzoeker dat hij het A-onderzoek zelf en zonder de promovendus wilde voortzetten, anderzijds verklaarde Verzoeker zich akkoord met de voortzetting van het promotietraject en zijn betrokkenheid op afstand. Zo heeft Verzoeker in het gesprek van 24 mei 2016 met de promotoren, in een aantal mailberichten zoals de mailwisseling van 7 juni 2016 met Y en in het gesprek met de Vertrouwenspersoon en Belanghebbende op 17 augustus 2016 aangegeven akkoord te zijn met de voorgestelde voortzetting van het traject, bestaande uit het afmaken van de studies door de promovendus met Verzoeker als inhoudsdeskundige en de promotoren en Belanghebbende als buffer tussen Verzoeker en de promovendus. Zijn feitelijk handelen bleek daarmee echter niet in overeenstemming. Onder meer heeft Verzoeker afwisselend wel en niet gereageerd op verschillende e-mails en heeft Verzoeker inhoudelijke vragen en verzoeken met betrekking tot het A-onderzoek vooral afwijzend beantwoord. Met de CWI is het LOWI van oordeel dat Verzoeker zich niet heeft ingespannen om het geplande promotieonderzoek tot een goed resultaat te brengen, maar dit veeleer heeft tegengewerkt.

Als Verzoeker van meet af aan eenduidig en blijvend had gecommuniceerd dat hij niet meer wilde dat de promovendus nog enig A-onderzoek verrichtte, wat daarvan verder ook zou zijn geweest, dan hadden de promotoren in ieder geval de gelegenheid gehad om direct te doen wat zij uiteindelijk noodgedwongen hebben gedaan, namelijk het promotietraject aanpassen. Door echter te doen zoals hij heeft gedaan, heeft Verzoeker in de hand gewerkt dat aan de CWI moest worden gevraagd om waarborgen in te bouwen voor het voltooien van de promotie. Gelet op het bovenstaande kan het LOWI Verzoeker dan ook niet volgen in zijn stelling dat de CWI buiten het debat of buiten haar bevoegdheid is getreden. De CWI heeft geen uitspraken gedaan over de intellectuele eigendom van het A-onderzoek, maar heeft zich, rekening houdend met de omstandigheden en binnen de kaders van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening, beziggehouden met kwesties van zorgvuldigheid tussen wetenschappers onderling (uitwerking 1.7) en goed mentorschap (uitwerking 1.8).

De promotoren en Belanghebbende hebben benadrukt dat zij geen ander doel hadden dan het waarborgen van de promotie, dat zij de intellectuele inspanningen van Verzoeker respecteren, dat zij zelf geen interesse hebben in het A-onderzoek en dat er geen plannen zijn om A-onderzoeksresultaten te vermarkten. Dat is in lijn met wat zij eerder ook aan Verzoeker hebben gemeld. Zo is in een e-mail van Y aan Verzoeker van 12 oktober 2016 uiteengezet dat de promotoren en Belanghebbende de proefschriftbegeleiding volledig op zich zullen nemen, de beschreven projecten zullen uitvoeren en Verzoeker op afstand zullen uitnodigen als medeauteur, zodat zijn B-geesteskind een stap verder wordt gebracht, waarna deze lijn bij de afdeling stopt en Verzoeker zijn B-trial elders kan uitvoeren. Er is verder niet gebleken dat de vrees van Verzoeker objectieve grond heeft. Ook is niet aannemelijk geworden dat het advies van de CWI het doen van verder A-onderzoek door Verzoeker in de weg staat. Het hangt af van de beslissingen van de METC wat er in de toekomst gebeurt met de studies, die thans geen deel meer uitmaken van het promotietraject en die on hold zijn gezet. Of en waar Verzoeker op enig moment weer over onderzoeksfaciliteiten kan beschikken, valt buiten de reikwijdte van het CWI-advies.

Ten aanzien van Verzoekers overige inhoudelijke bezwaren tegen de beoordeling van klachtonderdelen 1 en 2 overweegt het LOWI als volgt.

Vast staat dat Belanghebbende op 4 augustus 2016, terwijl hij wist dat Verzoeker dat niet wilde, METC 2015-2 heeft ingediend bij de METC en daarbij in strijd met de waarheid heeft vermeld dat hij dit deed per order, dus namens Verzoeker.

De CWI heeft overwogen dat Belanghebbende heeft gehandeld in de geest van de afspraken die zijn gemaakt in het gesprek met de Vertrouwenspersoon op 17 augustus 2016. Het LOWI acht deze overweging onbegrijpelijk, reeds omdat het gewraakte handelen van Belanghebbende eerder plaatsvond. Het Bestuur heeft overweging 5.7 nader toegelicht door erop te wijzen dat Verzoeker in dat gesprek met de Vertrouwenspersoon akkoord is gegaan met de voorgestelde voortgang van het promotietraject door middel van het (opnieuw) indienen van het protocol. Dat doet echter niets af aan het feit dat Belanghebbende op 4 augustus 2016 in strijd met de waarheid tegenover de METC heeft doen voorkomen dat hij deze indiening deed namens Verzoeker. Dit aspect van het handelen van Belanghebbende kan niet geacht worden op 17 augustus 2016 te zijn bekrachtigd door Verzoeker. Terzijde wordt hier voor de duidelijkheid wel opgemerkt dat het LOWI geen doorslaggevend belang hecht aan Verzoekers betwisting van de juistheid van het verslag van het gesprek met de Vertrouwenspersoon. Verzoekers bezwaren tegen de verslaglegging zien immers op de volgens hem ontbrekende context, hetgeen echter geen inhoudelijke betekenis heeft voor de afspraken die op 17 augustus 2016 zijn gemaakt over de voortgang van het promotietraject.

Verder heeft de CWI overwogen dat uit de intrekking van METC 2105-2 door Verzoeker en de indiening van een aangepaste versie door Y (METC 2016-4) blijkt dat het handelen van Belanghebbende een nadien corrigeerbare fout betreft, die niet heeft geleid tot onomkeerbare gevolgen. Ook daarin kan het LOWI de CWI niet volgen. Met de aangeduide handelingen is weliswaar voorkomen dat Verzoeker zou worden aangemerkt als hoofdonderzoeker van een onderzoek waarvoor hij geen verantwoordelijkheid wilde nemen, wat daarvan verder ook zij, maar in ieder geval is niet ongedaan gemaakt dat Belanghebbende de METC heeft misleid.

Ten aanzien van overweging 5.9 moet daarnaast aan Verzoeker worden toegegeven dat de CWI bij de beoordeling van het gewraakte handelen van Belanghebbende een soepeler maatstaf lijkt te hebben gehanteerd dan bij de beoordeling van het gewraakte handelen van Verzoeker. Verzoeker heeft aangevoerd dat het voor de vraag of handelen in strijd is met de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening niet van belang is of dit handelen onomkeerbare gevolgen heeft. Dat is juist. Dat is ook te zien in de beoordeling van de CWI van het door Verzoeker geïnitieerde ontslag van de promovendus (zaaknummer 2019-06). Dit onjuiste ontslag is nadien gecorrigeerd en heeft niet geleid tot onomkeerbare gevolgen.

Toch heeft de CWI geoordeeld dat dit handelen van Verzoeker in strijd is met de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening. Bij de vraag of het handelen van Belanghebbende in strijd is met de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening, is de CWI echter tot een ander oordeel gekomen en lijkt de CWI met overweging 5.9 wél belang te hebben gehecht aan de omstandigheid dat het handelen van Belanghebbende niet tot onomkeerbare gevolgen heeft geleid. Het LOWI acht dit niet juist. De (on)omkeerbaarheid van handelen is niet van belang voor het oordeel of sprake is van een schending van een norm van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening, maar kan hooguit een rol spelen bij de nadere kwalificatie van de geconstateerde schending.

Bij de beoordeling van het handelen van Belanghebbende heeft de CWI zwaarwegende betekenis toegekend aan diens verantwoordelijkheid als leidinggevende, alsmede aan de beëindiging van het copromotorschap door Verzoeker en zijn opzegging van zijn positie bij de onderafdeling. Het LOWI kan de CWI daarin grotendeels volgen, maar kent anders dan de CWI geen betekenis toe aan Verzoekers opzegging van zijn positie bij de onderafdeling op 19 september 2016. Deze opzegging is immers van later datum dan het gewraakte handelen van Belanghebbende op 4 augustus 2016. Wél relevant zijn de overige genoemde feiten en omstandigheden, met de constatering dat Verzoeker niet deed wat redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht ten behoeve van de voortgang van het promotietraject.

Uit het laatste bericht over de indiening van het betreffende protocol, de e-mail van Y van 25 juli 2016, valt op te maken dat het de bedoeling was van de promotoren en Belanghebbende dat deze indiening zou gebeuren op 8 augustus 2016. Verzoekers reactie van 29 juli 2016 was echter afhoudend. Daarbij meldde Verzoeker niet meer dan: “Ik heb wat meer tijd nodig voor mijn besluit, en kom er zsm op terug.” In samenhang met hetgeen hierboven al is aangehaald en gelet op de omstandigheid dat Verzoeker evenmin het gevraagde formulier en de benodigde inloggegevens verstrekte, kon deze reactie in redelijkheid zo worden opgevat dat Verzoeker waarschijnlijk niet bereid was om mee te werken aan de voorgestelde indiening op 8 augustus 2016.

Er is een situatie ontstaan waarin het belang van de voortgang van het promotietraject (uitwerking 1.8, goed mentorschap, van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening) moest worden afgewogen tegen het belang van Verzoeker om de indiening van het A-protocol in eigen hand te houden (uitwerking 1.7, zorgvuldigheid tussen wetenschapsbeoefenaren onderling, van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening). In zijn advies over het besluit over de klacht over Y (zaaknummer 2019-05) heeft het LOWI, kort samengevat, overwogen dat een dergelijke situatie van conflicterende belangen kan nopen tot handelend optreden. Daarbij is echter wel relevant op welke wijze dit optreden concreet gestalte krijgt en is van belang dat zoveel mogelijk recht wordt gedaan aan alle betrokken belangen. De wijze waarop Belanghebbende aan zijn handelend optreden invulling heeft gegeven acht het LOWI in strijd met de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening. Daarbij gaat het in het bijzonder om de principes van eerlijkheid en zorgvuldigheid en uitwerking 1.7.

Het LOWI acht de principes van eerlijkheid en zorgvuldigheid van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening geschonden, omdat Belanghebbende in strijd met de waarheid tegenover de METC heeft doen voorkomen dat hij het protocol namens Verzoeker indiende. Het belang van de voortgang van het promotietraject kan dit niet rechtvaardigen. De METC moet er zonder meer op kunnen vertrouwen dat een aanvraag naar waarheid is ingevuld. Het LOWI acht tevens uitwerking 1.7 van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening geschonden, omdat niet valt in te zien waarom de indiening van het protocol moest gebeuren tijdens de vakantie van Verzoeker en niet ten minste kon wachten tot de aan Verzoeker aangekondigde datum van 8 augustus 2016. Dan had eventueel nogmaals een gesprek kunnen worden geïnitieerd met Verzoeker over (zijn rol bij) de voortgang van het promotietraject. Eveneens in strijd met uitwerking 1.7 van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening is om Verzoeker als hoofdonderzoeker verantwoordelijk te maken voor een onderzoek terwijl hij duidelijk had gemaakt dat hij daar (nog) niet verantwoordelijk voor wilde zijn. Het LOWI weegt mee dat Belanghebbende ook anders had kunnen handelen.

Gelet op het bovenstaande kan het LOWI zich niet vinden in de kwalificatie van het handelen van Belanghebbende als ‘op zichzelf genomen onjuist’. Geconstateerd moet worden dat dit handelen in strijd is met de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening. De vervolgvraag is of deze constatering tevens leidt tot het oordeel dat Belanghebbende de wetenschappelijke integriteit heeft geschonden. Het LOWI is van oordeel dat mede vanwege het ontbreken van een patroon van schendingen van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening, deze schending onvoldoende zwaarwegend is om te concluderen dat Belanghebbende de wetenschappelijke integriteit heeft geschonden. Het LOWI is echter wel van oordeel dat Belanghebbende verwijtbaar onzorgvuldig heeft gehandeld.

Klachtonderdeel 3

Klachtonderdeel 3 is door de CWI afgedaan met overweging 5.10, waartegen Verzoeker in zijn verzoekschrift geen concrete bezwaren heeft verwoord. Er zijn geen aanknopingspunten voor het door Verzoeker gevraagde oordeel van het LOWI.

Gezondheidsrisico’s voor proefpersonen

In de hoorzitting bij de CWI over de klacht over Belanghebbende heeft Verzoeker aangevoerd dat sprake was van (niet gemelde) gezondheidsrisico’s voor proefpersonen. Die stelling van Verzoeker is mogelijk relevant voor de verwante protocollen METC 2015-2 (ingediend door Belanghebbende) en METC 2016-4 (ingediend door Y). Bij het LOWI heeft Verzoeker een en ander nader uitgewerkt in onderdeel III.D van het verzoekschrift, dat is gericht tegen het besluit over de klacht over Belanghebbende. Verzoeker heeft aanvullend gesteld dat Belanghebbende tegenover de CWI onjuiste beweringen heeft gedaan over gezondheidsrisico’s.

De door Verzoeker gestelde gezondheidsrisico’s voor proefpersonen zijn geen onderwerp van het klaagschrift, maar zijn later in de klachtprocedure naar voren gebracht. Uit de motivering van het CWI-advies blijkt niet dat de CWI zich daadwerkelijk heeft gebogen over hetgeen Verzoeker in dit verband heeft gesteld. Het Bestuur heeft later aan het LOWI gemeld dat het niet tot de taak van de CWI hoort om te beoordelen of sprake is van een schending van de WMO. Naar het oordeel van het LOWI wordt hiermee blijk gegeven van een te beperkte toepassing van uitwerking 1.2 van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening. Het LOWI verwijst naar hetgeen hierover onder 4.4 is overwogen. Dat betekent dat het LOWI zich alsnog dient te buigen over dit onderwerp. Om te kunnen komen tot een zorgvuldige advisering, heeft het LOWI hetgeen Verzoeker heeft aangevoerd en hetgeen Belanghebbenden daar tegenin hebben gebracht betrokken op beide protocollen. Verzoekers standpunt over gezondheidsrisico’s voor proefpersonen is beoordeeld binnen de kaders van uitwerking 1.2 van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening, waarin is neergelegd dat onderzoek met mensen principieel slechts mogelijk is wanneer de risico’s gering zijn. Verzoeker heeft daarnaast gesteld dat Belanghebbenden zowel de METC als Verzoeker onvoldoende hebben geïnformeerd. Voor de beoordeling hiervan zijn de principes van eerlijkheid en zorgvuldigheid en uitwerking 1.7 en uit de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening relevant.

Het LOWI overweegt als volgt

Belanghebbenden hebben erop gewezen dat Verzoeker het door Belanghebbende ingediende protocol (METC 2015-2) heeft ingetrokken en dat het hoofd van de afdeling … ook het later door Y ingediende protocol (METC 2016-4) heeft ingetrokken. Dat betekent dat de B-trial niet is uitgevoerd. Dat is echter van ondergeschikt belang.

Zoals hierboven al is overwogen, acht het LOWI voor het oordeel of sprake is van een schending van normen van wetenschappelijke integriteit niet relevant dat handelen niet heeft geleid tot onomkeerbare gevolgen. Dit kan hooguit een rol spelen bij de nadere kwalificatie van de geconstateerde schending. Wel relevant is dat Verzoeker er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat bij de uitvoering van de trial zoals beschreven in de METC-protocollen sprake zou zijn geweest van meer dan geringe risico’s voor proefpersonen.

Verzoeker heeft in dit verband gewezen op … in de eerste batch B en op het niet GMP vervaardigd zijn van de tweede batch B.

… is aangetroffen in een batch B die kort gezegd was overgebleven na een eerder onderzoek en die op zuiverheid is getest om te bepalen of hij nog bruikbaar was. Uit door Belanghebbenden overgelegde e-mails van april en mei 2016 is gebleken dat Verzoeker ervan op de hoogte was dat de promovendus deze eerder gebruikte batch (in juni 2016, door bedrijf H) zou laten herkeuren. Dat hij zichzelf daarbij opgaf als contactpersoon en niet Verzoeker, is onvoldoende voor de conclusie dat Belanghebbenden een en ander buiten het zicht van Verzoeker hebben proberen te houden.

Het LOWI heeft niet kunnen vaststellen dat de uitslag van deze herkeuring is gedeeld met Verzoeker, maar wel is gebleken dat de promovendus Verzoeker bij e-mail van 9 september 2016 heeft gemeld dat een nieuwe bestelling B was gedaan en dat deze in de week van levering zou worden gekeurd. Het was dus ook voor Verzoeker duidelijk dat de eerste batch B niet zou worden gebruikt.

Zoals ook onder 4.4 is overwogen, staat het niet ter beoordeling van het LOWI of het gebruik van niet GMP vervaardigd B een schending vormt van de WMO. Het LOWI is echter wel bevoegd en ook gehouden om een oordeel te geven over de vraag of mogelijk sprake is van een schending van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening.

Volgens het LOWI vormt het niet GMP vervaardigd zijn van de tweede en te gebruiken batch B onvoldoende grond voor het oordeel dat uitwerking 1.2 van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening is geschonden. De constatering dat een voedingssupplement dat wordt gebruikt in een geneesmiddelenonderzoek niet GMP vervaardigd is, leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat proefpersonen door toediening van die stof dus meer dan geringe risico’s zouden lopen. In dat verband is de nadere toelichting van Belanghebbenden relevant.

Belanghebbenden hebben uiteengezet dat bedrijf H, de … van de UvA en de betrokken apotheker de tweede batch B hebben getest op samenstelling en zuiverheid. Belanghebbenden hebben de testresultaten overgelegd en aannemelijk gemaakt dat de aan de proefpersonen toe te dienen stof voldoende zuiver was en geen … stoffen bevatte. Van een meer dan gering risico voor proefpersonen is dan ook niet gebleken. Dat de uitkomsten van de zuiverheidsanalyses beschikbaar zijn gekomen na de indiening van de METC-aanvragen kan ook niet leiden tot het oordeel dat de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening is geschonden. Anders dan Verzoeker stelt, is de METC erover geïnformeerd dat de eerste batch B … bevatte en dat de tweede batch op zuiverheid zou worden getest. Aan de METC is gemeld dat de vervaardiging van B zou worden gestart wanneer geen abnormale waarden zouden worden gevonden, dat de METC zou worden geïnformeerd bij eventuele abnormale waarden en dat dan de vervaardiging niet zou worden gestart totdat een veilige productie kon worden gegarandeerd.

Hetgeen Verzoeker heeft aangevoerd over gezondheidsrisico’s voor proefpersonen geeft geen grond voor het oordeel dat de principes van eerlijkheid en zorgvuldigheid, in het bijzonder uitwerking 1.2, van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening zijn geschonden.

Belangenverstrengeling

Tot slot heeft Verzoeker zich nog op het standpunt gesteld dat sprake is van belangenverstrengeling, met name bij Belanghebbende. Voor zover het onderwerp belangenverstrengeling deel heeft uitgemaakt van de klachtprocedure, geeft het thans (aanvullend) aangevoerde geen aanleiding tot een gegrondverklaring van het verzoek. Zoals onder 4.4 al is overwogen, is van de door Verzoeker gestelde belangenverstrengeling tussen Belanghebbende en CWI-lid D niet gebleken. Ook kan de omstandigheid dat Belanghebbende zitting heeft gehad in de commissie die de beurs toekende aan de promovendus niet leiden tot een gegrondverklaring van het verzoek. Hetzelfde geldt voor Verzoekers stelling dat Belanghebbende het LOWI hierover onvoldoende heeft geïnformeerd.

Conclusie inhoudelijke bezwaren

Het verzoek is gegrond voor zover het is gericht tegen de naar het oordeel van het LOWI te milde kwalificatie van het geconstateerde handelen van Belanghebbende. Anders dan de CWI is het LOWI van oordeel dat het p/o indienen van METC 2015-2 door Belanghebbende in strijd is met de principes van eerlijkheid en zorgvuldigheid en uitwerking 1.7 van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening. Het LOWI is van oordeel dat Belanghebbende hiermee verwijtbaar onzorgvuldig heeft gehandeld. Voor het overige treffen de inhoudelijke bezwaren van Verzoeker geen doel.

5. Oordeel en advies van het LOWI

De procedurele bezwaren van Verzoeker leiden niet tot een gegrondverklaring van het verzoek. Naar aanleiding van de inhoudelijke bezwaren van Verzoeker echter, komt het LOWI tot een andere beoordeling van het vastgestelde handelen van Belanghebbende dan de CWI.

Het LOWI is van oordeel dat de principes van eerlijkheid en zorgvuldigheid van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening zijn geschonden, omdat Belanghebbende in strijd met de waarheid tegenover de METC heeft doen voorkomen dat hij METC 2015-2 namens Verzoeker indiende.

Verder is het LOWI van oordeel dat uitwerking 1.7 van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening is geschonden. Het LOWI kan zich dan ook niet vinden in de kwalificatie door de CWI van het handelen van Belanghebbende. De door het LOWI geconstateerde schending van normen van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening is, mede vanwege het ontbreken van een patroon van schendingen, onvoldoende zwaarwegend om te concluderen dat Belanghebbende de wetenschappelijke integriteit heeft geschonden. Het LOWI is wel van oordeel dat Belanghebbende verwijtbaar onzorgvuldig heeft gehandeld.

Het LOWI adviseert het Bestuur om zijn besluit te herzien en de overwegingen van het LOWI ten grondslag te leggen aan het definitieve besluit.

Prof. mr. R. Fernhout, Voorzitter

mr. H.M.L. Frons, Ambtelijk Secretaris

Print Friendly, PDF & Email