naar aanleiding van het verzoek van:
1. [Verzoeker]
over het aanvankelijk oordeel van
2. het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht
Procesverloop
Op 10 juni 2025 heeft Verzoeker een klacht ingediend over een mogelijke schending van wetenschappelijke integriteit door [Betrokkene].
De Commissie Wetenschappelijke Integriteit van de Universiteit Utrecht (hierna: CWI) heeft het College van Bestuur van die universiteit (hierna: Bestuur) op 30 september 2025 onder meer geadviseerd de klacht gedeeltelijk gegrond te verklaren omdat sprake is van een lichte tekortkoming (geen schending wetenschappelijke integriteit) door Betrokkene.
Het Bestuur heeft het advies van de CWI overgenomen en heeft de klacht van Verzoeker op 9 oktober 2025 gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (hierna: LOWI) op 24 oktober 2025 verzocht advies uit te brengen.
Het LOWI heeft besloten het verzoek in behandeling te nemen.
Prof. dr. J.G. van Erp heeft zich in deze zaak verschoond.
Het Bestuur heeft op 21 november 2025 een verweerschrift ingediend. Betrokkene heeft dat op 24 november 2025 gedaan.
Verzoeker heeft op 8 december 2025 gereageerd op het verweerschrift van Betrokkene.
Het Bestuur en Betrokkene hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een laatste reactie in te dienen.
Het LOWI heeft deze zaak besproken in zijn vergadering van 28 januari 2026. In die vergadering is besloten om een hoorzitting te houden.
Omdat Verzoeker verhinderd was deel te nemen aan de hoorzitting op de daarvoor gereserveerde datum, heeft het LOWI besloten eerst schriftelijke vragen aan een deskundige te stellen en daarna opnieuw te bezien of een hoorzitting nodig zou zijn.
Hiertoe heeft het LOWI op 10 februari 2026 schriftelijk vragen gesteld aan een deskundige. Deze vragen werden op 12 februari 2026 schriftelijk beantwoord.
Op 26 en 27 februari 2026 hebben Verzoeker en Betrokkene schriftelijk gereageerd op het antwoord van de deskundige.
Het LOWI heeft deze zaak opnieuw besproken in zijn vergadering van
25 maart 2026. In die vergadering is besloten dat een hoorzitting niet langer nodig was.
Partijen zijn op de hoogte gebracht van dit besluit om zonder nadere hoorzitting tot advisering over te gaan.
Overwegingen
Inleiding
1. Verzoeker en Betrokkene zijn werkzaam in hetzelfde vakgebied en hebben in het verleden samengewerkt. Betrokkene is als hoogleraar verbonden aan de Universiteit Utrecht. Verzoeker is als hoogleraar verbonden aan een andere universiteit in Europa.
2. Samen met een team van wetenschappers heeft Betrokkene een
working paper Betrokkene is daarbij corresponding author.
3. Verzoeker heeft een wetenschappelijke integriteitsklacht ingediend over dit working paper. De klacht is alleen gericht tegen Betrokkene en niet tegen de andere auteurs (die buiten Europa werkzaam zijn).
4. De klacht gaat kort gezegd over een vermoeden van plagiaat en over een gebrek aan (financiële) transparantie.
Klacht
5. De klachtonderdelen over plagiaat houden in dat de working paper teksten zou bevatten van Verzoeker en van de website van een organisatie voor ontwikkelingssamenwerking, zonder dat daarbij (correct) naar de bron is verwezen. In het geval van de tekst die van Verzoeker zou zijn overgenomen ontbreekt bronverwijzing helemaal en in het geval van de tekst die van de organisatie voor ontwikkelingssamenwerking zou zijn overgenomen, is de bronverwijzing niet correct. Ter onderbouwing van deze klachtonderdelen heeft Verzoeker twee tabellen opgenomen in zijn klacht met relevante tekstgedeelten uit zowel de working paper als uit de bronnen waaruit de tekstgedeelten zouden zijn overgenomen.
6. Verzoeker klaagt verder onder meer dat in de working paper ten onrechte een financier niet is vermeld. Ook klaagt Verzoeker dat zijn kritiek niet goed wordt weergegeven in de working paper waardoor het lijkt alsof Verzoeker het werk van Betrokkene steunt terwijl dit niet het geval is.
CWI-advies
7. In het CWI-advies wordt geschetst wat vooraf is gegaan aan de totstandkoming van de working paper en de indiening van de klacht. Die schets is als volgt. Betrokkene heeft een testversie gepubliceerd van een instrument waaraan hij heeft gewerkt. De bedoeling van deze testversie was om feedback van wetenschappers en gebruikers te verzamelen, om het instrument daarna in een working paper te publiceren met een meer gedetailleerde onderbouwing. In reactie op de testversie heeft Verzoeker een discussion paper geschreven dat later in een wetenschappelijk tijdschrift is gepubliceerd. Betrokkene heeft kennisgenomen van deze beide stukken van Verzoeker. Betrokkene en zijn auteursteam hebben het instrument vervolgens in een eerste versie van de working paper nader onderbouwd zoals hun bedoeling was, met opnieuw een uitnodiging aan wetenschappers en gebruikers in het veld om hierop te reageren. In het vakgebied is deze wijze van publiceren van ‘work in progress’ Gewoonlijk, aldus nog steeds het CWI-advies, wordt een working paper of discussion paper pas na verloop van tijd en na verwerking van diverse input ingediend bij een peer reviewed tijdschrift. De working paper van Betrokkene en zijn auteursteam bevat op het eerste moment van publiceren geen verwijzingen naar de discussion paper van Verzoeker of naar zijn peer reviewed artikel. Eén dag na publicatie van de working paper plaatst Verzoeker een bericht op LinkedIn met beschuldigingen over wetenschappelijke integriteit. Betrokkene vraagt hierop per e-mail om toelichting. In de mailwisseling die volgt geeft Verzoeker aan dat hij een wetenschappelijke integriteitsklacht zal indienen als de working paper niet binnen vier dagen wordt aangepast. Betrokkene en zijn team besluiten daarop de working paper binnen de door Verzoeker gestelde termijn aan te passen en verwijzingen toe te voegen. De gewijzigde versie wordt negen dagen na de publicatie van de eerste versie van de working paper gepubliceerd. Op verzoek van Betrokkene verwijdert Verzoeker zijn bericht op Linkedin. Verzoeker gaat niet in op het voorstel van Betrokkene om te praten en uiteindelijk dient Verzoeker toch een klacht in over vermeende schending van de wetenschappelijke integriteit.
8. De CWI overweegt over het vermeende plagiaat waarbij op ongeoorloofde wijze teksten van Verzoeker zouden zijn overgenomen, dat het auteursteam twee tekstfragmenten in de eerste versie van de working paper anders had moeten formuleren of daarbij aan bronvermelding had moeten doen. Door dit na te laten heeft het auteursteam, volgens de CWI, normen 34 (presenteer op zorgvuldige wijze bronnen) en 40 (doe recht aan het betrokken wetenschappelijk werk van anderen en verwijs zorgvuldig naar de bron) van de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018 (hierna: gedragscode) niet nageleefd. De CWI kwalificeert dit echter niet als een schending van de wetenschappelijke integriteit (meest zware categorie), maar als een lichte tekortkoming (minst zware categorie). Daarbij betrekt de CWI de omvang en de aard van de overgenomen tekst, het voorlopige karakter van de working paper als publicatie, de houding van Betrokkene en diens snelle handelen om tot rectificatie te komen. De CWI stelt vast dat sprake is geweest van onzorgvuldig handelen van een van de leden van het auteursteam van Betrokkene, dat op instigatie van Betrokkene onmiddellijk is hersteld. De CWI stelt ook vast dat in het geheel geen sprake is van plagiaat. De CWI wijst daarbij op een artikel van de voormalige voorzitter van de CWI mr. T. Hol[1], waarin deze zich afvraagt (p. 43-44) of het niet beter zou zijn de term ‘plagiaat’ alleen te gebruiken voor de zware gevallen, de evident grove schending van normen met betrekking tot correct citeren. De CWI wijst ook op het voorwoord bij het jaarverslag van het LOWI uit 2015 waarin staat dat het overnemen van een gering aantal overeenstemmende woorden uitsluitend van beschrijvende of feitelijke aard buiten het plagiaat zou moeten worden gehouden (p. 3).
9. Over het vermeende plagiaat waarbij op ongeoorloofde wijze teksten van een website van een organisatie voor ontwikkelingssamenwerking zouden zijn overgenomen, overweegt de CWI dat in de working paper een adequate verwijzing naar de bron is opgenomen. Dat daarbij geen aanhalingstekens zijn gebruikt, acht de CWI van ondergeschikt belang.
10. Ten aanzien van het klachtonderdeel over financiering overweegt de CWI dat in de working paper voldoende transparantie is betracht en niets wordt verhuld. De CWI constateert dat de affiliaties van de auteurs duidelijk staan vermeld, waaronder die van Betrokkene bij een onderzoekscentrum dat dankzij een donatie van een stichting kon worden opgericht. Verzoeker heeft volgens de CWI niet onderbouwd dat de paper direct door die stichting gefinancierd zou zijn en Betrokkene ontkent dat er voor de working paper financiering is ontvangen.
11. Het klachtonderdeel dat de discussie met Verzoeker niet goed wordt weergegeven in de working paper, beschouwt de CWI als een professioneel verschil van inzicht en als onderdeel van het wetenschappelijk debat dat daarom niet voor inhoudelijke beoordeling door de CWI in aanmerking komt.
Voorlopig oordeel Bestuur
12. Het Bestuur heeft zich ervan vergewist dat de CWI de klacht op zorgvuldige wijze heeft behandeld en op grond van deugdelijke argumenten tot haar advies is gekomen. Het Bestuur neemt het CWI-advies over en verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond, uitsluitend voor wat betreft het onvoldoende zorgvuldig naleven van normen 34 en 40 van de gedragscode. De beschuldiging van plagiaat is volgens het Bestuur ongegrond en het onvoldoende naleven van de normen wordt gekwalificeerd als lichte tekortkoming en niet als schending van de wetenschappelijke integriteit. Het Bestuur verklaart de klacht voor het overige ongegrond en niet-ontvankelijk.
Verzoek
13. Verzoeker betoogt dat de CWI zijn klachtonderdelen over plagiaat bagatelliseert. Volgens Verzoeker had het op ongeoorloofde wijze overnemen van zijn tekstgedeelten zwaarder moeten worden gekwalificeerd. Hij wijst daartoe onder meer op de seniorpositie van Betrokkene en op het aantal overgenomen woorden (naar eigen zeggen >200). Verzoeker meent dat sprake is van opzet en geeft aan dat het gelet op de snelle aanpassing van de working paper niet moeilijk was om eigen woorden te gebruiken, maar dat Betrokkene er kennelijk toch voor heeft gekozen om Verzoekers woorden te gebruiken zonder hem daarvoor te erkennen. Verzoeker acht het verder niet terecht dat de voorlopige aard van de publicatie als verzachtende omstandigheid wordt aangemerkt. Tot slot vindt Verzoeker dat de mening van prof. mr. Hol over wat wel en wat niet als plagiaat kan worden aangemerkt, beter buiten beschouwing kan worden gelaten.
14. Verzoeker weerspreekt de constatering van de CWI (zie overweging 9) dat de working paper een adequate verwijzing bevat naar de website van de organisatie voor ontwikkelingssamenwerking waarvan tekst is overgenomen. Deze verwijzing ziet volgens Verzoeker op de herkomst van de gebruikte data en niet op de herkomst van de gebruikte tekst. Verzoeker wijst er verder op dat studenten aan de universiteit wordt voorgehouden dat zij plagiëren als zij tekst die afkomstig is van websites, zonder gebruik van aanhalingstekens en zonder verwijzing, knippen en plakken in hun eigen tekst. Gelet hierop wordt met twee maten gemeten, aldus Verzoeker, aangezien de CWI in haar advies over Betrokkene overweegt dat het achterwege laten van aanhalingstekens van ondergeschikt belang is.
15. Verzoeker kan zich verder niet vinden in de gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van zijn klacht omdat sprake zou zijn van een professioneel verschil van inzicht. Volgens Verzoeker hebben Betrokkene en zijn team Verzoekers paper verdraaid om het te laten lijken alsof dit hun werk ondersteunt terwijl het tegendeel het geval is. Verzoeker wijst op LOWI-advies 2023-12 waarin staat dat ook in een wetenschappelijk debat normen van wetenschappelijke integriteit kunnen worden geschonden. Volgens Verzoeker heeft Betrokkene norm 53 van de gedragscode geschonden (wees eerlijk in publieke communicatie en helder over de beperkingen van het onderzoek). Dat Betrokkene niet naar de publicaties van Verzoeker heeft verwezen terwijl hij de inhoud van dit werk wel kende, laat volgens Verzoeker zien dat Betrokkene niet eerlijk is geweest over de tekortkomingen van zijn eigen paper en dat hij de kritiek van Verzoeker probeerde te vermijden.
16. Verzoeker kan zich niet vinden in het oordeel van de CWI over financiële transparantie. Volgens hem had de stichting in een acknowledgment bedankt moeten worden voor de financiële bijdrage waarmee het onderzoekscentrum kon worden opgericht waaraan Betrokkene geaffilieerd is en vanwaaruit het onderzoek is verricht.
17. Verzoeker uit bij het LOWI tot slot zijn onvrede over de CWI-procedure waarin volgens hem sprake was van bias en incompetentie. Ter onderbouwing hiervan wijst Verzoeker op de inhoud van het CWI-advies over plagiaat, op de bejegening tijdens de hoorzitting, op vragen die tijdens de hoorzitting wel of juist niet werden gesteld, op de samenstelling van de CWI, op de gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van zijn klacht die voor hem onverwacht kwam en op de duur van de procedure.
Standpunt Bestuur
18. Het Bestuur stelt zich op het standpunt dat de CWI voor ieder klachtonderdeel tot een genuanceerd en gefundeerd oordeel is gekomen en dat de procedure volgens de daarvoor geldende regels is verlopen. Het Bestuur herkent zich niet in het beeld dat Verzoeker schetst over de gevolgde procedure en wijst op een audio-opname van de hoorzitting.
Standpunt Betrokkene
19. Betrokkene beschrijft dat deze zaak een grote impact op hem heeft en problematiseert de handelwijze van Verzoeker waaronder het beschuldigende bericht dat Verzoeker op LinkedIn plaatste en een eveneens beschuldigend bericht dat Verzoeker aan een netwerkorganisatie stuurde. Hij observeert dat Verzoeker de wetenschap niet ziet als lerende gemeenschap maar als strijdtoneel voor zijn persoonlijke vetes. Betrokkene onderbouwt waarom hij vermoedt dat sprake is van een persoonlijke vete. Naar aanleiding van de inhoud van het verzoek beschrijft Betrokkene hoe de rolverdeling in het auteursteam was. Betrokkene geeft aan niet alle teksten zelf te hebben geschreven, maar neemt wel de volle verantwoordelijkheid voor de working paper op zich. Betrokkene wijst op de aanpassing die hij en zijn team na de berichten van Verzoeker hebben doorgevoerd waarbij in de gewijzigde versie alsnog naar de artikelen van Verzoeker is verwezen. Betrokkene geeft ook aan dat verontschuldigingen aan Verzoeker zijn gemaakt. Wat betreft de tekst die van de eerdergenoemde website is overgenomen, beaamt Betrokkene dat de verwijzing in de working paper niet ziet op de tekst die de data beschrijft maar op de data zelf. Volgens Betrokkene is dat transparant gebeurd en hij wijst op verschillende voorbeelden ter onderbouwing van zijn standpunt dat dit een gebruikelijke manier van citeren is in zijn vakgebied. Verder weerspreekt Betrokkene dat het onderzoekscentrum waaraan hij gelieerd is de working paper zou hebben gefinancierd.
Reactie Verzoeker
20. Verzoeker weerspreekt verschillende opmerkingen van Betrokkene, waaronder de opmerking dat sprake zou zijn van een persoonlijke vete. Verzoeker vraagt het LOWI om de zaak op zijn eigen merites te beoordelen.
Deskundigenadvies en reacties daarop
21. Het LOWI heeft […] een emeritus hoogleraar in het betreffende vakgebied, om advies gevraagd over het klachtonderdeel dat de working paper niet correct verwijst naar een website waarvan Betrokkene en zijn auteursteam tekst hebben overgenomen. Het LOWI heeft de deskundige gevraagd of de gehanteerde wijze van tekstovername “inderdaad een geaccepteerde en/of gebruikelijke manier van verwijzen is binnen het vakgebied zoals de wetenschapper stelt. En zo niet, wat zou dan wel een geaccepteerde en/of gebruikelijke manier van verwijzen zijn? Maakt het voor de beantwoording van deze vragen nog uit dat het hier een working paper betreft en geen regulier artikel?”
22. De deskundige heeft op deze vraagstelling geantwoord dat de gehanteerde wijze van tekstovername geen geaccepteerde en/of gebruikelijke manier van verwijzen betreft. De praktijkvoorbeelden die Betrokkene heeft aangehaald laten volgens hem zien dat anderen ook weleens de fout in gaan, maar dit doet geen afbreuk aan wat geaccepteerd of gebruikelijk is. Daarbij heeft hij ook aangegeven wat wel een geaccepteerde en/of gebruikelijke manier van verwijzen zou zijn, namelijk het expliciet vermelden van de bron van een overgenomen omschrijving, bijvoorbeeld in een voetnoot. Verder heeft de deskundige in antwoord op de vraagstelling van het LOWI aangegeven dat het in principe geen verschil maakt dat het hier een working paper betreft aangezien ook daarin netjes naar bronnen moet worden verwezen. Wel is het volgens hem in het vakgebied zo dat slordigheden een auteur veel minder zwaar worden aangerekend als zij in een working paper staan, omdat dit een voorlopige versie is waarop commentaar wordt gevraagd en die meestal nog wordt herzien voordat zij naar een tijdschrift wordt gestuurd. De deskundige merkt overigens op dat hij het vanwege de voorlopigheid van een working paper merkwaardig vindt dat hiervoor een LOWI-procedure wordt aangewend.
23. Verzoeker onderschrijft het deskundigenadvies, met uitzondering van de daarin vervatte relativerende opmerking over de ernst van slordigheden in een working paper en zijn bevreemding dat hierover een klacht is ingediend. Verzoeker wijst daartoe op de toegenomen relevantie van working papers en preprints in zijn vakgebied. Ook stelt hij dat geen sprake is van slordigheid, maar van plagiaat en dat Betrokkene bovendien de CWI en het LOWI probeerde te misleiden met zijn incorrecte opmerkingen dat een bepaalde manier van verwijzen gebruikelijk zou zijn in het vakgebied.
24. Betrokkene herkent zich in de inhoud van het deskundigenadvies en erkent dat de betreffende verwijzing beter had gekund. Betrokkene wijst erop dat dit in de tweede versie van de working paper is verbeterd, net als in de versie die uiteindelijk in een wetenschappelijk tijdschrift is gepubliceerd. Betrokkene onderschrijft dat een working paper een voorlopig karakter heeft en dat het verbazing wekt om hier een wetenschappelijke integriteitsklacht over in te dienen. Betrokkene benadrukt dat het om een working paper gaat, die voor verbetering vatbaar was, en waar actie op ondernomen is. Ook wijst hij erop dat het teamwerk is van, naast Betrokkene, veelal niet-Europese jonge onderzoekers. Betrokkene besluit dat dit onderzoekstraject een leerervaring is geweest voor alle betrokkenen en dat zijn team leervermogen heeft getoond en de wetenschap en samenleving zo goed mogelijk heeft gediend.
25. Het Bestuur noemt het deskundigenadvies helder en ziet daarin geen aanleiding om te reageren.
Oordeel LOWI
26. Het LOWI stelt voorop dat in deze zaak rekening moet worden gehouden met de aard van de publicatie. Zoals de CWI terecht heeft opgemerkt is een working paper zoals hier aan de orde ‘work in progress’. Het voorlopige karakter van dit type publicatie brengt mee dat de normen uit de gedragscode van toepassing zijn voor zover dat in redelijkheid kan worden verlangd (zie ook LOWI-advies 2022-17). Daarnaast kan de aard van de publicatie ook een rol spelen als wegingscriterium. Het voorlopige karakter van de publicatie kan dan een argument zijn om het eventuele onvoldoende naleven van normen minder zwaar te kwalificeren. Dat working papers steeds belangrijker worden in het vakgebied zoals Verzoeker stelt, vormt voor het LOWI onvoldoende reden om hier in dit geval anders over te denken.
Plagiaat?
27. Het LOWI acht norm 34 (presenteer op zorgvuldige wijze bronnen) en norm 40 (doe recht aan het betrokken wetenschappelijk werk van anderen en verwijs zorgvuldig naar de bron) van de gedragscode van toepassing op de working paper waarvoor Betrokkene als eerste auteur en corresponding author verantwoordelijk is. De aard van de publicatie, een working paper (een publicatie met een voorlopig karakter), rechtvaardigt echter een lichtere toets.
28. Met betrekking tot de tekst die in de eerste versie van de working paper is overgenomen van Verzoeker, onderschrijft het LOWI het oordeel van de CWI dat Betrokkene normen 34 en 40 onvoldoende heeft nageleefd en dat dit kwalificeert als een lichte tekortkoming. Het LOWI hanteert daarbij dezelfde wegingscriteria als de CWI heeft gedaan. Het gaat om een beperkt aantal woorden (maximaal 50) van feitelijke en beschrijvende aard die zijn overgenomen in een publicatie met een voorlopig karakter. De herkomst van deze passages en het ontbreken van bronvermelding hadden Betrokkene, die bekend was met de publicaties van Verzoeker, moeten opvallen. Op instigatie van Betrokkene zijn de ontbrekende verwijzingen echter onmiddellijk hersteld in een tweede versie van de working pape Betrokkene heeft verder erkend dat hij op dit punt tekort is geschoten en aangegeven daar in de toekomst anders mee om te gaan. Gelet op de eerdergenoemde beschrijvende aard van de overgenomen tekst en de beperkte omvang daarvan, is het LOWI net als de CWI van oordeel dat hier geen sprake is van plagiaat. Voor deze conclusie is niet nodig om nader in te gaan op de uitleg van het begrip plagiaat van prof. mr. Hol in de publicatie waarop de CWI heeft gewezen. Het LOWI is het niet met Verzoeker eens dat de CWI zijn klacht op dit punt bagatelliseert. Een zwaardere kwalificatie dan een lichte tekortkoming voor het onvoldoende naleven van normen 34 en 40 acht het LOWI hier niet op zijn plaats. De seniorpositie van Betrokkene, waarop Verzoeker heeft gewezen maakt dit niet anders.
29. Voor wat betreft de tekst die in de eerste versie van de working paper was overgenomen van een website voor ontwikkelingssamenwerking, is het LOWI anders dan de CWI en gelet op het deskundigenadvies van oordeel dat Betrokkene norm 34 van de gedragscode (presenteer op zorgvuldige wijze bronnen) onvoldoende heeft nageleefd. Betrokkene en zijn team hadden met hun bronvermelding naar de herkomst van de gebruikte tekst moeten verwijzen en niet naar de herkomst van de onderliggende data die door de gebruikte tekst wordt beschreven. Betrokkene heeft dit ook erkend. Het LOWI is van oordeel dat het onvoldoende naleven van norm 34 opnieuw niet zwaarder moet worden gekwalificeerd dan een lichte tekortkoming. Het LOWI betrekt hierbij wederom de aard van de overgenomen tekst (beschrijvend), het voorlopige karakter van de publicatie en het feit dat de gebrekkige verwijzing op instigatie van Betrokkene onmiddellijk is gerepareerd. Het gaat hier weliswaar om een wat groter aantal woorden (ongeveer 150), maar dat is goed verklaarbaar omdat de auteurs hebben willen aansluiten bij een vaste omschrijving waardoor zij precies dezelfde woorden hebben gebruikt als op de website van de organisatie voor ontwikkelingssamenwerking. Dat sprake zou zijn van opzet en misleiding, zoals Verzoeker betoogt, is naar het oordeel van het LOWI niet aannemelijk geworden en dit vormt dan ook geen reden voor een zwaardere kwalificatie. Ook voor dit klachtonderdeel geldt dat er geen sprake is van plagiaat. Wel is sprake van een onvoldoende zorgvuldige bronverwijzing door Betrokkene.
Financiële transparantie
30. Wat betreft het betrachten van financiële transparantie onderschrijft het LOWI het oordeel van de CWI zoals beschreven in overweging 10 van dit advies. Dat het onderzoekscentrum als affiliatie staat vermeld is voldoende. Een acknowledgement zoals Verzoeker wenst (zie overweging 16) is niet nodig.
Norm 53?
31. Verzoeker betoogt dat Betrokkene het in de working paper heeft doen laten lijken alsof Verzoekers paper het werk van Betrokkene ondersteunt terwijl dit juist niet het geval is. Verzoeker vindt dat zijn paper en de kritiek die hij daarin geeft, uitgebreider en explicieter in de working paper behandeld hadden moeten worden. Het LOWI onderschrijft het oordeel van de CWI dat dit betoog niet in een sleutel van wetenschappelijke integriteit moet worden bezien. Verzoekers betoog dat zijn kritiek niet (goed) is weergegeven is naar het oordeel van het LOWI eerder een betwisting van de kwaliteit van de wetenschappelijke bijdrage van Betrokkene en zijn team dan een overtuigende betwisting van de wetenschappelijke integriteit daarvan. Verder oordeelt het LOWI dat norm 53 waarop Verzoeker zich beroept en die gaat over publieke communicatie, niet van toepassing is op de inhoud van een working paper zoals hier aan de orde. Het klachtonderdeel is ongegrond.
Procedurele bezwaren
32. In Verzoekers procedurele bezwaren ziet het LOWI verder geen aanleiding voor het oordeel dat de klachtenprocedure in haar geheel bezien onzorgvuldig is geweest. Niet valt in te zien hoe de inhoud van het CWI-advies, de samenstelling van de CWI en de duur van de procedure in dit geval reden geven voor twijfel aan de gevolgde procedure. Wat de bejegening betreft, geeft Verzoeker aan hoe hij de procedure heeft ervaren, maar dit is onvoldoende voor het oordeel dat de procedure bij de CWI in meer geobjectiveerde zin onzorgvuldig of oneerlijk zou zijn geweest.
Conclusie
33. Het verzoek is gegrond omdat het LOWI over één klachtonderdeel anders oordeelt dan de CWI (zie overweging 29). Daarmee is de conclusie dat de onderliggende klacht gedeeltelijk gegrond is op de volgende punten. Met het ontbreken van een verwijzing naar het werk van Verzoeker zijn normen 34 en 40 in de eerste versie van de working paper onvoldoende nageleefd. Met de verkeerde verwijzing naar een website voor ontwikkelingssamenwerking is norm 34 onvoldoende nageleefd. Over beide punten heeft het LOWI geoordeeld dat dit een lichte tekortkoming betreft. Ook in onderlinge samenhang bezien kwalificeren beide punten als een lichte tekortkoming en niet zwaarder dan dat. Van plagiaat is geen sprake en van schending van de wetenschappelijke integriteit evenmin. Het verzoek is voor het overige ongegrond.
34. Naar het oordeel van het LOWI dient de klacht gedeeltelijk gegrond te worden verklaard voor wat betreft het ontbreken van een verwijzing naar Verzoekers werk en voor wat betreft een onjuiste verwijzing naar een website in de eerste versie van de working paper. Daarbij moet worden vermeld dat geen sprake is van schending van de wetenschappelijke integriteit, maar van een lichte tekortkoming. De klacht dient voor het overige ongegrond te worden verklaard.
ADVIES
Het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit:
I. verklaart het verzoek gegrond;
II. adviseert het College van Bestuur om de klacht gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond te verklaren zoals uitgewerkt in overwegingen 33 en 34 van dit advies en daarbij te expliciteren dat geen sprake is van schending van de wetenschappelijke integriteit maar van een lichte tekortkoming.
Aldus vastgesteld op 17 juni 2026 door mr. E.J. Daalder, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Zweistra, ambtelijk secretaris.
[1] T. Hol, ‘Wanneer en waarom is plagiaat een schending van de wetenschappelijke integriteit?’, in: J.E. Soeharno en K. Algra (red.), Plagiaat in onderzoek en onderwijs, Den Haag: Vereniging van Universiteiten 2021, p. 35-44.